Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:559

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
20-003401-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:9245, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Schadevergoedingsuitspraak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag. De verdachte heeft het slachtoffer onverhoeds met een mes in zijn borststreek gestoken naar aanleiding van een conflict over een auto. Het hof veroordeelt de verdachte tot een hogere straf dan de rechtbank, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.

Overwegingen over ontvankelijkheid benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding. Het voegingsformulier is noch door de benadeelde partij, noch door diens advocaat als gemachtigde ondertekend. Omdat de advocaat van de benadeelde partij zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep is verschenen en toen de vordering en de gronden waarop deze berust heeft toegelicht, kan het aan de vordering klevende gebrek van niet-ondertekening door de advocaat in casu voor gedekt worden gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0151
NJFS 2018/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003401-16

Uitspraak : 13 februari 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 26 oktober 2016 in de strafzaak met parketnummer 03-700332-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboorte-eiland] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum in het jaar] 1981,

thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Roermond.

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van ‘poging tot doodslag’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 450,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering is voor het overige deels afgewezen en deels is de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is de verdachte veroordeeld in de proces- en executiekosten aan de zijde van de benadeelde partij, begroot op € 350,00. Ten slotte is ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Namens de verdachte en door de officier van justitie in het arrondissement Limburg is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding en subsidiair is verzocht op de vordering te beslissen zoals de rechtbank heeft gedaan. Tevens is gevorderd het inbeslaggenomen mes te onttrekken aan het verkeer.

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een beroep gedaan op noodweer, waardoor de verdachte bijgevolg zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij is primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair tot matiging van het toe te wijzen bedrag, met dien verstande dat is verzocht niet meer toe te wijzen dan de rechtbank heeft gedaan. Voor wat betreft het inbeslaggenomen mes heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het bestreden vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 juni 2016 in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met voornoemd opzet die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans eenmaal (in de borststreek of buikstreek, althans het bovenlichaam) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 28 juni 2016 in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met voornoemd opzet die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans eenmaal (in de borststreek) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 juni 2016 in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met voornoemd opzet die [slachtoffer] met een mes in de borststreek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de vorenbedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Bewijsoverwegingen

A.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair vrijspraak bepleit. Daaraan is in de kern ten grondslag gelegd dat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte de steekwond bij het slachtoffer [slachtoffer] heeft toegebracht.

De verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar in een worsteling met [slachtoffer] terecht is gekomen, maar dat hij niet heeft gestoken en evenmin heeft bemerkt dat [slachtoffer] is geraakt door een mes. Voor de verklaring van de verdachte is volgens de raadsvrouw steun te vinden in andere verklaringen in het dossier.

B.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. Daarbij heeft de verdachte volgens de advocaat-generaal met vol opzet gehandeld. Hij leidt dat af uit de verklaring van getuige [bijrijder] , inhoudende dat de verdachte zou hebben gezegd: ‘Geef mij geld, anders steek ik je’, alsmede uit de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer] dat de verdachte het mes met kracht naar zijn borst heeft gebracht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.

Uit het dossier blijkt dat op dinsdag 28 juni 2016 rond 15.30 uur de politie de opdracht kreeg om naar het Zuyderland Ziekenhuis in Geleen te gaan in verband met het feit dat er een persoon was binnengebracht op de eerste hulp met een messteek.

Deze persoon betrof [slachtoffer] . Verbalisanten zagen dat [slachtoffer] een messteek had net onder de hartstreek (pag. 59 dossier).

Uit de geneeskundige verklaring d.d. 9 augustus 2016 van assistent-chirurg drs. [chirurg 1] en chirurg dr. [chirurg 2] blijkt dat op 28 en 29 juni 2016 bij [slachtoffer] een steekverwonding links abdominaal is waargenomen.

Op de vraag wie de messteek had toegebracht zei [slachtoffer] dat [verdachte] hem gestoken had. Dit zou te maken hebben met een voertuig dat niet betaald was. De steekpartij had plaatsgevonden voor drankenhandel [naam drankenhandel] aan de [adres] te Geleen (pag. 59 dossier).

Getuige [vriendin verdachte] heeft verklaard dat haar vriend, verdachte, een auto op zijn naam heeft staan, een Fiat Punto, welke door [slachtoffer] feitelijk wordt gebruikt. Nadat er een boete was binnengekomen in verband met het dumpen van afval met die auto is verdachte de hele week bezig geweest om het bedrag van die boete te krijgen van [slachtoffer] . Na een telefoontje van de gemeente over de tenaamstelling van die auto op naam van verdachte, sloegen bij verdachte de stoppen door, aldus de getuige. Verdachte is op de ten laste gelegde dag vertrokken om te gaan regelen met [slachtoffer] dat de auto niet meer op zijn naam zou staan en dat de boete betaald zou worden (pag. 43 dossier).

