Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:578

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
200.173.191_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

CMR vervoer, schade tijdens vervoer ?, korte verjaringstermijn art. 32 lid 1 CMR, geen blijk van opzet of schuld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2018/56
NTHR 2018, afl. 2, p. 113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.173.191/01

arrest van 13 februari 2018

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. P.A.M. Seck te Rotterdam,

tegen

[de vennootschap 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , België,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.F. Kemme te Ittervoort,

op het bij exploot van dagvaarding van 16 april 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 januari 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3060396 CV EXPL 14-5679)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    het schriftelijk pleidooi, waartoe partijen pleitnotities hebben overgelegd;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) [appellante] houdt zich beroepsmatig bezig met het koelvervoer van vlees en groenten.

b) [geïntimeerde] heeft een slagerij groothandel.

c) [appellante] heeft in opdracht van [geïntimeerde] in de periode 8 april 2013 tot en met 10 juni 2013 een negental gekoelde transporten van hangende runderkarkassen van slachthuis [slachthuis] in [plaats 1] (hierna: het slachthuis) naar afnemers van [geïntimeerde] te [plaats 2] Frankrijk verzorgd.

d) [geïntimeerde] brengt zijn runderen vanuit België naar het slachthuis om ze daar te laten slachten. Na de slacht worden de runderen daar gekoeld. De runderkarkassen worden voor [geïntimeerde] door medewerkers van het slachthuis in de trailer van [appellante] geladen. Bij aankomst in [plaats 2] worden de karkassen voor [geïntimeerde] vanaf 21.00 uur gelost door personeel van het handelscentrum [plaats 2] en vanaf 23.00 uur in ontvangst genomen door de afnemers van [geïntimeerde] .

e) Op de vervoersovereenkomsten is de CMR van toepassing. De voor het transport afgesproken temperatuur/koeling bedraagt 3°C.

f) Een e-mail van [medewerker bij geïntimeerde] aan [medewerker bij appellante] d.d. 19 april 2013 luidt onder meer:

“Zoals u weet [medewerker bij appellante] was er op zondag 07/04/2013 ernstige schade aan het rundsvlees dat door uw firma werd aangevoerd. Ik heb u hierover maandagmorgen 08/04/2013 direct van ingelicht nadat ik s’nachts door enkele klanten was opgebeld met mededeling dat het vlees in slechte toestand was. Condentie op het vlees en daardoor verkleuring. Wij hebben toen afgesproken van elkaar donderdag 11/04/2013 te ontmoeten (…) We hebben toen afgesproken van elkaar deze week te spreken over de te vergoedde schade (…) er zijn bij mij ongeveer een 4500 € minwaarde van het desbetreffende rundsvlees toegekomen. Doch gezien u vorige week nogal hard klaagde dat u niets verdient is het voor mij al goed als enkel het transport van die week dient om de schade te helpen vergoeden. (…)”

g) Op 18 juni 2013 heeft [geïntimeerde] een schadeclaim ingediend bij [appellante] ten bedrage van € 7233,30 vanwege kortingen verleend aan vier afnemers vanwege klachten over de staat van versheid van op 10 juni 2013 door [appellante] vervoerde runderkarkassen.

Op alle CMR-vrachtbrieven van deze vracht (prod. 8 bij memorie van grieven) staat bij de opsomming van de runderen de aantekening “Temp 3°C”. De door afnemer [afnemer 1] op 10 juni 2013 voor ontvangst getekende CMR-vrachtbrief bevat boven het stempel voor de ontvangst de aantekening “Manque 1 ongPet”.
h) Een “Attestation” d.d. 13 juni 2013 afgegeven door afnemer [afnemer 1] (prod. 2 az [geïntimeerde] ) luidt onder meer:

“(…) Cette marchandise est arrivé’dans un très mauvais état de fraicheur (…)”

Een bericht van afnemer [afnemer 2] aan [geïntimeerde] d.d. 18 juni 2013 (prod. 2 bij conclusie van antwoord) luidt onder meer:

“(…) Les transport [transport] ont certainement rencontrés un problème de rupture de froid. Nous avons subit un préjudice commercial (…)”.

Een “Attestation” d.d. 1 juli 2013 afgegeven door afnemer [afnemer 3] (prod. 2 bij conclusie van antwoord) luidt onder meer:

“(…) de la viande de boeuf rassie de notre fournisseur [geïntimeerde] , le Lundi 10 Juin 2013 en mauvais état de fraîcheur. (…)”.

