Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:563

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
16/03640
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:4230, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof constateert dat er sprake is van een schending van het verdedigingsbeginsel respectievelijk de eisen van een goede rechtspleging, doordat belanghebbende voorafgaande aan de geplande datum van de mondelinge behandeling geen reactie heeft ontvangen op het door hem ingediende gemotiveerde verzoek om uitstel van deze mondelinge behandeling. Met betrekking tot het materiële geschil overweegt het Hof als volgt. Belanghebbende en zijn ex-echtgenote kwalificeerden niet gedurende het gehele jaar 2012 als fiscale partners en hebben er niet voor gekozen om gedurende het gehele jaar 2012 als fiscale partners aangemerkt te worden. Derhalve kunnen de inkomsten uit eigen woning in het jaar 2012 niet vrij toegerekend worden tussen belanghebbende en zijn ex-echtgenote. Voorts overweegt het Hof dat enkel op basis van de tekst van het echtscheidingsconvenant bezwaarlijk de conclusie getrokken kan worden dat belanghebbende op grond van dit convenant verplicht was om het aan zijn ex-echtgenote toe te rekenen gedeelte van de hypotheekrente, gedurende het gehele jaar 2012, voor zijn rekening te nemen. Het Hof acht echter, op grond van een ter zitting geloofwaardig door belanghebbende afgelegde verklaring, welke niet door de Inspecteur is betwist, aannemelijk dat op grond van het echtscheidingsconvenant voor belanghebbende de verplichting bestond om tot het moment van verkoop van de woning de hypotheekrente volledig voor zijn rekening te nemen. Voorts acht het Hof aannemelijk dat deze verplichting aan te merken is als een familierechtelijke verplichting tot voorziening in het levensonderhoud van zijn ex-echtgenote. Het hoger beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/508
V-N 2018/23.24.9
EB 2018/54
Viditax (FutD), 09-03-2018
FutD 2018-0661
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03640

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer [belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 7 juli 2016, nummer BRE 15/1374, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen aanslag en beschikking belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) met aanslagnummer [aanslagnummer] en dagtekening 24 juni 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ter hoogte van € 68.748 (hierna: de aanslag IB/PVV). Gelijktijdig met de aanslag IB/PVV is aan belanghebbende een beschikking belastingrente (hierna: de beschikking belastingrente) afgegeven ter hoogte van € 222.

1.2.

Na tegen de aanslag IB/PVV en de beschikking belastingrente gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur deze bij, in één geschrift vervatte, uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is van voornoemde uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslag IB/PVV verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ter hoogte van € 67.257 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht ter hoogte van € 45 aan hem vergoedt.

1.5

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 29 november 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde mevrouw [A] , verbonden aan [B] V.O.F. te [C] , alsmede, namens de Inspecteur, de heer [D] .

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is op [datum 1] 2001, in algehele gemeenschap van goederen, gehuwd met mevrouw [E] (hierna: [E] ).

2.2.

Belanghebbende en [E] hebben op [datum 2] 2012 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de Rechtbank Amsterdam. Op [datum 3] 2012 is, naar aanleiding van voornoemd verzoek, bij beschikking van Rechtbank Amsterdam (hierna: de beschikking) de echtscheiding uitgesproken tussen belanghebbende en [E] . In de beschikking is, voor zover in hoger beroep relevant, opgenomen dat belanghebbende en [E] een echtscheidingsconvenant (hierna: het echtscheidingsconvenant) hebben opgesteld en dat dit convenant deel uitmaakt van de beschikking.

2.3.

De beschikking is op [datum 4] 2012 ingeschreven in het register van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats 3] .

2.4.

Voor zover in hoger beroep relevant is in het echtscheidingsconvenant, dat is gedagtekend op [datum 5] 2012, het volgende opgenomen:

PARTNERALIMENTATIE

Artikel 5 Algemeen

Artikel 5.1 De man zal gedurende 10 jaar aan het begin van iedere maand een

bedrag van bruto euro 250,= aan de vrouw betalen. Deze alimentatie is m.i.v. 01‑01-2013 onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in art. 1:402a BW.

