Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:5551

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
20-003937-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof spreekt de verdachte vrij van groepsbelediging. De verdachte wordt wel veroordeeld voor eenvoudige belediging en moet daarom een boete van 250 euro betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003937-17

Uitspraak : 7 september 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 december 2017 in de strafzaak met parketnummer 02-162042-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte zal vrijspreken van het primair ten laste gelegde, het subsidiair ten laste gelegde bewezen zal verklaren ten aanzien van de belediging van

[slachtoffer 1] en verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 500,--, subsidiair 10 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2

jaren.

De verdachte heeft zich op haar zwijgplicht (het hof begrijpt: zwijgrecht) beroepen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste

aanleg – ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 21 juni 2017 te Etten-Leur, zich in het openbaar mondeling, bij geschrift en/of bij afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten mensen met een andere huidskleur dan de blanke huidskleur, wegens hun ras, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk beledigend een of meer van de volgende woorden uitgesproken: ''He nikker, nikker ga terug naar je eigen land en neem je slethoer mee en je kutkind'';

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


zij op of omstreeks 21 juni 2017 te Etten-Leur opzettelijk [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of diens/dier zoon heeft beledigd door in diens/dier tegenwoordigheid mondeling de woorden toe te voegen: ''He nikker, nikker ga terug naar je eigen land en neem je slethoer mee en je kutkind'', althans woorden van gelijke beledigende aard of strekking.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Met de politierechter en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan “groepsbelediging”, zodat zij zal worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Op grond van het bepaalde in artikel 269 van het Wetboek van Strafrecht vindt vervolging ter zake van belediging niet plaats dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd.

Nu een klacht van de zijde van [slachtoffer 2] en de zoon van [slachtoffer 1] in het dossier ontbreekt en niet is gebleken van de onmiskenbare bedoeling van hun zijde een vervolging te wensen, is aan vorenstaande vervolgingsvoorwaarde niet voldaan. Dientengevolge zal het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging voor zover deze betrekking heeft op de subsidiair ten laste gelegde belediging van anderen dan [slachtoffer 1] .

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 21 juni 2017 te Etten-Leur opzettelijk [slachtoffer 1] heeft beledigd door in diens tegenwoordigheid mondeling de woorden toe te voegen: ''He nikker, nikker ga terug naar je eigen land en neem je slethoer mee en je kutkind'', althans woorden van gelijke beledigende aard of strekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof komt tot een andere strafoplegging dan is gevorderd door de advocaat-generaal overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de belediging van aangever [slachtoffer 1] .

Het hof sluit voor de bepaling van de straf aan bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, en bij straffen die door dit hof in gevallen vergelijkbaar met het onderhavige worden opgelegd. Voor een belediging is het uitgangspunt de oplegging van een geldboete ter hoogte van € 150,--.

In strafverzwarende zin heeft het hof rekening gehouden met de aard van de belediging, de mate waarin de uitlatingen van verdachte als kwetsend zijn ervaren door het slachtoffer en de omstandigheden dat de uitlatingen van verdachte hebben plaatsgevonden, terwijl aangever met visite in zijn tuin zat.

Gelet op voornoemd oriëntatiepunt en genoemde strafverzwarende omstandigheden, acht het hof de oplegging van een geldboete ter hoogte van € 250,-- passend bij de persoon van verdachte en de ernst van en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan.

Met de advocaat-generaal ziet het hof op grond van de persoonlijke omstandigheden van verdachte voor zover deze uit het voorhanden zijnde dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken, aanleiding om deze geldboete geheel voorwaardelijk op te leggen. Met oplegging van een voorwaardelijke geldboete beoogt het hof enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 266 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging voor zover deze betrekking heeft op de subsidiair ten laste gelegde belediging van [slachtoffer 2] en de zoon van [slachtoffer 1] .

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door:

mr. H. Eijsenga, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. P.M. Frielink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters en C.M. Sweep, griffiers,

en op 7 september 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.