Een faxbericht d.d. 14 jun 2013 van afnemer [afnemer 4] (prod. 2 bij conclusie van antwoord) luidt onder meer:

“(…) Nous vous signalons par la présente, que vos produits réceptionnés le lundi 10 juin étaient dans un état lamentable. En effect ils étaient défraichis.(…)”.

i. i) Op 26 augustus 2014 heeft [geïntimeerde] een schadeclaim ingediend bij [appellante] ten bedrage van € 4.358,20 vanwege kortingen verleend aan afnemers van het vleestransport dat op 7 april 2013 door [appellante] is verzorgd. De afgetekende CMR-vrachtbrieven (prod. 17 bij memorie van grieven) van genoemd transport bevatten eveneens de aantekening “Temp 3°C”. Eén vrachtbrief bevat (voor zover leesbaar) de aantekening “Res. 1 art sale tomber dans le camion prenons toutes reserves”. Een andere vrachtbrief bevat de aantekening “Reçu 2 art sales plus 1 art dechiré “tombé dans le camion, manque 3 queues 3 onglets”

j) [geïntimeerde] heeft de facturen voor de negen vleestransporten, met betalingstermijn 30 dagen na factuurdatum, tot een bedrag van € 11.985,02 onbetaald gelaten ondanks herhaalde aanmaning van [appellante] .

3.2.

In de eerste aanleg heeft [appellante] (in conventie) gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van de transportkosten ten bedrage van € 11.958,02 te vermeerderen met rente en € 952,= buitengerechtelijke kosten, als ook in de kosten van de procedure.
heeft (een verrekenings)verweer gevoerd en (in reconventie) gevorderd betaling van de schade die hij heeft geleden doordat het door [appellante] vervoerde vlees van twee transporten tijdens het vervoer door onvoldoende koelen minder van kwaliteit is geworden, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten.

3.3

Nadat een comparitie van partijen heeft plaatsgevonden, heeft de kantonrechter bij het bestreden vonnis de vordering van [appellante] als onbestreden toegewezen met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten en de rente. De schadevorderingen van [geïntimeerde] heeft de kantonrechter (als voldoende onderbouwd met de overgelegde facturen) ook toegewezen, eveneens met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten en de rente. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.

3.4.

[appellante] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover daarin (neven)vorderingen van [appellante] zijn afgewezen en vorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen, en tot het alsnog toewijzen van al zijn vorderingen en het afwijzen van alle vorderingen van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

3.5.

Het geschil heeft internationale aspecten nu [geïntimeerde] ten tijde van de inleidende dagvaarding was gevestigd in België. Daarom moet allereerst worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dat is het geval. Onderhavige zaak betreft grensoverschrijdend vervoer als bedoeld in art. 1 van de CMR. Ingevolge het bepaalde in art. 31 lid 1 onder a CMR heeft de Nederlandse rechter dan rechtsmacht.

3.6.

Het hof constateert verder dat de beslissingen van de kantonrechter tot het toewijzen van de hoofdvorderingen van [appellante] en het afwijzen van de nevenvorderingen van [geïntimeerde] niet met grieven of anderszins zijn bestreden. Die beslissingen van de kantonrechter maken dan ook geen deel uit van dit hoger beroep.

3.7.

Het hof ziet aanleiding eerst grief 4 te behandelen. Met die grief klaagt [appellante] – kort samengevat – over de toewijzing van de hoofdvorderingen van [geïntimeerde] .

3.8.

[appellante] bestrijdt dat het kwaliteitsverlies tijdens het vervoer is opgetreden en dat er sprake is geweest van “goed in, slecht uit”. [appellante] voert aan dat op [geïntimeerde] de last rust voldoende te stellen en indien nodig te bewijzen dat er sprake is geweest van “goed in, slecht uit”. Volgens [appellante] kan het kwaliteitsverlies veroorzaakt zijn door het (door het slachthuis) inladen van onvoldoende (door)gekoelde karkassen van runderen die op vrijdag zijn geslacht en op zaterdag al zijn ingeladen, terwijl zij 36 tot 48 uur gekoeld moeten worden om op de juiste kerntemperatuur te komen. Ook kan de schade zijn ontstaan door onvoldoende koeling na lossing. [appellante] wijst op art. 30 lid 1 CMR en de afgetekende vrachtbrieven waaruit niet blijkt van zichtbare schade aan het vlees. Wat er na lossing met het vlees gebeurd is, is [appellante] niet bekend. Onder verwijzing naar temperatuurregistraties bestrijdt [appellante] dat de koeltemperatuur in de wagens tijdens het door hem uitgevoerde transport op enig moment onvoldoende is geweest. Voor zover [appellante] eventueel schadeplichtig zou kunnen zijn, betwist hij de omvang van de schade met de stelling dat er geen bewijs is dat de door [geïntimeerde] verleende kortingen in verhouding staan tot de daadwerkelijke schade. Ook is hem geen gelegenheid geboden de gestelde schade alsook de omvang daarvan te onderzoeken. De kortingen zijn verleend zonder dat [appellante] daarbij betrokken is geweest.

