Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:535

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
12-02-2018
Zaaknummer
200.224.194_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:6584
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 8 februari 2018

Zaaknummer : 200.224.194/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/232848 / FA RK 17-897

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.W.M. Hendriks,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

  • -

    de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] (hierna te noemen: de GI);

  • -

    [pleegvader] en [pleegmoeder] , beiden wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de pleegvader respectievelijk de pleegmoeder, tezamen de pleegouders).

Als informant is aangemerkt:

- [de vader] , wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de vader).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 6 juli 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 september 2017, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen ten aanzien van de (verzochte) beëindiging van het gezag van de moeder over de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] .

2.2.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 30 mei 2017;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 20 december 2017;

  • -

    de brief met bijlagen van de GI van 23 oktober 2017.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 december 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Hendriks;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de pleegouders;

- de vader.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 25 januari 2012 onder toezicht van (rechtsvoorganger van) de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 25 januari 2018.

[minderjarige] is (op grond van een daartoe strekkende machtiging) sinds juli 2012 uit huis geplaatst. Zij heeft in verschillende (tijdelijke) pleeggezinnen verbleven. Sinds 15 juli 2014 verblijft [minderjarige] in het huidige, perspectief biedende pleeggezin.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder en de vader beëindigd.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het de beëindiging van haar gezag over [minderjarige] betreft en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – samengevat – het volgende aan.

De rechtbank heeft artikel 1:266 lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek te strikt uitgelegd.

De moeder heeft ook altijd toestemming verleend in situaties waarin dat van haar als ouder met gezag werd gevraagd. De moeder heeft nooit bezwaar gehad tegen de uithuisplaatsing van [minderjarige] . De moeder stemt op dit moment in met het verblijf in het pleeggezin. Het ultieme doel van de moeder is echter dat [minderjarige] weer bij haar komt wonen. De moeder acht zichzelf in de nabije toekomst, met behulp van derden, in staat om [minderjarige] zelfstandig te kunnen opvoeden en verzorgen. De moeder heeft haar persoonlijke problematiek onder controle. De incidenten waarbij de moeder volgens de GI emotioneel heeft gereageerd, vonden plaats in september 2016 en daar zou nu dan ook niet meer naar verwezen mogen worden.

Na de uithuisplaatsing heeft men niet meer ingezet op thuisplaatsing. De moeder had nog enige tijd moeten worden gegund. [minderjarige] is nog niet onthecht aan de moeder en er is nog geen sprake van een absolute hechting met de pleegouders. Binnen de huidige beperkte bezoekregeling kan de moeder haar pedagogische vaardigheden onvoldoende laten zien en vergroten. De rechtbank had niet tot het oordeel mogen komen dat de thuisplaatsing bij de moeder niet meer mogelijk is, ook al zou op dit moment een terugkeer van [minderjarige] zonder hulp niet mogelijk zijn.

Echter ook bij het ontbreken van een gerechtvaardigde verwachting op een terugkeer naar huis, hoeft niet te allen tijde gezagsbeëindiging te volgen. Getoetst dient te worden aan het subsidiariteitsbeginsel, zeker in dit geval waarin de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing probleemloos verlopen, waarin de moeder overal aan meewerkt en ernstig moet worden getwijfeld aan de mate waarin [minderjarige] onzekerheid ervaart over haar toekomstperspectief. De moeder verwijst naar de verslaglegging van anaCare, die de bezoekregeling tussen de moeder en [minderjarige] begeleidt. De moeder erkent dat [minderjarige] vragen stelt over haar verblijf bij de pleegouders en dat zij voelt dat de moeder wenst dat [minderjarige] uiteindelijk weer bij haar komt wonen. Ook indien [minderjarige] onzekerheid ervaart over haar perspectief betekent dat niet dat de moeder het gezag niet zou mogen behouden. Niet alleen duidelijkheid, maar ook de moeder is belangrijk voor [minderjarige] .

3.6.

De raad voert ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

De leer over de voor de minderjarige aanvaardbare termijn waarin de ouder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer zou moeten kunnen dragen is helder. Voor een kind moet duidelijk zijn waar hij of zij opgroeit. Gehechtheidsrelaties moeten zoveel mogelijk in stand blijven en er dienen zo min mogelijk wisselingen plaats te vinden.

