Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:553

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
200.228.569_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef sub c nu voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen wel naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven alsmede bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef sub c nu onvoldoende aannemelijk is dat de schuldenares de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen eveneens naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 8 februari 2018

Zaaknummer : 200.228.569/01

Zaaknummers eerste aanleg : 323544 / FT RK 17-671 en 323546 / FT RK 17-673

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant]

en

[appellante] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant] respectievelijk [appellante] ,

advocaat: mr. T.S.S. Overes te Leiden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 27 november 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 november 2017, hebben [appellant] en [appellante] ieder voor zich het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog te bepalen dat hun verzoeken toelating tot de wettelijke schuldsanering worden toegewezen.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 januari 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellant] en [appellante] , bijgestaan door mr. S.M. Diekstra, waarnemend voor mr. Overes,

  • -

    de heer [beschermingsbewindvoerder 1] en mevrouw [beschermingsbewindvoerder 2] in hun hoedanigheid van informanten, hierna te noemen: beschermingsbewindvoerder [beschermingsbewindvoerder 1] respectievelijk beschermingsbewindvoerder [beschermingsbewindvoerder 2] .

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 10 november 2017;

- de brieven met bijlagen van de advocaat van [appellant] en [appellante] d.d. 22 december 2017 en 29 januari 2018;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] en [appellante] d.d. 3 januari 2018.

3. De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] en [appellante] als rechthebbenden toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit hun uitlatingen zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan blijkt dat de beschermingsbewindvoerders bekend zijn met het hoger beroep dat [appellant] en [appellante] hebben ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid zijn gesteld, van welke gelegenheid zij in appel ook gebruik hebben gemaakt, om hun visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

[appellant] en [appellante] hebben de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaringen ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] en [appellante] blijkt voor [appellant] een totale schuldenlast van

€ 30.780,63 en voor [appellante] van € 89.174,53. Daaronder bevinden zich voor [appellant] een achttal belastingschulden voor een totaalbedrag van € 2.330,63, een schuld aan het UWV van € 1.102,38 alsmede een schuld aan het CJIB van € 366,00 en voor [appellante] een elftal belastingschulden voor een totaalbedrag van € 8.400,76 alsmede een schuld aan het UWV van € 1.031,37. Uit genoemde verklaringen blijkt dat de minnelijke trajecten zijn mislukt omdat zowel ten aanzien van [appellant] als van [appellante] niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken van [appellant] en [appellante] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] en [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.3. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kampen beide verzoekers met lichamelijke en psychische problemen. Zij ontvangen een bijstandsuitkering. Verzoeker is thans in behandeling voor de psychische klachten. Verzoekster zou nog een psychische behandeltraject moeten opstarten, maar dat is nog niet gebeurd. Uit de verklaring van de huisarts blijkt dat verzoekster de eerste stap heeft gezet naar behandeling voor haar psychische klachten.”

3.5.