DE BOEDELVERDELING

(…)

Artikel 7 Verdeling

7.1

Partijen zijn inmiddels overgaan [Hof: overgegaan] tot verdeling van de activa en passiva, inclusief de gemeenschappelijke inboedel en het wagenpark. Dit wordt verder in goed onderling overleg afgewikkeld.

(…)

In geval van overbedeling van een van partijen:

7.3

Door bovenstaande verdeling van de huwelijksgemeenschap is er geen sprake van overbedeling van een van partijen.

7.4

Alle baten en lasten opgekomen na de peildatum van de omvang van de huwelijksgemeenschap zoals genoemd in art. 6 lid 1, 01 november 2011, worden toegedeeld aan c.q. komen voor rekening van degene die ze betreffen. Alle baten en lasten, voortkomende uit de periode voor de peildatum van de omvang van de huwelijksgemeenschap zoals genoemd in art. 6 lid 1, 01 november 2011, worden gelijkelijk toegedeeld aan de vrouw (50%) en de man (50%).

Artikel 8 Bijzondere kosten

8.1

De man zal in afwijking van het bepaalde in art. 7 lid 3 ten behoeve van de vrouw stipt op tijd blijven voldoen:

alle vaste lasten en noodzakelijke onderhoudskosten van de echtelijke woning, waaronder de hypothecaire verplichtingen, alsmede alle verzekeringspremies die op de woning betrekking hebben.

8.2

Bovenstaande kosten zal de man voor rekening nemen zolang het huwelijk nog duurt,

zonder dat hij deswege jegens de vrouw aanspraak kan maken op enige verrekening. Leidt deze regeling tot belastingheffing bij de vrouw, dan kan zij de door haar verschuldigde belasting niet met de man verrekenen.

(…)

Artikel 9 Echtelijke woning

9.1

De echtelijke woning aan de [adres 1] 31, [postcode 1] [plaats 1] wordt verkocht aan derden. De verkoopopbrengst, na aftrek van verkoopkosten, zal gelijkelijk worden verdeeld.

9.2

De kosten verbonden aan de levering van de onroerende zaak zijn voor rekening van

beide partijen. De lasten rustend op de onroerende zaak zullen met ingang van 1

november 2011 voor rekening van de man zijn.

(…)”.

2.5.

Belanghebbende en [E] stonden beiden tot 28 februari 2012 ingeschreven in de gemeentelijke basisregistratie personen op het adres van de voormalige echtelijke woning, zijnde het adres [adres 1] 31 te [plaats 1] (hierna: de woning). Vanaf 28 februari 2012 staat uitsluitend belanghebbende op dit adres ingeschreven. Het huurwaardeforfait van de woning bedraagt € 2.982.

2.6.

Belanghebbende heeft op 1 april 2013 aangifte IB/PVV 2012 (hierna: de aangifte) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ter hoogte van € 56.970, met dien verstande dat het aangegeven belastbaar inkomen uit eigen woning -/- € 18.784 bedraagt. Bij de berekening van het belastbaar inkomen uit eigen woning is belanghebbende uitgegaan van 50% van het huurwaardeforfait ter hoogte van € 2.982 van de woning (€ 1.491) en 100% van de door hem met betrekking tot de woning betaalde hypotheekrente (€ 20.275).

2.7.

Belanghebbende heeft in de aangifte niet verzocht om [E] gedurende het hele jaar als fiscale partner aan te merken.

2.8.

De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ter hoogte van € 68.748, met dien verstande dat het in deze aanslag begrepen belastbaar inkomen uit eigen woning -/- € 8.497 bedraagt.

2.9.

De Inspecteur is er bij het opleggen van de aanslag van uitgegaan dat de in het jaar 2012 ter zake van de woning verschuldigde hypotheekrente, in totaal, € 19.975 bedraagt.

De Inspecteur heeft 50% van de hypotheekrente (€ 9.988) aan belanghebbende toegerekend.

Voorts heeft de Inspecteur 50% van het huurwaardeforfait (€ 1.491) aangemerkt als door belanghebbende ontvangen alimentatie.

2.10.