Getuige [vriendin slachtoffer] heeft verklaard dat zij van haar partner, [slachtoffer] , heeft vernomen dat de Fiat Punto van [slachtoffer] op naam staat van verdachte, dat deze hem aan het bedreigen was en dat er iets was met een boete die betaald moest worden en het overschrijven van de auto (pag. 40 dossier).

Uit gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer blijkt dat de Fiat Punto sinds 13 april 2016 op naam staat van verdachte (pag. 83 dossier).

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft verklaard dat hij een Fiat Punto had gekocht van verdachte die nog op naam stond van verdachte. Verdachte deed moeilijk dat die auto nog niet was overgeschreven (pag. 166 dossier).

In de middag van 28 juni 2016 reed [slachtoffer] met zijn auto naar drankenhandel [naam drankenhandel] in Geleen. Getuige [bijrijder] was bijrijder. Toen [slachtoffer] zijn auto had geparkeerd en uitstapte, werd hij direct geconfronteerd met de verdachte. [slachtoffer] voelde dat de verdachte aan zijn T-shirt trok en zag dat hij een mes in een van zijn handen had. Hij riep: ‘Waar zijn de papieren’. Enkele tellen later zag [slachtoffer] dat de verdachte het mes naar zijn borst bracht. Hij zag vervolgens dat de verdachte slechts nog het handvat, groen met wit van kleur, vasthield. [slachtoffer] keek naar zijn borst en zag daar het afgebroken mes in zitten (pag. 173 dossier). Hij heeft het mes uit zijn borst getrokken en op de grond gelegd. Verdachte is toen weggefietst.

Getuige [bedrijfsleider] (bedrijfsleider van drankenhandel [naam drankenhandel] ) heeft bij de politie verklaard dat hij in de middag van 28 juni 2016 werkzaam was in de drankenhandel. Hij zag een zwarte personenauto, hij denkt een Fiat Punto, stoppen in de straat voor de drankenhandel. Er kwam ook een fietser aanrijden, die bij de auto ging staan en van zijn fiets afstapte. De bestuurder stapte uit zijn auto. Er vond toen een woordenwisseling tussen de beide personen plaats in een voor de getuige onbekende taal. Op enig moment raakten beide personen met elkaar in gevecht. De bijrijder stapte ook uit de auto, liep naar de twee ruziënde personen toe, maar bemoeide zich er niet mee.

De man met de fiets hield volgens getuige [bedrijfsleider] een voorwerp vast dat leek op een mes. Daarmee maakte hij zeker drie stekende bewegingen in de richting van de bestuurder van de auto. De getuige hoorde dat dit voorwerp brak, hetgeen een knakkend geluid maakte. Hij zag dat het voorwerp op de grond viel. De bestuurder van de auto hield vervolgens zijn linkerhand op zijn linkerzijde van zijn onderbuik vast (pag. 34 dossier). Na het incident zagen de getuige en diens collega een mes in twee delen op de straat liggen (pag. 35 dossier).

Ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft getuige [bedrijfsleider] zijn eerdere verklaring bevestigd (proces-verbaal van verhoor van 14 juni 2017). Nadat een woordenwisseling tussen de bestuurder en de fietser was ontstaan, volgde een handgemeen. De fietser heeft op een gegeven moment verschillende stekende bewegingen in de richting van de bestuurder van de auto gemaakt. Hij hoorde daarbij een knakkend geluid. Hij nam waar dat deze persoon met zijn rechterhand een stekende beweging in de onderbuik maakte, aan de linkerkant. De bestuurder greep daarnaar, voor zover hij zich herinnert.

[bedrijfsleider] en zijn collega [naam collega] hebben na afloop precies op de plaats waar het incident zich had afgespeeld, een hard plastic of kunststof mes op de grond zien liggen. Op dat mes zat volgens [bedrijfsleider] iets roods, waarschijnlijk bloed. Dit mes was in tweeën gebroken.