3.9.

In dit hoger beroep doet [appellante] daarbij een beroep op de eenjarige verjaringstermijn van art. 32 CMR. [geïntimeerde] heeft zijn vordering uit hoofde van het transport van juni 2013 pas op 25 juni 2014 bij conclusie van antwoord in conventie, conclusie van eis in reconventie aanhangig gemaakt. Dat is meer dan een jaar na datum schade en ook meer dan een jaar nadat [geïntimeerde] die vordering schriftelijk bekend maakte aan [appellante] en [appellante] die vordering (conform het bepaalde in art. 32 lid 2 CMR) afwees bij brief van 19 juni 2013, waarna geen geldige stuitingshandeling meer plaatsvond. De vordering uit hoofde van het transport van 8 april 2013 heeft [geïntimeerde] pas bij akte van 26 augustus 2014 schriftelijk (als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR) ingediend. Dat is meer dan een jaar na datum schade en derhalve nadat de korte verjaringstermijn van art. 32 lid 1 CMR was voltooid, aldus [appellante] .

3.10.

Het hof constateert dat [geïntimeerde] niet heeft bestreden dat zijn vorderingen verjaard zijn als wordt gerekend met de korte verjaringstermijn van art. 32 CMR, zodat het hof daar van uitgaat.

Voor zover [geïntimeerde] zou menen dat bij wijze van verweer devolutief rekening moet worden gehouden met zijn stelling bij conclusie (van antwoord conventie tevens eis in reconventie, pag 3 bovenaan) in eerste aanleg (toen het verjaringsverweer nog niet gevoerd was) dat er inzake de schade uit hoofde van het transport van juni 2013 nimmer een terugzending van stukken heeft plaatsgevonden als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR, passeert het hof die stelling. Dat de CMR vrachtbrieven bij de afwijzing van de vordering door [appellante] zijn teruggestuurd, is door [geïntimeerde] niet bestreden. Welke stukken er (verder) zouden hebben ontbroken heeft [geïntimeerde] niet gesteld en ontgaat het hof zonder nadere toelichting, die ontbreekt.

3.11.

Met een beroep op het bepaalde in art. 8:1108 BW en een uitspraak van de Hoge Raad van 5 januari 2001 (S&S 2001, 61 en 62/NJ 2001, 391 en 392), voert [geïntimeerde] aan dat hier een verjaringstermijn van 3 jaar geldt, omdat sprake is van schuld, welke volgens de wet van het gerecht, waarvoor de vordering aanhangig is, met opzet gelijk gesteld wordt.

Ter onderbouwing van deze stelling voert [geïntimeerde] aan dat hem meermaals is geconstateerd dat de chauffeurs van [appellante] met open deuren over het terrein in [plaats 2] reden, aldus [geïntimeerde] , zo blijkt uit een filmpje van 2010 op You Tube en uit beelden die [geïntimeerde] op 9 november 2015 zelf in [plaats 2] heeft gemaakt. Op grond daarvan stelt [geïntimeerde] dat [appellante] zich tijdens het vervoer van de betreffende ladingen gedragen heeft op een manier die als roekeloos kan worden aangemerkt.

3.12.

Het hof verwerpt dat betoog van [geïntimeerde] .

Volgens bestendige jurisprudentie is van gedrag dat moet worden aangemerkt als roekeloos en met de wetenschap dat de schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien (als bedoeld in 8:1108 BW) sprake, wanneer de vervoerder het aan de gedraging verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren, maar zich door dit een en ander niet van dit gedrag laat weerhouden (HR 5 januari 2001, S&S 2001, 61 en 62/NJ 2001/391 en 392 en HR 29 mei 2009, S&S 2009, 97/NJ 2009/245). Dit gedrag kan ook bestaan uit het scheppen of laten voortduren van een toestand (HR 10 augustus 2012, S&S 2012, 120/NJ 2012, 652/ECLI:NL:HR:2012:BW6747).

Daar gelaten de vraag of uit wat [geïntimeerde] heeft aangevoerd (in het licht van het door [appellante] daartegen gemotiveerd gevoerde verweer) volgt dat er bij onderhavige transporten sprake is geweest van “goed in, slecht uit”, rechtvaardigt wat [geïntimeerde] heeft aangevoerd over het door chauffeurs van [appellante] met open deuren rijden over het terrein van [plaats 2] (wat ook door [appellante] wordt bestreden) niet de conclusie dat er bij onderhavige transporten in 2013 met open deuren is gereden. Concrete feiten of omstandigheden waaruit dat zou kunnen worden geconcludeerd, zijn door [geïntimeerde] niet aangevoerd, noch aan het hof gebleken. Ook is gesteld noch gebleken dat hier sprake is van het scheppen of laten voortduren van een toestand als bedoeld in voornoemde jurisprudentie. Evenmin volgt uit wat [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat het rijden met open deuren op het terrein in [plaats 2] (zo al aan de orde, wat door [appellante] wordt bestreden) het gevaar van kwaliteitsverlies zoals dit zich hier volgens de stellingen van [geïntimeerde] heeft voorgedaan met zich meebrengt, of dat [appellante] zich van dat gevaar bewust was, laat staan dat de kans dat dit gevaar zich zou verwezenlijken aanzienlijk groter was dan de kans dat dit niet zou gebeuren.