[appellant] en [appellante] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] en [appellante] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] en [appellante] stellen dat het wel voldoende aannemelijk is, althans in hoger beroep zal worden, dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zoveel mogelijk zullen inspannen baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellant] en [appellante] blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting in eerste aanleg kampen met lichamelijke en psychische problemen. [appellant] en [appellante] stellen dat zij kunnen onderbouwen dat de psychosociale problematiek al enige tijd beheersbaar is, in die zin dat zij zich in maatschappelijk opzicht staande weten te houden en voldoende (sociaal) vangnet hebben. [appellant] en [appellante] geven aan voornoemde stelling(en) te zullen onderbouwen met een verklaring van behandelaren waaruit blijkt dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellant] en [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] stelt dat zijn psychosociale problematiek inmiddels duurzaam beheersbaar is. Hij verwijst hierbij naar de verklaring van GZ-psycholoog [GZ-psycholoog] van 26 januari 2018. De reden dat hij op dit moment niet werkt is gelegen in het feit dat hij nog herstellende is van een hartstilstand. Voor die tijd had hij allerlei baantjes, vaak op uitzendbasis, bij een automobielfabrikant en in de horeca. Een aantal maanden heeft hij bij wijze van eigen onderneming ook een webshop gerund. [appellante] geeft aan dat haar uitlatingen zoals bij gelegenheid van de toelatingszitting gedaan enigszins ongenuanceerd in het proces-verbaal van die zitting worden weergegeven. Zij heeft slechts willen betogen dat zij soms, vaak ten gevolge van invorderingsmaatregelen in opdracht van schuldeisers, even in een dip kan zitten, maar het is zeker niet zo dat zij structureel in geestelijke nood verkeert. Wel geeft [appellante] aan dat zij op korte termijn een EMDR-behandeling zal starten. Voor een dergelijke behandeling is zij, zowel volgens als haarzelf als volgens haar psycholoog, op dit moment evenwel nog niet “rustig” genoeg. Desondanks is [appellante] van mening dat haar psychosociale problematiek toch al wel als beheersbaar kan worden beschouwd, alhoewel zij geen verklaring heeft waarin dit door een deskundige behandelaar wordt bevestigd. Ook weet zij niet hoe lang de EMDR-therapie zal gaan duren. Dat [appellante] op dit moment niet solliciteert of werkt heeft te maken met een kwetsuur aan haar enkel. Zij zal op korte termijn een operatie ondergaan en hoopt dan na de daaropvolgende revalidatie snel aan de slag te kunnen.

Met betrekking tot de schulden stellen [appellant] en [appellante] dat deze met name zijn ontstaan omdat zij, nu zij vaak van werkkring wisselde, een zeer wisselend gezamenlijk inkomen hadden en niet wisten dat zij, wanneer dit gezamenlijke inkomen onder een bepaalde grens kwam, voor een aanvullende uitkering in aanmerking kwamen. Zodoende hebben zij lange tijd het ene gat met het andere gevuld. Ook zijn zij ten gevolge van een uitslaande woningbrand nagenoeg hun complete huisraad kwijtgeraakt. Zij hebben toen, in afwachting van de uitkering van de verzekering, de nodige uitgaven moeten doen voor de aanschaf van noodzakelijke goederen als kleding en meubilair. Ook is bij de brand de boekhouding van hun beider eigen ondernemingen geheel verloren gegaan. De belastingschulden zijn daarbij deels ook ontstaan omdat [appellante] op sommige momenten meerdere baantjes had en dit niet (tijdig) aan de Belastingdienst had doorgegeven. Met betrekking tot de fraudevordering van het UWV merkt [appellant] op dat hij niet precies meer weet wat hiervan de exacte ontstaansgeschiedenis is. De boete van het CJIB komt voort uit een bekeuring die [appellant] kreeg omdat hij zijn autogordel niet droeg. De schuld van [appellante] aan BHC betreft een huurschuld. Ten aanzien van deze schuld zou door de schuldeiser inmiddels ook een executoriale titel zijn verkregen, maar een afschrift hiervan is niet overgelegd. Tot slot merken [appellant] en [appellante] op dat zij, indien zij beiden volledig zijn gerevalideerd, in beginsel fulltime kunnen werken omdat de opvang van hun kinderen via de beider ouders inmiddels geregeld is.

3.7.

Beschermingsbewindvoerder [beschermingsbewindvoerder 1] heeft ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – desgevraagd nog het volgende aangevoerd. Beschermingsbewindvoerder [beschermingsbewindvoerder 1] geeft aan dat hij sinds 2015 in beeld is en benadrukt dat ook de afwikkeling van de brand van grote invloed op het verder oplopen van de schuldenlast is geweest. [appellant] en [appellante] hebben in afwachting van de uitkering door de verzekeringsmaatschappij zelf veel voor moeten schieten en daardoor andere rekeningen noodgedwongen onbetaald moeten laten.