Getuige [bijrijder] heeft verklaard (proces-verbaal van verhoor op 29 september 2017 in de strafzaak tegen [slachtoffer] en gevoegd in het dossier van verdachte) dat hij op die dag is ingestapt als bijrijder in de auto waarvan [slachtoffer] de bestuurder was. Zij zijn naar slijterij [naam drankenhandel] gereden. Toen [slachtoffer] uit de auto stapte en [bijrijder] nog in de auto zat, hoorde hij een Antilliaanse mannenstem spreken. Hij stapte daarop uit en keek over de auto heen naar de bestuurderszijde. Daar zag hij [slachtoffer] staan met een mes midden in zijn bovenlichaam. [bijrijder] heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris aangeduid dat het mes ter hoogte van het middenrif zat. [bijrijder] stelt niet te hebben gezien wie de messteek heeft toegebracht. Hij heeft een donkere man zien wegfietsen. Er was niemand anders in de buurt.

Uit onderzoek naar het aangetroffen mes is naar voren gekomen dat het mes een totale lengte van 19 centimeter heeft. Het heft is van kunststof, is lichtelijk gebogen en lichtgroen van kleur. Het lemmet is keramisch, heeft een snijkant, is wit van kleur en een lengte van 9 centimeter. Het lemmet is afgebroken van het heft (pag. 63 dossier).

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] de Fiat Punto op 24 juni 2016 had gestolen en dat hij op weg was om aangifte te doen bij de politie toen hij op 26 juni 2016 zijn auto zag rijden (pag. 132 en 133 dossier). Hij is er achteraan gegaan, heeft [slachtoffer] aangesproken bij de auto en hij zag toen dat [slachtoffer] iets uit zijn broekzak haalde, een mes. [slachtoffer] wilde hem steken met het mes. Hij heeft toen zijn hand/arm vastgepakt. Er ontstond een worsteling, waarbij zij tegen een auto zijn gevallen. Hij liet toen los en is naar zijn fiets gegaan en weggefietst. Hij weet niet hoe de steekverwonding van [slachtoffer] is ontstaan.

D.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer] , inhoudende dat hij door de verdachte met een mes in zijn borst is gestoken, in voldoende mate steun vindt in de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, onder welke de getuigenverklaring van [bedrijfsleider] , de waarnemingen van het letsel door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , de bevindingen van de chirurgen [chirurg 1] en [chirurg 2] van het ziekenhuis en de bevindingen omtrent het aangetroffen mes.

Het hof is van oordeel dat deze bewijsmiddelen de bewezenverklaring kunnen dragen. Dat de verklaringen te onduidelijk zouden zijn of later zouden zijn ingevuld, zoals de verdediging naar voren heeft gebracht, is naar het oordeel van het hof niet gebleken. Getuige [bedrijfsleider] heeft bij de politie en ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard dat hij een op een mes gelijkend voorwerp en stekende bewegingen zag, een knakkend geluid hoorde en meteen nadat de personen zich verwijderd hadden, precies op die plaats een gebroken mes aantrof.

De verklaring van de verdachte, inhoudende dat [slachtoffer] degene is geweest die een mes had en zichzelf daarmee verwond zou kunnen hebben tijdens de worsteling, vindt geen steun in het dossier.

Aldus is het hof van oordeel dat het de verdachte is geweest die met een keramisch mes met een snijgedeelte van 9 centimeter stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de borststreek van het slachtoffer [slachtoffer] . Het slachtoffer is daarbij daadwerkelijk eenmaal in de borststreek gestoken, als gevolg waarvan hij een steekwond heeft opgelopen, links abdominaal, net onder de hartstreek. Naar algemene ervaringsregels is de kans aanmerkelijk dat iemand komt te overlijden ten gevolge van één of meer stekende bewegingen met een scherp mes in de borststreek, nu daarbij vitale organen kunnen worden geraakt. Gelet op de aard van genoemde gedragingen, die zozeer gericht zijn op het dodelijk verwonden van het slachtoffer, kan het – bij gebreke aan contra-indicaties – niet anders zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Het hof is derhalve van oordeel dat de verdachte minstgenomen met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld.

E.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer] heeft begaan. De namens de verdachte voorts nog naar voren gebrachte argumenten zijn onvoldoende steekhoudend om tot een andersluidend oordeel te komen.

Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw van de verdachte heeft subsidiair bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld in een situatie van noodweer. Immers, [slachtoffer] is volgens de verdachte degene geweest die een mes uit zijn broekzak haalde en daarmee uithaalde naar verdachte. In de worsteling die met [slachtoffer] is ontstaan, heeft de verdachte geprobeerd de dreigende aanranding met het mes af te wenden. Dat heeft de verdachte gedaan door de arm of hand van [slachtoffer] vast te pakken, teneinde het mes uit zijn handen te kunnen krijgen. Tijdens die worsteling zou de verwonding zijn ontstaan, aldus de verdachte.

