Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:604

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
200.219.182_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:1456
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:1220
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Auteursrechtinbreuk op Nederlandse vertaling van Duitstalig/Oostenrijkstalig lied?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.219.182/01

arrest van 13 februari 2018

gewezen in het incident ex artikel 234 Rv. in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. J.J.M. Goltstein te Kerkrade,

tegen

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [music productions] Music Productions B.V.,
    gevestigd te [vestigingsplaats] ,

  2. [geintimeerde 2] ,
    wonende te [woonplaats] ,

  3. [geintimeerde 3] ,
    wonende te [woonplaats] ,

  4. [geintimeerde 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat: mr. M. Bunders te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 mei 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 1 maart 2017, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gewezen tussen appellant – hierna aan te duiden als [appellant] – als eiser en geïntimeerden – hierna tezamen aan te duiden als [geintimeerde c.s.] (vrouwelijk enkelvoud) en elk afzonderlijk als respectievelijk [music productions] , [geintimeerde 2] , [geintimeerde 3] en [geintimeerde 4] – als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer / rolnummer C/01/294315 / HA ZA 15-401)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens houdende incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad ingevolge artikel 234 Rv. met producties;

  • -

    de antwoordmemorie in het incident van [appellant] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

Bij het bestreden vonnis zijn de vorderingen van [appellant] afgewezen en is [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij op de voet van artikel 1919h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) veroordeeld in de reële proceskosten, aan de zijde van [geintimeerde c.s.] tot aan het vonnis begroot op € 7.915,64.

3.2.

[geintimeerde c.s.] vordert het bestreden vonnis alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren ten aanzien van de proceskostenveroordeling van [appellant] .

3.3.

[appellant] heeft deze vordering bestreden.

3.4.

Het hof stelt voorop dat de incidentele vordering van [geintimeerde c.s.] betrekking heeft op de veroordeling tot betaling van een geldsom. Een zodanige veroordeling leent zich er in beginsel voor om uitvoerbaar bij voorraad te worden verklaard.

Bij de beoordeling van een dergelijke incidentele vordering moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van [geintimeerde c.s.] bij de gevorderde uitvoerbaarverklaring zwaarder weegt dan dat van [appellant] bij behoud van de bestaande toestand totdat op het hoger beroep is beslist. De kans van slagen van het rechtsmiddel dient daarbij in de regel buiten beschouwing te blijven, zo heeft de Hoge Raad (ook) ten aanzien van de incidentele vordering ex artikel 234 Rv. nadrukkelijk overwogen in r.ov. 3.2.3 van zijn arrest van 30 mei 2008 (NJ 2008/311 (Newbay/Staat) en HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688).

3.5.

Naar het oordeel van het hof heeft [geintimeerde c.s.] op zichzelf voldoende belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de proceskostenveroordeling. [geintimeerde c.s.] heeft er belang bij dat zij niet het hoger beroep hoeft af te wachten alvorens over het (aanzienlijke) bedrag van de proceskostenveroordeling te kunnen beschikken. Daaraan doet naar het oordeel van het hof niet af dat [geintimeerde c.s.] zowel in eerste aanleg als – zoals [appellant] heeft aangevoerd – in dit incident heeft nagelaten uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het te wijzen vonnis c.q. arrest te vorderen. Aan het belang van [geintimeerde c.s.] doet evenmin af het verweer van [appellant] dat [geintimeerde c.s.] stelt (zoals [appellant] geparafraseerd aangeeft) een stevige financiële positie te hebben.

[appellant] heeft de stelling van [geintimeerde c.s.] dat [music productions] een succesvolle en financieel gezonde exploitant van muziekopnamen is die reeds 20 jaar bestaat en dat ook [geintimeerde 2] , [geintimeerde 3] en [geintimeerde 4] voldoende inkomsten en bezittingen hebben en uit dien hoofde verhaal bieden, niet bestreden zodat ervan uitgegaan moet worden dat [appellant] geen bijzonder restitutierisico loopt in het geval hij in de hoofdzaak in hoger beroep alsnog in het gelijk wordt gesteld en de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling alsnog wordt vernietigd.

[appellant] heeft weliswaar tegen toewijzing van de incidentele vordering van [geintimeerde c.s.] aangevoerd dat hij voor de betaling van de proceskosten een financiering zal moeten regelen, met de kans dat [geintimeerde c.s.] de proceskosten later weer aan hem zal moeten terugbetalen, maar deze omstandigheid acht het hof onvoldoende om te oordelen dat een belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen.

3.6.

Hetgeen [appellant] aanvoert in de laatste alinea op pagina 2 van zijn antwoordmemorie in het incident, behoort in de hoofdzaak, niet in dit incident te worden aangevoerd. Voorts kan in dit incident niet worden vooruitgelopen op de beslissing in hoger beroep, zodat de stand van het geding in hoger beroep – anders dan [appellant] betoogt – niet maakt dat een belangenafweging in zijn voordeel uit zou moeten vallen.

3.7.

[appellant] heeft ook overigens geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat een belangenafweging in zijn voordeel uit zou moeten vallen.

3.8.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat voornoemde belangenafweging in het voordeel van [geintimeerde c.s.] dient te worden beslist. De incidentele vordering van [geintimeerde c.s.] kan dus worden toegewezen.

3.9.

De beslissing ten aanzien van de proceskosten van het incident zal worden aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak

3.10.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor dagbepaling arrest in de hoofdzaak. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

verklaart het bestreden vonnis van 1 maart 2017 alsnog uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de proceskostenveroordeling van [appellant] ;

houdt de beslissing over de proceskosten van het incident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 31 juli 2018 voor dagbepaling arrest in de hoofdzaak;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 februari 2018.

griffier rolraadsheer