3.8.

Beschermingsbewindvoerder [beschermingsbewindvoerder 2] heeft ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – desgevraagd nog het volgende aangevoerd. Bewindvoerder [beschermingsbewindvoerder 2] kent [appellante] als een sterk iemand die af en toe een klein dipje heeft en zeker niet als een psychiatrisch patiënt die de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling niet aan zou kunnen. Voorts geeft zij aan dat de belastingschulden deels ook zijn opgelopen omdat de Belastingdienst allerlei verrekeningen zou hebben toegepast welke vanwege de lange verwerkingstijd bij de Belastingdienst is sommige gevallen weer tot nieuwe schulden zouden hebben geleid. Tevens stelt zij dat de UWV-schuld van [appellante] al uit 2011 en dus niet uit 2015 stamt. De specificatie waaruit dat blijkt heeft zij bij de toelatingszitting ook overgelegd en ze dacht dat die specificatie daarom nu in hoger beroep ook automatisch bij de stukken zou zitten. Tot slot voert beschermingsbewindvoerder [beschermingsbewindvoerder 2] aan dat wat haar betreft zowel [appellant] als [appellante] psychisch stabiel zijn. Het beschermingsbewind loopt ook goed.

3.9.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.9.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

Ten aanzien van [appellant] .

3.9.2.

Ingevolge punt 5.4.3. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken en welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, wordt een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Vast staat dat [appellant] in het verleden de nodige psychosociale problemen heeft gekend en hiervoor ook intensief behandeld is. Uit de, overigens uiterst summiere, verklaring van GZ-psycholoog [GZ-psycholoog] van 26 januari 2018 kan evenwel worden opgemaakt dat deze problematiek thans als beheersbaar kan worden beschouwd.

3.9.3.

Daar komt evenwel bij dat [appellant] een aantal schulden heeft welke kunnen worden aangemerkt als schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan. Zo heeft [appellant] een aanzienlijk aantal belastingschulden waarvan een aantal blijkens de op het door [appellant] overgelegde schuldenoverzicht vermelde ontstaansdata zijn ontstaan in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient ingevolge punt 5.4.4. van voornoemde bijlage naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Temeer nu [appellant] verzuimt zijn stelling met betrekking tot de belastingschuld, namelijk dat een aantal van deze schulden zou zijn ontstaan dan wel opgelopen vanwege een trage interne verwerking bij de Belastingdienst van diverse verrekeningen, ex artikel 3.1.2.6. sub g van voornoemd reglement middels schriftelijke bewijzen dan wel anderszins te onderbouwen, acht het hof het onvoldoende aannemelijk dat hij ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Belastingdienst te goeder trouw is geweest.

3.9.4.

Ten aanzien van de schuld aan het CJIB oordeelt het hof als volgt. Uit punt 5.4.4. van voornoemde bijlage volgt dat bij (substantiële) geldboetes die zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen in beginsel eveneens geen sprake is van schulden waarvan aannemelijk is dat zij te goeder trouw zijn ontstaan. Daarbij zijn door [appellant] ook geen omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.

3.9.5.

Tevens heeft [appellant] uit hoofde van een fraudevordering een deels uit een opgelegde boete bestaande schuld aan het UWV. Ook dit betreft een vordering die naar zijn aard en ontstaansgeschiedenis niet kan worden aangemerkt als een schuld welke te goeder trouw is ontstaan. Het hof is dan ook van oordeel onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend immer te goeder trouw is geweest.

Ten aanzien van [appellante] .

3.9.6.

