Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:566

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
17/00001
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heffingsambtenaar maakt niet aannemelijk dat op het moment van de controle in de auto geen geldig parkeerkaartje aanwezig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/545
Belastingblad 2018/150
V-N 2018/23.24.8
FutD 2018-0693
Viditax (FutD), 12-03-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00001

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer [belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 23 december 2016, nummer ROE 16/501 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar van de gemeente Roermond,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te melden naheffingsaanslag parkeerbelasting.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd ten bedrage € 2,60 parkeerbelasting en € 59 kosten.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 8 januari 2018 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde de heer [A] . De Heffingsambtenaar is met telefonisch bericht daarvan niet verschenen.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Op 28 november 2015 om 13.59 uur stond de auto van belanghebbende, een zwarte Hyundai met het kenteken [kenteken] (hierna: de auto) geparkeerd op een parkeerplaats aan de Slachthuisstraat te Roermond. Deze locatie is aangewezen als locatie waar tegen betaling geparkeerd mag worden.

2.2.

Een parkeercontroleur heeft op dat moment geconstateerd dat geen parkeerkaartje zichtbaar aanwezig was in de auto en heeft op grond hiervan een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

2.3.

In een op 22 maart 2016 gedagtekende verklaring heeft [B] , parkeercontroleur, verklaard:

“Ik, verbalisant zag dat er geen geldige parkeerkaart achter de voorruit van het voertuig lag. (Zie foto’s) Ik zag, dat in betrokken voertuig geen kaartje van de betaalapparatuur aanwezig was, tevens het systeem parkeerrechten doorlopen ook hier kwam geen digitale betaling naar voren. Ook bij nader onderzoek zag ik, dat ook elders in het voertuig niets aanwezig was dat kon duiden op dat aan de belastingverplichting werd voldaan. Ik zag, dat ook bij de aanwezige betaalapparatuur of in de directe omgeving hiervan, niemand aanwezig was die de intentie had om aan de betalingsverplichting te willen voldoen. Door mij verbalisant, werd een naheffingsaanslag opgelegd voor het niet voldoen aan de betalingsverplichting.”

Bij deze verklaring zijn vier foto’s van de auto gevoegd. Op deze foto’s is een deel van het dashboard zichtbaar. Niet zichtbaar is het deel van het dashboard in de hoek aan de bestuurderszijde en aan de passagierszijde.

2.4.

Belanghebbende heeft op 25 december 2015 in een brief aan zijn gemachtigde het volgende verklaard:

“Op 28 november j.l. heb ik mijn auto (…) geparkeerd om 13.55 uur op de Slachthuisstraat te Roermond. Ik heb een parkeerbonnetje gekocht en achter de voorruit gelegd.

Echter, toen ik binnen de tijd terugkwam bij de auto was de parkeertijd nog niet verstreken. Tot mijn verbazing had ik een proces verbaal gekregen van de gemeente Roermond, afdeling stadstoezicht. Tijdstip 13.59 uur, dus 4 minuten nadat ik het bonnetje had gekocht.

Vreemd, want het bonnetje lag in mijn veronderstelling op een duidelijke plaats. Helaas heeft de parkeerwachter dit niet gezien terwijl het bonnetje nog steeds op dezelfde plaats lag waar ik het had neergelegd. (…).

2.5.

Ter zitting van de Rechtbank heeft belanghebbende verklaard:

“Toen ik mijn auto wilde parkeren zag ik, op ongeveer 15 meter afstand, een drietal parkeercontroleurs lopen. (…). Ik kocht meteen een kaartje en legde dit op het dashboard rechts naast de bolle verhoging van het dashboard achter het stuur. Toen ik van de winkel terugkwam bij de auto trof ik een naheffingsaanslag aan. (…). Het kaartje had ik rechts naast de verhoging van het dashboard gelegd en lag toen ik terugkwam in de hoek.”

2.6.

Tot de stukken van het geding behoort een kopie van een parkeerkaartje waarop is vermeld: “14:09” en “€ 0,30”.

2.7.