Na tegen de aanslag IB/PVV en de beschikking belastingrente gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur deze gehandhaafd bij, in één geschrift vervatte, uitspraken op bezwaar. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Voor zover in hoger beroep relevant, is namens belanghebbende bij brief met dagtekening 11 mei 2016, vanwege verhindering, verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling die bij de Rechtbank gepland stond op 23 juni 2016.

2.11.

Bij brief met dagtekening 12 juli 2016 heeft de Rechtbank belanghebbende, met betrekking tot dit verzoek, als volgt bericht:

Op 11 juli 2016 ontvingen wij uw brief van 11 mei 2016, waarin u om uitstel van de zitting van 23 juni 2016 heeft gevraagd. Door een fout in de interne postafhandeling is deze brief ons pas gisteren onder ogen gekomen.

Inmiddels heeft de zitting plaatsgevonden, is het onderzoek gesloten en is uitspraak gedaan. De rechtbank kan daarom niet opnieuw een zitting plannen.

Wij betreuren de gang van zaken en bieden u hiervoor onze excuses aan.”.

2.12.

Met betrekking tot het niet-verschijnen van belanghebbende ter zitting van 23 juni 2016 is in de uitspraak van de Rechtbank van 7 juli 2016, welke op 12 juli 2016 is verzonden aan partijen, het volgende overwogen:

Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 4 mei 2016 aan de gemachtigde, [A] , op het adres postbus [0000] , [postcode 2] te [plaats 2] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.

Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 6 mei 2016 is afgehaald op een daartoe bestemde afhaallocatie van PostNL, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Levert de gang van zaken bij de Rechtbank met betrekking tot het, namens belanghebbende ingediende, verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling bij de Rechtbank strijd op met het verdedigingsbeginsel?

2. Heeft de Inspecteur terecht uitsluitend 50% van de ter zake van de woning betaalde hypotheekrente in aanmerking genomen bij het opleggen van de aanslag IB/PVV?

3.2.

Belanghebbende is van mening dat vraag 1 bevestigend en vraag 2 ontkennend beantwoord moeten worden. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze uitspraak ziet op de aanslag IB/PVV, gegrondverklaring van het tegen de uitspraken van de Inspecteur bij de Rechtbank ingediende beroep, vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur, vermindering van de aanslag IB/PVV tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ter hoogte van € 57.270 en dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag 1

4.1.

Belanghebbende heeft in het door hem ingediende hoger beroepschrift zijn verbazing geuit over het feit dat de Rechtbank geen uitnodiging voor een nieuwe mondelinge behandeling aan hem heeft doen toekomen, nadat het, namens hem ingediende, verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling door de Rechtbank ontvangen was. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting bij het Hof nogmaals herhaald dat zij het erg vervelend vindt dat belanghebbende door deze gang van zaken niet de mogelijkheid heeft gehad om zijn standpunt toe te lichten tijdens een mondelinge behandeling in eerste aanleg.

4.2.

Het feit dat belanghebbende gemotiveerd om uitstel van de mondelinge behandeling heeft verzocht doch niet voorafgaande aan de geplande datum van de mondelinge behandeling een reactie op dit verzoek heeft ontvangen, levert, zoals het Hof partijen ter zitting heeft voorgehouden, een schending op van het verdedigingsbeginsel respectievelijk de eisen van een goede rechtspleging (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1991, nr. 27.729, ECLI:NL:HR:1991:ZC4799).

4.3.

Deze schending rechtvaardigt, zoals het Hof belanghebbende ter zitting heeft voorgehouden, een terugwijzing naar de Rechtbank voor een hernieuwde behandeling in volle omvang van het onderhavige geschil. Belanghebbende heeft echter, desgevraagd, ter zitting verklaard af te zien van terugwijzing naar de Rechtbank.

4.4.

Ten overvloede overweegt het Hof dat een dergelijke schending, in principe, aanleiding zou kunnen geven om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht vergoedt en/of om de Inspecteur te veroordelen in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende. Aangezien het onderhavige hoger beroep, op na te noemen gronden, slaagt en het Hof de Inspecteur, reeds om deze reden, zal gelasten tot vergoeding van het desbetreffende griffierecht en deze proceskosten, acht het Hof deze maatregel in het onderhavige geval niet opportuun.