Het hof stelt voorop dat voor het slagen van een beroep op noodweer is vereist dat de handeling wordt geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daarvan. Hierin ligt besloten dat de verdedigingshandeling moet voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat juist de verdachte met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt richting [slachtoffer] , waarvan er één raak was. Hoewel de verdachte en [slachtoffer] een woordenwisseling hebben gehad en in een worsteling zijn beland, is – in tegenstelling tot hetgeen de verdediging heeft betoogd – op geen enkele wijze gebleken dat [slachtoffer] een mes vasthield en daarmee dreigende handelingen heeft verricht jegens de verdachte. In de door [bedrijfsleider] afgelegde getuigenverklaringen is ook met geen woord gerept over een mes in handen van de bestuurder van de auto; het is de fietser die verschillende stekende bewegingen met een mes in de richting van de bestuurder van de auto heeft gemaakt.

Bij deze stand van zaken is een noodweersituatie niet aannemelijk geworden. Aldus komt de verdachte geen beroep op noodweer toe. Het hof verwerpt bijgevolg het verweer.

Nu er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, is hij strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest.

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat het hof de verdachte zal veroordelen tot dezelfde straf als de rechtbank, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarbij de verdediging in overweging heeft gegeven een deel van die straf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. De verdachte heeft daarbij het slachtoffer [slachtoffer] onverhoeds met een mes in zijn borststreek gestoken naar aanleiding van een conflict over een auto.

De verdachte heeft met dat steken op de koop toegenomen dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Door het steken heeft het slachtoffer op de intensive care van het ziekenhuis moeten verblijven en heeft hij een het bovenlichaam ontsierend litteken opgelopen. Dergelijk strafbaar gedrag in de publieke ruimte brengt voorts maatschappelijke gevoelens van onveiligheid teweeg. Het hof rekent het de verdachte daarom zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 december 2017, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Daaronder bevindt zich een soortgelijk feit als het onderhavige bewezenverklaarde feit. De verdachte is namelijk bij arrest van dit gerechtshof van 10 februari 2010, gewezen onder parketnummer 20-002179-09, ter zake van medeplegen van gekwalificeerde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 6 maanden.

Voorts heeft het hof kennis genomen van het door het Leger des Heils te Heerlen opgemaakte reclasseringsadvies van 4 oktober 2016. Daaruit komt als conclusie naar voren dat de verdachte functioneert beneden het gemiddelde niveau, het hem aan de adequate coping-vaardigheden ontbreekt en hij moeite heeft met het reguleren van agressiegevoelens. Er is sprake van een hoog recidivegevaar en de verdachte is matig ontvankelijk voor begeleiding en behandeling door hulpverlenende instanties.

Het hof is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Hoewel de rechtbank zulks eveneens heeft onderkend, komt in de door haar opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest, de ernst van het bewezenverklaarde feit onvoldoende tot uitdrukking, zodat daarmee naar ’s hofs oordeel niet kan worden volstaan.

Het gerechtshof legt in de regel voor een voltooide doodslag een gevangenisstraf voor de duur van ten minste 8 jaren op. Voor een poging heeft te gelden dat als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren op zijn plaats is.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde acht het hof, ook in vergelijking met soortgelijke zaken, deze straf passend en geboden. Het hof ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken, noch in strafverhogende, noch in strafverlagende zin. Weliswaar geeft de documentatie aanleiding voor oplegging van een straf zoals door de advocaat-generaal is voorgesteld, echter het hof houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden zoals daarvan is gebleken ter terechtzitting in hoger beroep, waaronder het gegeven dat verdachte na het bewezen verklaarde slachtoffer is geworden van een aanrijding. Daarom zal het hof, anders dan de advocaat-generaal, niet overgaan tot een hogere sanctionering dan voormeld uitgangspunt indiceert.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 3.620,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in een bedrag van € 120,00 voor een kapot T-shirt van Ajax (post I), een bedrag van € 1.500,00 als smartengeld voor het opgetreden fysieke letsel en de ziekenhuisopname (post II) en een bedrag van € 2.000,00 als smartengeld voor psychisch letsel (post III). Voorts is in eerste aanleg een bedrag van € 605,00 aan proceskosten gevorderd.