[minderjarige] heeft al veel veranderingen meegemaakt. Zij verblijft nu echter al drie en een half jaar in het huidige pleeggezin. De raad is van mening dat een ondertoezichtstelling niet meer passend is. Een ondertoezichtstelling kan verlengd worden als er een perspectief is op thuisplaatsing, maar een thuisplaatsing acht de raad niet in het belang van [minderjarige] . De situatie die zij nu kent, de (beginnende) gehechtheidsrelatie met de pleegouders en de veiligheid die zij daar ervaart, moeten behouden blijven. Daarbij komt dat [minderjarige] ook niet een volledige gehechtheidsrelatie met de moeder heeft, aangezien zij al op zeer jonge leeftijd uit huis is geplaatst. De hechting met de pleegouders is weliswaar nog maar pril, maar dit komt ook doordat [minderjarige] , doordat zij al veel veranderingen heeft meegemaakt, een ander proces doormaakt dan andere kinderen.

Duidelijk is dat de moeder de zorg voor [minderjarige] op dit moment niet op zich zou kunnen nemen, hetgeen onderdeel is van het ouderlijk gezag. Gezien de ontwikkelings- en gedragsproblemen van [minderjarige] , is het voor van belang dat haar grenzen worden geboden. [minderjarige] is emotioneel kwetsbaar, zij is zelfbepalend en zij houdt te veel rekening met de volwassenen om haar heen. De moeder is niet in staat [minderjarige] te bieden wat zij in haar opvoeding nodig heeft. Zij is daarin onvoldoende gegroeid. De moeder geeft ook zelf aan dat zij moeite heeft met het aangeven van grenzen en daarbij hulp nodig te hebben.

[minderjarige] heeft vragen over haar perspectief. De moeder accepteert eigenlijk niet dat [minderjarige] in het pleeggezin verblijft. Er is geen sprake van een situatie waarin de moeder de uithuisplaatsing volledig accepteert en daaraan volledig meewerkt. De beëindiging van het gezag creëert de door en voor iedereen gewenste duidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] .

3.7.

De GI voert in het schrijven van 23 oktober 2017, zoals aangevuld ter zitting -samengevat- het volgende aan.

Mede als gevolg van het jarenlang onvoldoende stellen van grenzen en bieden van kaders heeft [minderjarige] hechtingsproblemen ontwikkeld. [minderjarige] ondermijnt het ‘gezag’ van de moeder. Enkel in een eenvoudige, voorspelbare en overzichtelijke situatie kunnen met begeleiding van anaCare bezoeken positief verlopen. Na de beschikking in maart 2015 waarbij een verzoek van de raad om het gezag van de moeder en de vader te beëindigen is afgewezen, is met de inzet van hulpverlening gedurende een jaar in kaart gebracht wat de leerbaarheid van de moeder is en wat [minderjarige] nodig heeft van haar opvoeders. Door anaCare is een beperkte leerbaarheid gezien bij de moeder. De begeleiding moest vaak ingrijpen. Het geleerde raakte niet geïnternaliseerd en werd niet toegepast in andere situaties. De moeder heeft ook ruim twee jaar een traject gevolgd bij ‘Stevig’.

De moeder erkent niet dat [minderjarige] last heeft van onrust en loyaliteitsproblemen. De volwassenen - moeder, opa en vader - hebben [minderjarige] steeds belast met hun eigen visie, verwachtingen en problemen. Dit leidt al jaren tot onrust en onduidelijkheid bij alle betrokkenen. Het is goed voorstelbaar dat [minderjarige] tijdens de bezoeken merkt dat de moeder niet achter het verblijf in het pleeggezin staat. Dat [minderjarige] daar last van heeft is bijvoorbeeld zichtbaar in haar schoolresultaten. Het verdelen van de omgang leidt tot heftige emoties bij de betrokken volwassenen. De moeder is in dit kader niet in staat gebleken een ‘offer’ te brengen om zodoende meer rust te creëren voor [minderjarige] .

