Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:664

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
16-02-2018
Zaaknummer
20-000171-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor mishandeling. Veroordeling voor smaadschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000171-17

Uitspraak : 16 februari 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 11 januari 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-037212-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd en haar daarvoor te veroordelen tot een geldboete ten bedrage van € 800,00, waarvan € 500,00 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Daarnaast heeft de advocaat-generaal verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

Door de verdachte die haar eigen verdediging heeft gevoerd is vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal reeds worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
zij op of omstreeks 19 mei 2014 te Uden opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [de benadeelde partij] , met kracht bij haar (rechter)arm heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of in haar (rechter)arm heeft geknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2:
zij in of omstreeks de periode van 21 februari 2014 tot en met 25 februari 2014 te Uden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk, door middel van verspreiding van (een) (elektronisch) geschrift(en) en/of afbeelding(en) en/althans door (een) geschrift(en) waarvan de inhoud openlijk ten gehore wordt gebracht, te weten middels internet, op de [website] , die toegankelijk was voor anderen, de eer en/of de goede naam van [het notariskantoor] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens) met voormeld doel op voornoemde website een of meerdere films geplaatst en/of (daarbij) vermeld (zakelijk weergegeven)

- dat er een gerechtelijk schrijven en een verzoekschrift zou zijn gezonden naar voornoemd notariskantoor, terwijl deze in een eerdere zaak valsheid in geschrifte zou hebben gepleegd, en/of

- dat de notaris verzuimd heeft post, welke voor haar, verdachte bestemd was en welke op voornoemd notariskantoor zou zijn ontvangen, door te sturen naar haar en/of

- dat voornoemd notariskantoor een voor haar bestemd verzoekschrift en/of gerechtelijke schrijven zoek heeft gemaakt en/of achtergehouden, en/of

- dat [notaris 1] , de notaris zelf dus de eindverantwoordelijke is en dus schuldig is aan het zoekraken van het stuk en het verzoekschrift, en/of

- dat de administratie bij het notariskantoor niet op orde is omdat daar niets is ontvangen, en/of

- dat de rechtbankstukken volgens haar in het bezit moeten zijn van [notaris 1] en hij die niet aan haar zou willen overhandigen, en/of

- dat zowel de post als de notaris er een zooitje van maken,

en/of (daarbij) tekstbalk(en) met tekst(en) geplaatst (zakelijk weergegeven)

- " als ze zo met alle documenten omgaan die op domicilie daar aankomen" en/of

- " [notaris 2] is de notaris van de natte inkt versie, helemaal vreemd dat het verzoekschrift naar de notaris gaat waar [verdachte] aangifte tegen heeft gedaan, en heeft daar geen handtekening gezet, zie de beelden op [website] ".

Voor zover er in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Op de ter terechtzitting getoonde beelden van het onder 1 aan verdachte ten laste gelegde delict is te zien dat verdachte [de benadeelde partij] kort vastpakt bij, dan wel aanraakt aan, haar linkerarm en dat verdachte later ook kort de rechterarm van [de benadeelde partij] net boven de elleboog vastpakt/aanraakt. De aangifte van [de benadeelde partij] , waarin zij stelt dat verdachte haar met kracht in haar arm bleef knijpen om haar vast te houden, wordt niet door voornoemde beelden ondersteund. Ook kan het getoonde letsel aan de rechter bovenarm van [de benadeelde partij] (pagina 17 en 18 van het dossier) niet worden verklaard door de aanrakingen zoals die te zien zijn op de getoonde beelden.

Verdachte zal derhalve van het ten laste gelegde onder 1 worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:
zij in de periode van 21 februari 2014 tot en met 25 februari 2014 te Uden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk, door middel van verspreiding van elektronische geschriften en afbeeldingen, te weten middels internet op de [website] , die toegankelijk was voor anderen, de eer en de goede naam van [het notariskantoor] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers hebben zij, verdachte, en/of haar mededader telkens met voormeld doel op voornoemde website meerdere films geplaatst en daarbij vermeld (zakelijk weergegeven)

- dat er een gerechtelijk schrijven en een verzoekschrift zou zijn gezonden naar voornoemd notariskantoor, terwijl deze in een eerdere zaak valsheid in geschrifte zou hebben gepleegd, en

- dat de notaris verzuimd heeft post, welke voor haar, verdachte, bestemd was en welke op voornoemd notariskantoor zou zijn ontvangen, door te sturen naar haar en

- dat voornoemd notariskantoor een voor haar bestemd verzoekschrift en/of gerechtelijke schrijven zoek heeft gemaakt en/of achtergehouden, en

- dat [notaris 1] , de notaris zelf dus de eindverantwoordelijke is en dus schuldig is aan het zoekraken van het stuk en het verzoekschrift, en

- dat de administratie bij het notariskantoor niet op orde is omdat daar niets is ontvangen, en

- dat de rechtbankstukken volgens haar in het bezit moeten zijn van [notaris 1] en hij die niet aan haar zou willen overhandigen, en

- dat zowel de post als de notaris er een zooitje van maken,

en (daarbij) tekstbalken met teksten geplaatst (zakelijk weergegeven)

- " als ze zo met alle documenten omgaan die op domicilie daar aankomen" en

- " [notaris 2] is de notaris van de natte inkt versie, helemaal vreemd dat het verzoekschrift naar de notaris gaat waar [verdachte] aangifte tegen heeft gedaan, en heeft daar geen handtekening gezet, zie de beelden op [website] ".

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

smaadschrift.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Uit de inhoud van het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 december 2017, is gebleken dat de verdachte voorafgaand aan het bewezen verklaarde niet eerder onherroepelijk door de strafrechter is veroordeeld.

Het hof acht, vorenstaande in overweging genomen en in het bijzonder gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die het hof ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken, een gedeeltelijk voorwaardelijke geldboete van na te noemen hoogte passend en geboden.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Bij het opleggen van de geldboete zal het hof op de voet van artikel 27, derde lid, Wetboek van Strafrecht, bevelen dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van de op te leggen geldboete daarop geheel in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van vijftig euro per dag.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van [de benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 392,25 ter zake van materiële schade. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Nu aan de verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen onder 1, waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan [de benadeelde partij] in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c, 63 en 261 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 5 (vijf) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 50,00 (vijftig euro).

Verklaart [de benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. F. van Es, voorzitter,

mr. dr. F.P.E. Wiemans en mr. J. Huurman-van Asten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.C.M. van Keulen, griffier,

en op 16 februari 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.