Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:66

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-01-2018
Datum publicatie
11-01-2018
Zaaknummer
200.185.142_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:5846
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bestuurdersaansprakelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/184
INS-Updates.nl 2018-0018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.185.142/01

arrest van 9 januari 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. O.J. Praamstra te Zoetermeer,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. S.T.W. Verhaagh te Nijmegen,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 december 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 23 september 2015, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/280669/HA ZA 14-485)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van [appellant] ;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. [geïntimeerde] heeft vanaf eind mei 2011 tot 9 augustus 2011 werkzaamheden verricht ten behoeve van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam] Party Palace (hierna: “TPP” of “de vennootschap”);

b. Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 19 december 2012 (zaaknummer/ rolnummer: 228342 / HA ZA 12-240) is TPP veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een tweetal bedragen (€ 32.200,00 en € 1.965,66) te vermeerderen met rente en proceskosten;

c. [appellant] was enig bestuurder en enig aandeelhouder van TPP;

d. Uit de registers van de Kamer van Koophandel volgt dat TPP per 30 april 2012 is ontbonden;

e. Het eetcafé “Allerlei”, dat werd geëxploiteerd door TPP, is in april 2012 overgedragen aan een derde partij.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] , bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. te verklaren voor recht dat [appellant] aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden schade;

b. [appellant] te veroordelen binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, te betalen aan [geïntimeerde] hetgeen in het vonnis van de rechtbank Arnhem van 19 december 2012 aan [geïntimeerde] is toegekend;

c. [appellant] te veroordelen in de kosten van het geding, nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

3.2.2.

[geïntimeerde] heeft aan zijn vorderingen, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[appellant] is persoonlijk aansprakelijk voor de door de rechtbank Arnhem ten laste van TPP en ten gunste van [geïntimeerde] toegekende vorderingen. [appellant] heeft als bestuurder en vereffenaar jegens [geïntimeerde] onrechtmatig gehandeld danwel niet aan zijn verplichtingen als bestuurder voldaan en [appellant] kan daarvan een ernstig verwijt worden gemaakt nu hij namens de vennootschap door het eenzijdig gegeven ontslag een verplichting met [geïntimeerde] is aangegaan, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Voorts heeft [appellant] bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke en contractuele verplichtingen niet nakwam. [appellant] heeft in strijd gehandeld met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsverplichting jegens [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft daardoor schade geleden bestaande uit het niet betaald zijn van de bedragen genoemd in het vonnis van de rechtbank Arnhem.

3.2.3.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 8 oktober 2014 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.3.2.

In het eindvonnis van 23 september 2015 heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen eindvonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen.

3.5.

De rechtbank heeft overwogen dat het aannemelijk is dat TPP ten tijde van de ontbinding beschikte over baten en daarvan uitgaande had TPP niet de weg van de turbo-liquidatie moeten volgen maar had vereffening van de vennootschap dienen plaats te vinden. Door aan de vereffening voorbij te gaan, ondanks de aanwezigheid van baten, heeft TPP naar het oordeel van de rechtbank verzuimd te voldoen aan de wettelijke voorschriften terzake de ontbinding van een vennootschap. Tegen dit oordeel van de rechtbank is geen grief gericht, zodat dit ook in hoger beroep als uitgangspunt heeft te gelden.

3.6.

Grief 1 komt erop neer dat de rechtbank ten onrechte de daarop volgende vraag, te weten of [appellant] persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van het gegeven dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet is nagekomen, bevestigend heeft beantwoord op grond van de volgende overweging:

" Van het achterwege laten van de vereffening met als gevolg dat TPP ophield te bestaan, is aan [appellant] (indirect) slechts dan een persoonlijk ernstig verwijt te maken indien hij wist of redelijkerwijze had behoren te weten dat TPP, anders dan hij aan de Kamer van Koophandel had opgegeven, wel baten had. In dat geval bewerkstelligt een bestuurder immers door de opgave dat TPP zonder vereffening zou ophouden te bestaan en [geïntimeerde] vervolgens zijn vordering niet op TPP kan verhalen, al of niet na een faillissementsaanvraag.

Nu vaststaat dat [appellant] wist danwel had horen te weten dat TPP nog baten had in de vorm van een verkoopopbrengst van eetcafé ‘Allerlei’, overschreed hij daarmee de in acht te nemen zorgvuldigheid c.q. veronachtzaamde hij daarmee ten onrechte de belangen van [geïntimeerde] , als schuldeiser van TPP. Dat merkt de rechtbank aan als een ernstig verwijt. "

De rechtbank heeft daar volgens [appellant] ten onrechte de gevolgtrekking aan verbonden dat [appellant] in beginsel gehouden is de schade te vergoeden die [appellant] heeft geleden door het ten onrechte achterwege laten van vereffening.