De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de posten I en II gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 450,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De posten I en II zijn voor het overige afgewezen en de benadeelde partij is in de gevorderde schadepost III niet-ontvankelijk verklaard. Voorts is de verdachte veroordeeld in de proces- en executiekosten aan de zijde van de benadeelde partij, door de rechtbank begroot op € 350,00.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij de vordering tot vergoeding van proceskosten vermeerderd met een bedrag van € 1.264,00, zijnde twee punten conform het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven.

De raadsvrouw van verdachte heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding. Daaraan is ten grondslag gelegd dat het voegingsformulier noch door de benadeelde partij, noch door diens advocaat als gemachtigde is ondertekend en derhalve niet voldoet aan de daaraan door de wet gestelde eisen. Mocht het hof dit verweer passeren, dan dient in de visie van de verdediging de niet-ontvankelijkverklaring te worden uitgesproken omdat de schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd. Subsidiair is verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen, met dien verstande dat is verzocht niet meer toe te wijzen dan de rechtbank heeft gedaan.

Het hof overweegt als volgt.

Ontvankelijkheid

Ingevolge artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Artikel 51g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat voor aanvang van de terechtzitting deze voeging geschiedt door een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust bij de officier van justitie, overeenkomstig een daartoe vastgesteld formulier. Het derde lid van laatstgenoemd artikel bepaalt dat de voeging ook kan plaatsvinden ter terechtzitting door aan de rechter opgave te doen van de vordering en van de gronden waarop zij berust, uiterlijk tot aan het requisitoir.

Op grond van artikel 51c, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het slachtoffer zich op de terechtzitting doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze verklaart daartoe uitdrukkelijk gevolmachtigd te zijn.

Het voorgaande brengt met zich dat voeging als benadeelde partij ook kan plaatsvinden door een daartoe uitdrukkelijk gevolmachtigd advocaat. Het hof stelt vast dat zich bij de stukken van het geding een ‘Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces’ bevindt. Daarin is vermeld dat mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht, door de benadeelde [slachtoffer] is gemachtigd om hem te vertegenwoordigen in de voegingsprocedure tegen de verdachte. De benadeelde partij heeft deze in het voegingsformulier opgenomen machtiging niet ondertekend. Het voegingsformulier is evenmin door de advocaat van de benadeelde partij ondertekend.

Ter terechtzitting van de rechtbank van 12 oktober 2016 is mr. P.W. Szymkowiak als gemachtigde van de benadeelde partij verschenen. Uit het proces-verbaal van die zitting komt naar voren dat de advocaat heeft verklaard door de benadeelde partij ‘doorlopend gemachtigd’ te zijn en dat hij de vordering en de gronden waarop deze berust ter zitting heeft toegelicht.

De voorzitter van de rechtbank heeft aan het begin van de zitting vastgesteld dat [slachtoffer] zich door indiening van het voegingformulier als benadeelde heeft gevoegd in het strafproces. Kennelijk beschikte de rechtbank toen nog niet over het voegingsformulier, nu het proces-verbaal relateert dat de officier van justitie de vordering – die de officier van justitie op zijn beurt van de advocaat van de benadeelde partij had gekregen – vóór het requisitoir aan de rechtbank heeft overgelegd.

Ter terechtzitting van het gerechtshof van 30 januari 2018 is mr. P.W. Szymkowiak wederom verschenen als uitdrukkelijk gevolmachtigde van de benadeelde partij en heeft daar de vordering en de gronden waarop deze berust toegelicht.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de benadeelde partij zich vóór, doch in ieder geval ten laatste ter terechtzitting in eerste aanleg tijdig heeft gevoegd, nu de advocaat van de benadeelde partij het voegingsformulier aan de officier van justitie (vermoedelijk kort voorafgaande aan de zitting) heeft overhandigd en tijdens de zitting de vordering heeft toegelicht. Blijkens de verklaring van de advocaat was hij tot die indiening uitdrukkelijk gevolmachtigd. In een dergelijk geval is het bestaan van een schriftelijke en ondertekende machtiging van de advocaat door de benadeelde partij om de vordering namens hem in te dienen niet noodzakelijk. Aldus faalt in zoverre het verweer.

De vordering had echter wel door de advocaat van de benadeelde partij, als diens gemachtigde, moeten worden ondertekend. In zoverre kleeft aan de vordering een gebrek.