Vraag 2

4.5.

De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting verduidelijkt dat belanghebbende zich primair op het standpunt stelt dat hij recht heeft op aftrek van 100% van het door hem ter zake van de woning betaalde bedrag aan hypotheekrente ter hoogte van € 19.975, aangezien [E] en laatstgenoemde in het jaar 2012 als fiscale partners kwalificeerden.

4.6.

In de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt voor de definitie van het begrip partner aangesloten bij de definitie zoals opgenomen in artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR), met dien verstande dat in artikel 1.2 van de Wet IB 2001 een aanvulling op deze definitie is opgenomen. Voor zover in hoger beroep relevant, luidde artikel 5a van de AWR in het onderhavige jaar als volgt:

“1 Als partner wordt aangemerkt: a. de echtgenoot; (…) 4 In afwijking van het eerste lid wordt een persoon niet meer als partner aangemerkt ingeval: a. een verzoek, zoals bedoeld in artikel 150, respectievelijk 169 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot echtscheiding, respectievelijk tot scheiding van tafel en bed is ingediend, en b. hij niet meer op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland staat ingeschreven als de belastingplichtige. (…).”.

4.7.

Uit de definitie zoals opgenomen in artikel 5a van de AWR volgt dat echtgenoten in beginsel als fiscale partners aangemerkt worden (lid 1, onderdeel a), met dien verstande dat het fiscale partnerschap eindigt op het moment dat een verzoek tot echtscheiding is ingediend en de echtgenoten bovendien niet meer op hetzelfde woonadres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisregistratie persoonsgegevens (lid 4).

4.8.

In het onderhavige geval wordt vanaf [datum 2] 2012 voldaan aan de cumulatieve voorwaarden zoals opgenomen in artikel 5a, lid 4, van de AWR. Belanghebbende en [E] , die reeds vanaf 28 februari 2012 op een ander adres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisregistratie persoonsgegevens, hebben namelijk op [datum 2] 2012 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Belanghebbende en [E] kwalificeren derhalve slechts gedurende een gedeelte van het jaar (vanaf 1 januari 2012 tot [datum 2] 2012) als fiscale partners. Ook de uitbreiding van het partnerschapsbegrip voor de inkomstenbelasting zoals opgenomen in artikel 1.2 van de Wet IB 2001 leidt niet tot een andere conclusie.

4.9.

Belanghebbende en [E] hadden er in hun aangiften IB/PVV 2012 voor kunnen kiezen om gedurende het gehele jaar als fiscale partners te kwalificeren. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende en [E] er bij het doen van aangifte voor gekozen hebben om gedurende het gehele jaar 2012 als fiscale partners aangemerkt te worden.

4.10.

Het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie dat de belastbare inkomsten uit eigen woning in het jaar 2012 niet vrijelijk toegerekend kunnen worden tussen belanghebbende en [E] . Toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, waaronder de belastbare inkomsten uit eigen woning, komt op grond van artikel 2.17, lid 5, van de Wet IB 2001 namelijk uitsluitend aan de orde indien een belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft. Nu in het jaar 2012 geen sprake is van fiscaal partnerschap, worden ingevolge artikel 3.121 van de Wet IB 2001 aftrekbare kosten met betrekking tot de woning in aftrek gebracht naar rato van de schulden die belanghebbende en [E] zijn aangegaan. Niet in geschil is dat in dat geval een bedrag van € 9.988 als zodanig aftrekbaar is. Het primaire standpunt van belanghebbende faalt derhalve.

4.11.

Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat het aan [E] toe te rekenen gedeelte van de hypotheekrente, zijnde € 9.987, bij hem in aftrek kan komen als onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 6.3, lid 1, onderdeel a, van de Wet IB 2001.

4.12.

De tekst van artikel 6.3, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 luidde in het jaar 2012 als volgt:

1 Onderhoudsverplichtingen zijn: a. periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn;”.

4.13.

Zoals uit de tekst van voornoemde bepaling blijkt, gaat het hierbij om rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichtingen. Dit houdt in dat de periodieke uitkeringen hun ontstaansgrond moeten vinden in het, in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde, familierecht en dat alleen in rechte vorderbare familierechtelijke periodieke uitkeringen voor aftrek in aanmerking komen.