3.6.1.

In de toelichting op de grief stelt [appellant] dat de rechtbank heeft overwogen dat van overschrijding van de in acht te nemen zorgvuldigheid danwel veronachtzaming van de belangen van [geïntimeerde] alleen dan sprake zou kunnen zijn als [appellant] wist dat de beeindiging van de rechtspersoon plaatsvindt, indien de rechtspersoon geen baten meer heeft. Aangezien [appellant] dat niet wist, kan hem persoonlijk geen voldoende ernstig verwijt worden gemaakt van het gegeven dat TPP haar wettelijke op contractuele verplichting niet is nagekomen. De gevolgtrekking dat hij in beginsel gehouden is de schade te vergoeden die [appellant] heeft geleden door het ten onrechte achterwege laten van de vereffening kan derhalve geen stand houden, aldus [appellant] .

3.6.2.

Het hof stelt bij de beantwoording van voormelde vraag het volgende voorop.

Of daadwerkelijk sprake is van een ernstig verwijt zal, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, telkens afhangen van de aard en de ernst van de verweten gedraging en de overige omstandigheden van het geval. Uit de jurisprudentie volgt dat de hoge drempel voor het aannemen van bestuursaansprakelijkheid gerechtvaardigd is omdat (i) toch in eerste instantie met de vennootschap is gehandeld en niet met de bestuurder en (ii) in het algemeen moet worden voorkomen (maatschappelijk belang) dat bestuurders zich bij hun handelen laten leiden door onnodig defensieve overwegingen.

3.6.3.

Vast staat dat [appellant] enig bestuurder van TPP was.

De persoon die het bestuurderschap van een rechtspersoon op zich neemt – in dit geval [appellant] - wordt geacht ten minste de kennis (het inzicht) en de kunde (de zorgvuldigheid) te bezitten die van iemand in zijn positie binnen deze rechtspersoon in redelijkheid kan worden verwacht en die kennis en kunde ook daadwerkelijk aan te wenden ter vervulling van zijn bestuurstaak (in plaats van deze taak onvervuld te laten).

3.6.4.

De stelling van [appellant] dat hij, in het geval dat er nog baten in de vennootschap aanwezig waren, niet wist dat hij niet tot ontbinding van TPP kon overgaan maar in plaats daarvan de weg had moeten volgen van de vereffening van de vennootschap, kan hem niet baten. Immers, gelet op zijn positie als enig bestuurder binnen de vennootschap, wordt [appellant] geacht tenminste over deze kennis te beschikken en in het geval hij deze kennis niet heeft, kan in redelijkheid van hem worden verwacht dat hij zich daarover deugdelijk laat informeren, zodat hij als enig bestuurder van TPP weet welke wettelijke regels gelden en wat hij feitelijk moet doen in het geval hij wenst over te gaan tot beeindiging van TPP.

Van het achterwege laten van de vereffening met als gevolg dat TPP ophield te bestaan is dan ook aan [appellant] (indirect) een persoonlijk ernstig verwijt te maken, indien hij wist of redelijkerwijs had behoren te weten dat TPP wel baten had. In dat geval bewerkstelligt een bestuurder dat TPP zonder vereffening zou ophouden te bestaan en [geïntimeerde] zijn vordering niet op TPP (die bij - inmiddels onherroepelijk geworden - vonnis van 19 december 2012 is vastgesteld op een totaalbedrag van € 34.165,66) kan verhalen, al dan niet via een faillissementsaanvraag.

3.6.5.

[appellant] heeft in hoger beroep bij akte de koopovereenkomst van Eetcafé Allerlei in het geding gebracht. Uit deze koopovereenkomst blijkt dat TPP de gehele inventaris, goodwill en handelsnaam van het Eetcafé Allerlei heeft verkocht voor een bedrag van

€ 37.500,-. Deze koopovereenkomst is door [appellant] op 16 maart 2012 namens TPP ondertekend. Dit betekent dat [appellant] kort voor de ontbinding van de vennootschap (d.d. 30 april 2012) wist, althans gelet op zijn positie als enig bestuurder binnen TPP, redelijkerwijs behoorde te weten dat TPP nog baten had in de vorm van de verkoopopbrengst van Eetcafé Allerlei.

3.6.6.