3.13.

Nu door [geïntimeerde] in verband met zijn beroep op de verjaringstermijn van 3 jaar geen voldoende onderbouwde feiten of omstandigheden zijn gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, wordt het bewijsaanbod op dit punt als niet relevant gepasseerd. Het beroep op opzet of schuld welke gelijk gesteld wordt met opzet faalt.

3.14.

De conclusie die volgt uit het voorgaande is dat het beroep van [appellante] op verjaring slaagt. Grief 4 slaagt zonder dat wat [appellante] verder onder die grief aangevoerd heeft nog bespreking behoeft en enig bewijsaanbod van [geïntimeerde] nog relevant kan zijn. Ook bespreking van grief 5 waarmee [appellante] klaagt over het door de kantonrechter passeren van zijn bewijsaanbod, kan achterwege blijven. De vorderingen van [geïntimeerde] zullen worden afgewezen.

3.15.

Met grief 1 klaagt [appellante] over het afwijzen door de kantonrechter van zijn vordering tot vergoeding van de wettelijke (handels)rente over het door hem gevorderde en toegewezen bedrag bij wijze van compensatie met het door [geïntimeerde] gevorderde op dat punt.
Nu uit het voorgaande voortvloeit dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog moeten worden afgewezen, slaagt grief 1 in zoverre in elk geval.

Daarnaast voert [appellante] terecht (en onbestreden) aan dat zijn rentevordering beheerst wordt door Nederlands recht nu de CMR de rentevordering wegens vertraging in de voldoening van de vracht niet regelt. Op de voet van het bepaalde in art. 6:119a BW maakt [appellante] aanspraak op de wettelijke handelsrente over de toegewezen som vanaf 30 juli 2013 (datum verzuim laatste vrachtnota) tot de dag der algehele voldoening. Dat in de praktijk de facturen van [appellante] door [geïntimeerde] werden voldaan op 2 à 3 maanden (wat [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft aangevoerd en door [appellante] is bestreden) kan er niet aan afdoen dat door [geïntimeerde] niet bestreden is dat er sprake was van verzuim per genoemde datum. Nu [geïntimeerde] op dit punt in hoger beroep bovendien geen ander verweer heeft gevoerd dan dat hij de beslissing van de kantonrechter juist acht, slaagt grief 1. De gevorderde handelsrente per datum verzuim zal alsnog worden toegewezen.

3.16.

Grief 2 ziet op de afwijzing van de door [appellante] gevorderde buitengerechtelijke kosten (ad € 952,=) bij wijze van compensatie met de in reconventie door [geïntimeerde] gevorderde buitengerechtelijke kosten van gelijke hoogte. Onder verwijzing naar het voorgaande en nu [geïntimeerde] tegen de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke kosten geen verweer heeft gevoerd, slaagt ook grief 2. De buitengerechtelijke kosten door [appellante] gemaakt zullen alsnog worden toegewezen.

3.17.

De slotsom van al het voorgaande is dat alle grieven (ook grief 3 waarmee de proceskostenveroordeling wordt bestreden) slagen. Om praktische redenen zal het hof het hele vonnis waarvan beroep (in conventie en in reconventie) vernietigen. Opnieuw rechtdoende zullen de vorderingen van [appellante] worden toegewezen en de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij zowel in conventie als in reconventie in de kosten van de eerste aanleg, als ook in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld, op verzoek van [appellante] te vermeerderen met rente en nakosten. Op verzoek van [appellante] zal dit arrest voorts uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis in conventie en in reconventie,

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellante] van de hoofdsom ten bedrage van € 11.985,02, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 30 juli 2013 tot aan de dag van volledige betaling;

en veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellante] van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 952,=, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf datum dagvaarding eerste aanleg tot aan de dag van volledige betaling;

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] op € 81,29 aan dagvaardingskosten, op € 923,= aan griffierecht en op € 1.130,= aan salaris advocaat in conventie en op nihil aan salaris advocaat in reconventie in eerste aanleg en op € 212,84 aan dagvaardingskosten, op € 1.937,= aan griffierecht en op € 1.788,= aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag van betaling;

en voor wat betreft de nakosten op € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,= vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.J. van Craaikamp, L.S. Frakes en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 februari 2018.

griffier rolraadsheer