De vervolgvraag waar het hof zich voor gesteld ziet is of dit gebrek dient te worden gesanctioneerd met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering. In dat verband overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt vast dat de advocaat van de benadeelde partij zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep is verschenen en toen de vordering en de gronden waarop deze berust heeft toegelicht. Gelet op die omstandigheid kan het aan de vordering klevende gebrek naar het oordeel van het hof in casu voor gedekt worden gehouden. Een andersluidend oordeel strookt bovendien niet met de algehele strekking van artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering. Immers, uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot (het huidige) artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering (Kamerstukken II 1989/1990, 21 345, nr. 3, p. 14) volgt dat de wijziging van dit artikel er juist op was gericht de slachtoffers van een strafbaar feit te beschermen, in het bijzonder ook door verruiming van de mogelijkheden zich in het strafproces als benadeelde partij te voegen.

Mitsdien kan de benadeelde partij worden ontvangen in haar vordering tot schadevergoeding. Het hof verwerpt het tot niet-ontvankelijkheid strekkende verweer in al zijn onderdelen.

Beoordeling

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden.


De benadeelde partij heeft een bedrag van € 120,00 aan materiële schadevergoeding gevorderd. Dit bedrag ziet op een T-shirt van de voetbalclub Ajax (post I). Het hof is van oordeel dat ten aanzien van deze post een afschrijving van de gevorderde nieuwwaarde dient plaats te vinden van € 70,00. Nu de vordering in zoverre ook niet inhoudelijk is betwist, ligt hiermee naar ’s hofs oordeel een bedrag van € 50,00 aan materiële schadevergoeding voor toewijzing gereed. Bijgevolg zal het meer of anders gevorderde met betrekking tot materiële schadevergoeding worden afgewezen.

De benadeelde partij heeft als gevolg van de messteek door de verdachte lichamelijk letsel in de vorm van een litteken opgelopen. Het hof is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat daardoor is opgetreden (post II) valt onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot de immateriële schade, op grond van het onderzoek in de onderhavige strafrechtelijke procedure, naar billijkheid op een bedrag van € 1.000,00. De benadeelde partij [slachtoffer] kan in het overige deel van de vordering, betrekking hebbende op posten II en III, thans niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van de benadeelde partij tot een totaalbedrag van € 1.050,00 zal worden toegewezen.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2016, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Proces- en executiekostenveroordeling

Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partijen nog te maken kosten.

Het hof is van oordeel dat gelet op de hoogte van de vordering (die onder de competentiegrens van de kantonrechter ligt), voor de rechtsgang in eerste aanleg aansluiting moet worden gezocht bij het liquidatietarief kantonzaken. Bij een vordering met een hoofdsom tot en met een bedrag van € 3.750,00 wordt in de regel € 175,00 per punt als salaris toegekend. De benadeelde partij komt in dit verband twee punten toe: één punt voor het door zijn advocaat indienen van de vordering en één voor de aanwezigheid van zijn advocaat ter terechtzitting in eerste aanleg.

Voor de rechtsgang in hoger beroep is het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven van toepassing. Daarbij geldt een tarief van € 632,00 per punt in zaken met een geldswaarde van de hoofdsom tot een bedrag van € 10.000,00. De benadeelde partij komt één punt toe, namelijk voor de aanwezigheid van zijn advocaat ter terechtzitting in hoger beroep.

Op basis van het voorgaande zal een bedrag van € 350,00 (eerste aanleg) plus een bedrag van € 632,00 (hoger beroep), totaal € 982,00 aan proceskosten worden toegekend.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 1.050,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag en vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Beslag

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat het bewezen verklaarde met behulp van het inbeslaggenomen groenkleurig mes is begaan. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang. Het hof zal daarom de onttrekking aan het verkeer bevelen van genoemd in beslag genomen goed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van het onder de verdachte inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven groenkleurig mes met beslagnummer 809011;

wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizend vijftig euro) bestaande uit € 50,00 (zegge: vijftig euro) als vergoeding van materiële schade en € 1.000,00 (zegge: duizend euro) als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 982,00 (zegge: negenhonderdtweeëntachtig euro);

verklaart de benadeelde partij voor het overige gevorderde deel aan immateriële schadevergoeding, groot € 2.500,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro), niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 70,00 (zegge: zeventig euro) aan materiële schade af;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.050,00 (zegge: duizend vijftig euro) bestaande uit € 50,00 (zegge: vijftig euro) materiële schadevergoeding en € 1.000,00 (zegge: duizend euro) immateriële schadevergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. drs. P. Fortuin en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 13 februari 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.