Ter zitting in eerste aanleg heeft de advocaat van [appellant] verklaard dat de verkoopopbrengst van Eetcafé Allerlei is aangewend voor de betaling van een privéschuld van [appellant] aan de DSB bank nu de bank voor haar vordering op [appellant] privé uit hoofde van de hypothecaire geldlening derdenbeslag had gelegd onder TPP, TPP niet (tijdig) de verklaring als derdenbeslagene had afgelegd en de vennootschap daardoor zelf aansprakelijk is geworden voor de schuld waarvoor de bank derdenbeslag heeft gelegd. [appellant] was als enig bestuurder verantwoordelijk voor het tijdig verstrekken van de verklaring als derdenbeslagene. Doordat [appellant] de verklaring niet tijdig heeft verstrekt is TPP aansprakelijk geworden voor zijn privéschuld en heeft [appellant] aldus de baten - ten behoeve van de inlossing van een privéschuld - onttrokken aan de vennootschap, terwijl hij in hoger beroep zelf heeft gesteld dat TPP - naast de schuld aan [geïntimeerde] - meerdere schuldeisers had en veel schulden.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat [appellant] als bestuurder van TPP onzorgvuldig heeft gehandeld en ten onrechte de belangen van [geïntimeerde] als schuldeiser van TPP (en de andere schuldeisers van TPP) heeft veronachtzaamd. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat vast staat dat [geïntimeerde] zijn vordering op TPP, reeds bij dagvaarding van 31 oktober 2011 - en dus ruimschoots voor de ontbinding van de vennootschap d.d.

30 april 2012 - had ingesteld en dat [appellant] dit als enig bestuurder van TPP wist, althans behoorde te weten.

Dit betekent dat [appellant] persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van het gegeven dat TPP haar verplichtingen niet is nagekomen. Dit brengt mee dat [appellant] op grond daarvan in beginsel is gehouden de schade te vergoeden die [geïntimeerde] door het ten onrechte achterwege laten van de vereffening heeft geleden.

Grief 1 faalt.

3.7.

Grief 2 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat er een causaal verband bestaat tussen het achterwege laten van de vereffening en de schade van [geïntimeerde] . Volgens [appellant] heeft de rechtbank in dit verband ten onrechte het volgende overwogen:

" [appellant] heeft verder gesteld doch niet nader onderbouwd (al dan niet door het overleggen van stukken waaruit iets van financiële boekhouding van de vennootschap zou kunnen blijken) dat er sprake was van meerdere schuldeisers van de vennootschap. De enige schuldeiser waarover [appellant] heeft verklaard, is dus de DSB bank die derdenbeslag heeft gelegd onder de vennootschap voor een privé schuld van [appellant] . Van overige schuldeisers van de vennootschap is geheel niet gebleken. De rechtbank is van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of de vordering van [geïntimeerde] (volledig) zou zijn voldaan als er een vereffening zou hebben plaatsgevonden, de schuld aan de DSB bank buiten beschouwing dient te blijven aangezien [appellant] als bestuurder er zelf voor had kunnen en dienen te zorgen dat door het afleggen van de juiste verklaring het derdenbeslag op de vennootschap zou worden verhaald. Gesteld noch gebleken is immers dat de privé schuld van [appellant] in dat geval verhaalbaar zou zijn geweest op het vermogen van TPP.

Daar staat tegenover dat vast staat dat de baten van TPP circa € 35.000,00 bedroegen. En dat uit dat bedrag de vordering van [geïntimeerde] , zoals die door de rechtbank Arnhem is toegekend, (volledig) voldaan had kunnen worden."

3.7.1.

In de toelichting op deze grief stelt [appellant] dat er een schuldenlast was die de omvang van het actief van TPP aanzienlijk overtrof. Hij verwijst daarbij naar de volgende schuldeisers:

- [schuldeiser 1] € 15.558,58

- [schuldeiser 2] (div. leningen) € 36.357,95

- [schuldeiser 3] (lening) SGD 5.470,--

- [schuldeiser 4] (lening) € 9.000,--

- [schuldeiser 5] (lening) € 12.000,--

- [schuldeiser 6] (huurachterstand) € 6.418,--

- [schuldeiser 7] € 6.842,50

- [schuldeiser 8] € 7.500,--

Dit betekent dat het bestuur van TPP na het besluit tot ontbinding van de vennootschap een faillissementsverzoek had moeten indienen. Hoe het faillissement zou zijn afgewikkeld kan in het kader van dit geding niet worden vastgesteld, maar wel is duidelijk dat het causale verband tussen de door [geïntimeerde] gestelde schade en het achterwege laten van vereffening niet is komen vast te staan, aldus [appellant] .