Vast staat dat [appellante] nog immer kampt met een psychosociale problematiek. Zij zal hiervoor immers op korte termijn een behandeling, in casu een EMDR-therapie, ondergaan waarbij het hof opmerkt dat deze behandeling niet in een eerder stadium is aangevangen omdat [appellante] hiervoor, ook naar eigen zeggen, nog niet “rustig” genoeg was. Zoals reeds bij rechtsoverweging 3.9.2. van dit arrest is overwogen wordt een verzoeker met psychosociale problemen ingevolge punt 5.4.3. van de in voornoemde rechtsoverweging vermelde bijlage in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Een dergelijke verklaring is door [appellante] evenwel niet overgelegd en dit gegeven, in combinatie met het feit dat [appellante] nog een, naar het hof begrijpt ook intensieve, therapie -waarvan de duur volgens op voorhand niet vaststaat volgens [appellante] - zal gaan volgen maakt dat het hof van oordeel is dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellante] reeds nu al de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.9.7.

Daar komt nog bij dat ook [appellante] een aanzienlijk aantal belastingschulden heeft waarvan een aantal blijkens de op het door [appellante] overgelegde schuldenoverzicht vermelde ontstaansdata zijn ontstaan in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient ingevolge punt 5.4.4. van voornoemde bijlage naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Temeer nu [appellante] verzuimt haar stelling met betrekking tot de belastingschuld, namelijk dat een aantal van deze schulden zou zijn ontstaan dan wel opgelopen vanwege een trage interne verwerking bij de Belastingdienst van diverse verrekeningen, ex artikel 3.1.2.6. sub g van voornoemd reglement middels schriftelijke bewijzen dan wel anderszins te onderbouwen, acht het hof het onvoldoende aannemelijk dat zij ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Belastingdienst te goeder trouw is geweest.

3.9.8.

Het hof heeft voorts vastgesteld dat de onderbouwing, al dan niet door middel van schriftelijke bewijsstukken, ten aanzien van een groot aantal schulden zoals vermeld op de omvangrijke verklaringen ex art. 285 Fw van zowel [appellant] als [appellante] ontbreekt zodat ook van deze schulden door het hof niet kan worden vastgesteld of deze te goeder trouw zijn ontstaan.

3.9.9.

Hoewel door [appellant] en [appellante] noch in de stukken noch tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep een beroep op de zogeheten hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw is gedaan acht het hof, gelet op hetgeen door [appellant] en [appellante] wel is aangevoerd en betoogd, evenwel termen aanwezig voor een ambtshalve toepassing van voornoemde clausule. [appellant] en [appellante] hebben immers voldoende aannemelijk weten te maken dat zij de omstandigheden welke van doorslaggevend belang voor het laten ontstaan en vervolgens onbetaald laten van hun schulden zijn geweest thans onder controle hebben gekregen, hetgeen onder meer kan worden herleid uit het feit dat er met name sprake is van oudere schulden waarbij er in het jaar 2017, afgaande op de hiertoe door [appellant] en [appellante] overgelegde schuldenlijsten, in het geheel geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Daarbij komt dat [appellant] en [appellante] zich ondersteund weten door een tweetal beschermingsbewindvoerders welke bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep beiden hebben verklaard dat het beschermingsbewind, zowel ten aanzien van [appellant] als van [appellante] , goed verloopt. Deze ambtshalve toepassing van de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw brengt met zich mee dat [appellant] wel doch [appellante] niet tot de schuldsaneringsregeling zal worden toegelaten. De hardheidsclausule ziet immers niet op omstandigheden zoals in rechtsoverweging 3.9.6. van dit arrest is ten aanzien van [appellante] is overwogen en kan hierop dan ook niet van toepassing zijn.

3.9.10.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat ten aanzien van [appellant] het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal alsnog worden toegewezen. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw. Ten aanzien van [appellante] is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat haar verzoek om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3.10.

Het vonnis waarvan beroep zal ten aanzien van [appellant] worden vernietigd en ten aanzien van [appellante] worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

ten aanzien van [appellant] ;

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van:

[appellant] , wonende te

[postcode] [woonplaats] aan de

[adres] ;

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

Ten aanzien van [appellante] ;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, A.P. Zweers-van Vollenhoven en F.J.M. Walstock en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2018.