4.14.

Alimentatie is in rechte vorderbaar door een rechterlijke uitspraak in een echtscheidingsprocedure of door een echtscheidingsconvenant. In de parlementaire geschiedenis ter zake van de voorloper van artikel 6.3, lid 1, onderdeel a, van de Wet IB 2001 (artikel 45, lid 1, onderdeel c, van de Wet IB 1964) is in dit kader het volgende opgenomen:

De leden van de VVD-fractie vragen ons oordeel over de opvatting van mr. Langereis (Bew. : zie WFR 1981, p. 917–931) dat in de memorie van toelichting ten onrechte ervan wordt uitgegaan, dat niet in rechte vorderbare periodieke uitkeringen nimmer tot aftrek leiden. Het is mij bekend, dat mr. Langereis in zijn betoog met betrekking tot periodieke uitkeringen die rechtstreeks voortvloeien uit het familierecht tot de conclusie komt dat de eis van in rechte vorderbaarheid geen steun vindt in de huidige wettekst, doch hoogstens aanknopingspunten heeft in de rechtsgeschiedenis, terwijl de rechtspraak en de doctrine hierin niet duidelijk zijn (p. 921). De mening van mr. Langereis dat niet in rechte vorderbare, uit het familierecht voortvloeiende periodieke uitkeringen op grond van de huidige wettekst wél in aftrek kunnen komen als persoonlijke verplichting, deel ik niet. In de eerste plaats houden de in de wettekst voorkomende woorden 'rechtstreeks voortvloeien uit het familierecht' (art. 30, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964) in, dat het in dezen gaat om periodieke uitkeringen die hun ontstaansgrond direct in het in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde familierecht vinden, hetgeen in mijn opvatting meebrengt dat dergelijke periodieke uitkeringen in rechte vorderbaar zijn. Met andere woorden, naar mijn mening kan niet worden gezegd dat ook natuurlijke (niet in rechte vorderbare) verbintenissen rechtstreeks voortvloeien uit het familierecht. In de tweede plaats wijs ik erop dat, als men op grond van de systematiek van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in dezen — mr. Langereis merkt dit op — al tot twee uiteenlopende conclusies kan komen, het in zulk een geval naar mijn oordeel de meest aangewezen weg is de desbetreffende rechtshistorie te onderzoeken. Zoals mr. Langereis aangeeft, leidt een rechtshistorische interpretatie ertoe dat sinds 1918 ook de familierechtelijke periodieke uitkering in rechte vorderbaar moet zijn, hetgeen voor de toepassing van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 1960, BNB 1960/204. Anders dan mr. Langereis trek ik hieruit de conclusie — nu de doctrine en meer recente jurisprudentie niet tot het tegendeel nopen —, dat alleen in rechte vorderbare (familierechtelijke) periodieke uitkeringen voor aftrek in aanmerking komen.” (Kamerstukken II 1983/84, 16797, nr. 6, p. 32).

4.15.

Het Hof stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast met zich meebrengt dat belanghebbende de feiten en omstandigheden aannemelijk dient te maken waaruit volgt dat het gedeelte van de hypotheekrente dat verschuldigd is door [E] doch door hem betaald is, aangemerkt kan worden als een in rechte vorderbare periodieke uitkering op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting.

4.16.

Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van het bestaan van een dergelijke uit het familierecht voortvloeiende verplichting naar de tekst van het echtscheidingsconvenant. Voorts heeft belanghebbende ter zitting verklaard wat hij en [E] beoogden overeen te komen.

4.17.

Naar het oordeel van het Hof kan enkel op basis van de tekst van het echtscheidingsconvenant bezwaarlijk de conclusie getrokken worden dat belanghebbende op grond van dit convenant verplicht was om het aan [E] toe te rekenen gedeelte van de hypotheekrente, gedurende het gehele jaar 2012, voor zijn rekening te nemen. In de artikelen 8.1 en 8.2 van het echtscheidingsconvenant is namelijk uitsluitend opgenomen dat belanghebbende tot het moment van ontbinding van het huwelijk de volledige hypotheekrente ter zake van de woning voor zijn rekening zal nemen (zie onderdeel 2.4), terwijl artikel 9.2 van het echtscheidingsconvenant impliceert dat de verplichting voor belanghebbende om de lasten rustend op de onroerende zaak, waaronder kennelijk de hypotheekrente, te voldoen niet in tijd is begrensd. De tekst van het echtscheidingsconvenant biedt derhalve niet de benodigde duidelijkheid.