3.7.2.

Het hof overweegt als volgt.

De stelling dat er een schuldenlast was bij TPP die de omvang van het actief op de peildatum van 30 april 2012 aanzienlijk overtrof, is door [geïntimeerde] gemotiveerd bestreden. Gelet op deze gemotiveerde betwisting, had het op de weg van [appellant] gelegen om zijn stelling op dit punt nader feitelijk te onderbouwen in die zin dat hij een overzicht diende te geven van de totale baten en lasten van TPP per 30 april 2012 (de peildatum). Dit heeft [appellant] echter niet gedaan.

Uit het door [appellant] gestelde overzicht van de schuldenlast van TPP blijkt niet wat de feitelijke financiële situatie van TPP is op de peildatum 30 april 2012. Evenmin heeft [appellant] de financiële boekhouding van TPP in het geding gebracht, danwel een ander stuk in het geding gebracht waaruit de feitelijke financiële stand van zaken van de vennootschap per 30 april 2012 kan worden afgeleid. Dit betekent dat [geïntimeerde] terecht aanvoert dat niet is komen vast te staan wat de omvang van de totale baten en lasten van TPP was per 30 april 2012. Dit brengt mee dat de stelling van [appellant] dat er bij TPP een schuldenlast was die de omvang van het actief per 30 april 2012 aanzienlijk overtrof en dat TPP per 30 april 2012 in een toestand verkeerde dat zij was opgehouden te betalen niet is komen vast te staan.

[appellant] wist, althans behoorde als enig bestuurder van TPP te weten, dat [geïntimeerde] een procedure tegen TPP was gestart terzake de incassering van een vordering ten bedrage van bijna € 34.000,-- . [appellant] heeft hangende deze procedure TPP ontbonden en de vereffening van TPP achterwege gelaten. [appellant] heeft daarmee de mogelijkheid van een controleerbare afwikkeling van TPP gefrustreerd en heeft in feite, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 3.6. e.v. is overwogen, eenzijdig bepaald dat [geïntimeerde] zijn vordering op TPP niet kan verhalen. Daarmee is het causale verband tussen het achterwege laten van de vereffening van TPP en de schade van [geïntimeerde] gegeven.

Grief 2 faalt dus ook.

3.8.

Grief 3 komt erop neer dat de vordering van [geïntimeerde] ten onrechte is toegewezen.

[appellant] stelt in dit verband dat de omvang van de schade niet zonder meer gelijk is aan het bedrag van de vordering die [geïntimeerde] niet op TPP heeft kunnen incasseren. Gezien de omstandigheid dat de schulden aanzienlijk hoger waren dan de baten zou een faillissement van TPP onvermijdelijk zijn geweest en zouden naast de hiervoor reeds genoemde schulden ook het honorarium van de curator ten laste zijn gekomen van de boedel. Aangezien over dat laatste in ieder geval geen trefzekere voorspelling kan worden gedaan, betekent dat de schade ook niet kan worden vastgesteld.

3.8.1.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Vast staat dat [geïntimeerde] zijn volledige vordering op TPP niet heeft kunnen incasseren.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [appellant] heeft nagelaten om inzicht te geven in de financiële situatie van TPP per 30 april 2012, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen.

Vanwege het gebrek aan inzicht in de financiële situatie van TPP per 30 april 2012 heeft [appellant] het hof onvoldoende informatie verstrekt om te kunnen vaststellen dat de omvang van de door de rechtbank vastgestelde schade, die neerkomt op een integrale toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] , onjuist zou zijn. Evenmin heeft [appellant] voldoende informatie verstrekt om de schade van [geïntimeerde] op een andere wijze te begroten dan de rechtbank heeft gedaan.

De grief faalt dus.

3.9.

Voor het overige heeft [appellant] geen feiten of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat zijn bewijsaanbod als niet terzake dienend wordt gepasseerd.

3.10.

Het voorgaande leidt er toe dat het hof tot dezelfde conclusie komt als de rechtbank, namelijk dat de vordering van [geïntimeerde] kan worden toegewezen.

3.11.

De slotsom is dat het beroepen vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het eindvonnis waarvan beroep van de rechtbank Oost-Brabant van 23 september 2015, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 311,-- aan griffierecht en op € 1.737,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, E.A.M. van Oorschot en D.W. Giltay Veth en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 januari 2018.

griffier rolraad