De moeder kan de zorg voor [minderjarige] niet (zelfstandig) aan, althans niet op korte termijn, vanwege de veiligheidsrisico’s voor [minderjarige] . Deze risico’s komen voort uit ‘de nabootsingsstoornis bij volmacht’ en een beperkte leerbaarheid als gevolg van een cognitieve beperking bij de moeder en hechtingsproblematiek bij [minderjarige] . De nabootsingsstoornis bij volmacht is weliswaar in remise, maar in situaties van stress wordt bij de moeder het gedrag gezien van bij de aanvang van de ondertoezichtstelling. De moeder kan erg emotioneel reageren.

[minderjarige] heeft behoefte aan duidelijkheid over haar toekomstperspectief. Tot de bestreden beschikking dacht [minderjarige] nog dat zij weer bij de moeder zou gaan wonen. De aanvaardbare termijn voor de moeder om het opvoederschap op zich te nemen is naar de mening van de GI reeds verstreken. Het is niet in het belang van [minderjarige] dat zij nog op een andere plek gaat wonen, dan wel dat de moeder beslissingen neemt over en in het belang van [minderjarige] .

3.8.

De pleegouders brengen ter zitting – samengevat – het volgende naar voren.

Op dit moment gaat het redelijk goed met [minderjarige] . Zij is wat tot rust aan het komen. Zij vroeg de afgelopen drie jaar wat er zou gaan gebeuren; waar ga ik wonen? Impliciet vroeg zij daarmee: aan wie moet ik loyaal zijn, aan wie kan ik mij hechten? Die vraag stelt zij minder sinds de gezagsbeëindiging door de rechtbank. [minderjarige] zegt niet letterlijk dat de gegeven duidelijkheid haar rust geeft. Wel merkten de pleegouders dat zij voorheen veel bezig was met geheimpjes, loyaliteiten en conflicten. Zij is nu niet meer zoekende met wie zij wat kan bespreken. De pleegouders hebben bij [minderjarige] een gereserveerdheid gezien bij het aangaan van de gehechtheidsrelatie. Zij zijn zelf ook gereserveerd geweest, niet wetende wat de toekomst zou brengen. De slechte resultaten van [minderjarige] op school hadden geen cognitieve, maar een emotionele oorzaak. Zij zei altijd, mijn hoofd zit vol. Nu begint zij er echter plezier in te krijgen. Zij vindt het erg leuk om te schrijven. Zij houdt zich bezig met dingen waarmee zij zich bezig zou moeten houden. Dieper kunnen de pleegouders niet kijken dan deze signalen die [minderjarige] laat zien.

De pleegouders merken dat er nu ook meer rust is binnen het netwerk. Rationeel kan men immers wel samenwerken, maar emotioneel blijft men vechten. Dat zien en voelen de pleegouders en dat straalt af op [minderjarige] . Daarin zit het verschil tussen een verlenging van de ondertoezichtstelling en de beëindiging van het gezag.

[minderjarige] is heel alert, als overlevingsstrategie. Zij heeft alles door. Zij voelt en ziet de mensen om haar heen en zij reageert daarop. Zij voelt zich verantwoordelijk voor de volwassenen.

De pleegouders gunnen [minderjarige] duidelijkheid over waar zij zal opgroeien, waar dat ook is.

3.9.

De vader voert ter zitting – samengevat – het volgende aan.

De vader is niet in hoger beroep gegaan, omdat hij voor [minderjarige] rust wilde creëren. Het getouwtrek is niet goed voor [minderjarige] . De vader heeft op dit moment gekozen voor de samenwerking met de GI, in plaats van het gevecht. De vader respecteert de keuze van de moeder om in hoger beroep te gaan van de bestreden beschikking niettemin. Hij heeft er geen mening over of de moeder op enig moment weer de zorg voor [minderjarige] op zich zou kunnen nemen.

De vader wil uiteindelijk wel zelf voor [minderjarige] zorgen. Als de vader dit niet door middel van samenwerking met de GI kan bereiken, zal hij alsnog de strijd aangaan.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

3.10.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of;

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.10.2.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat [minderjarige] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.

3.10.3.