4.18.

Bij de uitleg van de tekst van het echtscheidingsconvenant acht het Hof doorslaggevend dat belanghebbende ter zitting geloofwaardig heeft verklaard dat [E] en hij hebben beoogd om in het echtscheidingsconvenant vast te leggen dat hij de volledige hypotheekrente tot het moment van verkoop van de woning voor zijn rekening zal nemen. De Inspecteur heeft deze verklaring niet betwist. Gelet op voornoemde verklaring acht het Hof aannemelijk dat op grond van het echtscheidingsconvenant voor belanghebbende de verplichting bestond om tot het moment van verkoop van de woning de ter zake van de woning verschuldigde hypotheekrente volledig voor zijn rekening te nemen. Aangezien de woning in het jaar 2012 nog niet verkocht was, acht het Hof derhalve aannemelijk dat belanghebbende op grond van het echtscheidingsconvenant verplicht was om gedurende het gehele jaar 2012 de ter zake van de woning verschuldigde hypotheekrente voor zijn rekening te nemen.

4.19.

Het Hof acht voorts aannemelijk dat voornoemde verplichting aan te merken is als een familierechtelijke verplichting tot voorziening in het levensonderhoud van [E] als bedoeld in artikel 1:158 juncto artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek.

4.20.

Het Hof legt aan dit oordeel ten grondslag dat belanghebbende ter zitting geloofwaardig heeft verklaard dat [E] en hij, in goed onderling overleg, financiële verplichtingen zijn overeengekomen zodat [E] in haar levensonderhoud zou kunnen voorzien en samen met de kinderen een nieuwe start zou kunnen maken. Naar het oordeel van het Hof volgt uit hetgeen belanghebbende en [E] mondeling en in de artikelen 5.1, 8.1, 8.2 en 9.2 van het echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen, zowel dat [E] , teneinde te voorzien in haar eigen levensonderhoud, behoefte heeft aan een maandelijkse betaling van partneralimentatie ter hoogte van € 250 als dat het inkomen van [E] kennelijk te laag is om, naast de kosten van haar nieuwe woning aan de [adres 2] 244 te [plaats 3] , het deel van de hypotheekrente van de voormalige echtelijke woning waarvoor zij civielrechtelijk aansprakelijk is te voldoen. Naar het oordeel van het Hof dient derhalve zowel de maandelijkse betaling van een bedrag van € 250 als de betaling van het door [E] verschuldigde gedeelte van de hypotheekrente tot voorziening in het levensonderhoud van [E] .

4.21.

Belanghebbendes subsidiaire standpunt, dat het aan [E] toe te rekenen gedeelte van de hypotheekrente, zijnde € 9.987, bij hem in aftrek kan komen als onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 6.3, lid 1, onderdeel a, van de Wet IB 2001, slaagt derhalve.

Slotsom

4.22.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd, voor zover deze uitspraak ziet op de aanslag IB/PVV. Het Hof zal het beroep met betrekking tot de aanslag IB/PVV gegrond verklaren, de uitspraken van de Inspecteur vernietigen, de aanslag IB/PVV verminderen tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ter hoogte van € 57.270 en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.23.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd voor zover deze uitspraak ziet op de aanslag IB/PVV, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 124 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.24.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.25.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), op 1 (punt voor het indienen van het beroepschrift) x € 501 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 501.

4.26.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 1 (punt voor het verschijnen van de gemachtigde van belanghebbende ter zitting) x € 501 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 501.

4.27.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze uitspraak ziet op de aanslag IB/PVV, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ter hoogte van € 57.270;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 124 vergoedt; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 1.002.

Aldus gedaan op 9 februari 2018 door P.A.M. Pijnenburg, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.