De griffier heeft verklaard dat de Heffingsambtenaar telefonisch het volgende heeft medegedeeld:

  • -

    de naheffingsaanslag is opgelegd naar een tarief van € 2,60 per uur, terwijl ter plaatse een tarief geldt van € 1,30 per uur,

  • -

    omdat dit ongetwijfeld voor het Hof aanleiding zal zijn om de naheffingsaanslag te vernietigen, zal de Heffingsambtenaar niet ter zitting verschijnen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Belanghebbende heeft hieraan ter zitting het volgende toegevoegd:

Ik moest maar één artikel halen bij de supermarkt. De ingang daarvan ligt aan het parkeervak waar ik mijn auto had geparkeerd. Ik heb het bonnetje neergelegd en toen ik terugkwam was het bonnetje verschoven. Ik verbaasde me dat ik een parkeerbon had en ben toen de straat in gerend, maar zag geen parkeercontroleur meer. Ik beschik niet meer over het originele kaartje, omdat de koper van mijn auto dat kaartje heeft weggegooid.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak van de Heffingsambtenaar en van de naheffingsaanslag. De Heffingsambtenaar concludeert - naar het Hof begrijpt - tot gegrondverklaring van het hoger beroep en vermindering van de naheffingsaanslag.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij zijn auto om 13:55 uur heeft geparkeerd, vervolgens een parkeerkaartje heeft gekocht, dat kaartje op de bolle zijde van het dashboard achter de voorruit heeft geplaatst en bij terugkeer bij zijn auto constateerde dat het parkeerkaartje uiterst rechts in de hoek van het dashboard lag. Vaststaat dat een foto van dit deel van het dashboard ontbreekt.

4.2.

Het Hof stelt voorop dat op de Heffingsambtenaar de bewijslast rust van zijn stelling dat de parkeercontroleur tijdens de controle in de auto geen parkeerkaartje heeft aangetroffen. Het Hof is van oordeel dat de Heffingsambtenaar daarin tegenover de betwisting door belanghebbende niet is geslaagd en overweegt daartoe het volgende.

4.3.

De Heffingsambtenaar heeft telefonisch verklaard dat de verschuldigde parkeerbelasting € 1,30 per uur bedraagt. Het Hof sluit zich, gelet op het bepaalde in artikel 1, onder 1.2. van de Tarieventabel, behorende bij de “Verordening parkeerbelastingen 2015”, bij dit standpunt van de Heffingsambtenaar aan. Daarvan uitgaande kan de stelling van belanghebbende dat hij zijn auto om 13.55 uur heeft geparkeerd, juist zijn. Een betaling van € 0,30 bij een tarief van € 1,30 levert immers een toegestane parkeertijd op van 14 minuten. Dat is precies de tijd die is gelegen tussen 13.55 uur en de eindtijd van 14:09 uur zoals vermeld op het parkeerkaartje. Dit parkeerkaartje bevond zich, uitgaande van de juistheid van de stellingen van belanghebbende, dan in de auto op het moment van opleggen van de naheffingsaanslag om 13:59 uur.

4.4.

De Heffingsambtenaar heeft tegenover deze verklaringen van belanghebbende een verklaring van de parkeercontroleur overgelegd, waarin deze vermeldt dat hij de auto om 13:59 uur heeft gecontroleerd en geen parkeerkaartje heeft aangetroffen. Nu beide verklaringen op zichzelf beschouwd juist kunnen zijn, ligt het op de weg van de Heffingsambtenaar om aanvullend bewijs, zoals een verklaring van een tweede parkeercontroleur of een foto te overleggen. Dit bewijs is door de Heffingsambtenaar echter niet overgelegd. Weliswaar zijn foto’s overgelegd van de auto en van het dashboard, maar op deze foto is niet het gedeelte van het dashboard zichtbaar waarop volgens belanghebbende het parkeerkaartje lag toen hij terugkwam bij de auto. Gelet op het voorgaande heeft de Heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat op het moment van de controle een kaartje ontbrak in de auto en daarmee niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting niet heeft voldaan. De naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

Slotsom

4.5.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de Heffingsambtenaar en de naheffingsaanslag moeten worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 respectievelijk € 124 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.8.

Het Hof stelt de tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de behandeling van het bezwaar op 1 (punt) x € 249 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 249.

4.9.

Het Hof stelt de tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg op 2,5 (punten) x € 501 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.252,50 en de tegemoetkoming voor de behandeling van de zaak in hoger beroep, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 501 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.002, vermeerderd met een bedrag aan reiskosten van belanghebbende zelf voor het bijwonen van de zittingen op de kosten van het openbaar vervoer tweede klasse voor respectievelijk het traject [woonplaats] – Roermond en [woonplaats] – ‘s-Hertogenbosch in goede justitie op in totaal € 35.

4.10.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

4.11.

De totale voor vergoeding in aanmerking komende kosten bedragen € 2.538,50.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Heffingsambtenaar,

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag,

  • -

    gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 170 vergoedt, en

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van bezwaar en de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 2.538,50.

Aldus gedaan op 9 februari 2018 door T.A. Gladpootjes, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.