De moeder heeft in hoger beroep erkend dat zij op dit moment niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen, ook niet met hulp van derden, maar zij stelt dat zij daartoe op termijn wel degelijk in staat zal zijn. De moeder is van mening dat binnen de ondertoezichtstelling onvoldoende is gewerkt aan de thuisplaatsing van [minderjarige] . Zij stelt dat zij desondanks een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat zij open zal blijven staan voor de hulpverlening die nodig is om haar pedagogische vaardigheden te vergroten.

Het hof is van oordeel dat, met name na de beschikking in maart 2015, waarin een eerder verzoek van de raad om beëindiging van het gezag van de ouders is afgewezen, voldoende intensieve hulpverlening is ingezet om de vaardigheden van de moeder in kaart te brengen en waar mogelijk deze te vergroten. De (door de GI) gedurende lange tijd ingezette middelen omvatten een observatie- en omgangsbegeleidingstraject en individuele hulpverlening voor de moeder.

Het hof laat in het midden of en in hoeverre verwacht kan worden dat de moeder op enig moment weer met hulp de verzorging en opvoeding van [minderjarige] zou kunnen dragen. Het hof is namelijk van oordeel dat, gelet op de reeds jarenlange voortduring van onduidelijkheid en veranderingen, alsmede de leeftijd en de gebleken kwetsbaarheid van [minderjarige] , vastgesteld dient te worden dat de hiervoor bedoelde aanvaardbaar te achten termijn reeds is verstreken. Uitstel van het geven van duidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] acht het hof dan ook in strijd met haar belangen. Aan het belang van [minderjarige] bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces dient naar het oordeel van het hof zwaarwegende betekenis te worden toegekend.

[minderjarige] ’s belang is thans enkel gediend met behoud van de huidige situatie, waarin zij bij de pleegouders verblijft, en waarin ruimschoots wordt beantwoord aan hetgeen zij van haar opvoeders vraagt.

3.10.4.

Bij [minderjarige] is sprake van hechtingsproblematiek. Zij is een kwetsbaar meisje dat met haar jonge leeftijd al veel heeft meegemaakt en veel wisselingen in haar verblijfplaats heeft gehad. Zij heeft daardoor thans een meer dan gemiddelde behoefte aan duidelijkheid en rust.

Tot de bestreden beschikking heerste bij [minderjarige] en alle andere betrokkenen onduidelijkheid over waar zij verder zou mogen opgroeien. De jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing brachten onrust met zich, omdat (onder meer) de moeder aan [minderjarige] niet onvoorwaardelijk haar emotionele toestemming gaf om in het pleeggezin te mogen verblijven en opgroeien. Ook in hoger beroep stelt de moeder weliswaar in te stemmen met het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin, maar spreekt zij tevens de wens uit om [minderjarige] uiteindelijk zelf weer te verzorgen en op te voeden. De moeder belast [minderjarige] met haar eigen behoeften en wensen.

Het hof stelt vast dat, anders dan de moeder stelt, er hier geen sprake is van een situatie waarin de moeder onvoorwaardelijk instemt met een voortgezet verblijf in het pleeggezin en waarin er in zoverre geen onduidelijkheid is over het perspectief.

[minderjarige] heeft hier bovendien duidelijk last van gehad. Doordat [minderjarige] een meisje is dat zich verantwoordelijk voelt voor de volwassenen om haar heen, had zij het gevoel dat zij ‘geheimen’ moest bewaren en is zij in een loyaliteitsconflict terecht gekomen. [minderjarige] gaf aan dat haar hoofd vol zat. Hierdoor kwam zij niet toe aan haar ontwikkelingstaken en stagneerde haar schoolprestaties. De moeder heeft ter zitting van het hof erkend dat [minderjarige] een en ander heeft gevoeld en ook vragen stelde over haar perspectief.

Op grond van al het voorgaande is het hof van oordeel dat beëindiging van het gezag van de ouders, zoals door de rechtbank beslist, in dit geval noodzakelijk is om de voor [minderjarige] omtrent haar opgroeiperspectief noodzakelijke duidelijkheid te scheppen.

3.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 6 juli 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.A.R.M. van Leuven en J.C.E. Ackermans-Wijn en is op 8 februari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. Brouwer-van de Put, griffier.