Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:5347

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-12-2018
Datum publicatie
24-12-2018
Zaaknummer
20-002161-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:4267
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

scheepvaartzaak (binnenvaart). Vrijspraak: geen sprake van schuld in de zin van artikel 169 Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002161-15

Uitspraak : 24 december 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 juli 2015 in de strafzaak met parketnummer

02-688125-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedatum] ,

wonende te [adres]

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis, waarbij verdachte van het aan hem ten laste gelegde is vrijgesproken, hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte ter zake zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis. De motivering van de vrijspraak behoeft echter, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, op onderdelen wijziging en aanvulling. Omwille van de leesbaarheid wordt, met overname van de onderdelen uit het vonnis die geen wijziging behoeven, de motivering in haar geheel vervangen door de hierna weergegeven motivering.


Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Standpunt van het openbaar ministerie in hoger beroep.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank verdachte ten onrechte heeft vrijgesproken nu het politieonderzoek uitwijst dat het motorjacht Carnat voor verdachte zichtbaar moet zijn geweest of in ieder geval zichtbaar moet zijn geweest op het moment dat hij het roer van de tanker overnam van medeverdachte [naam] .

Dat verdachte de Carnat niet heeft gezien duidt er, aldus de advocaat-generaal op dat hij geen dan wel onvoldoende uitkijk heeft gehouden. Voorts mocht van verdachte als opvolgend roerganger worden verwacht dat hij actief na zou gaan of er iets vóór de tanker voer. Het voorgaande betekent dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard in die zin dat verdachte hoogst, althans aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gevaren.

Hetgeen verder in de tenlastelegging aan verwijtbare gedragingen is opgenomen, volgt uit het verwijt dat verdachte niet heeft opgelet en het motorjacht niet heeft opgemerkt.

Het hof overweegt als volgt.

Inleiding

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten vast.

Op 12 augustus 2013 omstreeks 10:52:40 uur heeft op het Kanaal door Zuid-Beveland verder: het kanaal) een aanvaring plaatsgevonden tussen het motorjacht Carnat (verder: de Carnat) en het motorschip LRG Gas 86 (verder: de tanker). De tanker liep in op de Carnat en is kort na het passeren van de Postbrug in aanvaring gekomen met de Carnat.

De Carnat is als gevolg hiervan onder de tanker terecht gekomen en is door de tanker overvaren. De opvarenden van de Carnat, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , zijn als gevolg van dit ongeval verdronken.

De tanker is omstreeks 10:42 uur het kanaal ingevaren. Medeverdachte [naam] stond aan het roer. Verdachte bevond zich ook in de stuurhut. De Carnat voer toen reeds op de hoogte van een inham in het kanaal aan stuurboorwal en was door een flauwe bocht in het kanaal mogelijk niet zichtbaar voor de roerganger van de tanker (dossierpagina 96). De tanker was inlopend op de Carnat.

Omstreeks 10:46 uur passeerde de Carnat de meerpalen, die aan de oostelijke zijde van het kanaal en noordelijk van de Postbrug staan. Beide vaartuigen voeren op dat moment in elkaars verlengde tegen de middenas van het kanaal (dossierpagina 97).

Omstreeks 10:48 uur naderde de Carnat de Postbrug over het kanaal. Ruim anderhalve minuut later passeerde ook de tanker de meerpalen. De Carnat was toen net onder de Postbrug door gevaren. Kort voor de Postbrug heeft medeverdachte [naam] het roer overgedragen aan de verdachte. Het voorschip van de tanker voer omstreeks 10:50:40 uur onder de Postbrug. Omstreeks 10:52:40 uur is de Carnat overvaren door de tanker.

Beoordeling van de ten laste gelegde feitelijke gedragingen

Ter beoordeling van de vraag of verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zal het hof achtereenvolgens ingaan op de vraag óf en welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld in de zin van artikel 169 van het Wetboek van Strafrecht opleveren.

Voor het bewijs van schuld in de zin van artikel 169 van het Wetboek van Strafrecht is van belang of verdachte in strafrechtelijke zin een verwijt gemaakt kan worden als ten laste is gelegd, namelijk dat hij hoogst, althans aanmerkelijk, onachtzaam en/of hoogst, althans aanmerkelijk, onoplettend is geweest waardoor de aan- en overvaring is ontstaan en als gevolg waarvan de opvarenden van de Carnat zijn komen te overlijden.

Uit vaste rechtspraak blijkt dat het hierbij gaat om het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

De ernst van de gevolgen is niet redengevend voor de mate van schuld.

- Roeroverdracht (eerste gedachtestreepje)

Verdachte heeft verklaard dat hij kort voor de Postbrug het roer heeft overgenomen van medeverdachte [naam] . Laatstgenoemde heeft dit bevestigd.

Dit onderdeel van de tenlastelegging kan derhalve weliswaar wettig en overtuigend bewezen worden, maar levert op zichzelf geen schuld in de zin van artikel 169 van het Wetboek van Strafrecht op.

- Zich niet dan wel onvoldoende rekenschap gegeven van en/of zich niet laten informeren over de in zijn directe omgeving aanwezige scheepvaart (tweede gedachtestreepje)

Uit de verklaringen van verdachte en medeverdachte [naam] komt naar voren dat zij de vier jaren voorafgaande aan het ongeval samen hebben gevaren. Zij waren dusdanig op elkaar ingespeeld dat verdachte er op vertrouwde dat, indien er zich bij het overdragen van het roer scheepvaart of andere obstakels voor of in de directe nabijheid van de tanker bevonden, medeverdachte [naam] hem dit bij het overdragen van het roer zou hebben meegedeeld. Nu [naam medeverdachte] geen informatie heeft doorgegeven bij het overdragen van het roer, mocht verdachte er naar het oordeel van het hof op vertrouwen dat er geen bijzonderheden waren. Verdachte hoefde daar niet specifiek naar te vragen. Met inachtneming van hetgeen door deskundige [naam] ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard, is het hof voorts van oordeel dat er op het moment van roeroverdracht ook geen bijzondere aanwijzingen waren voor verdachte, die maakten dat hij zich extra inspanningen had moeten getroosten om na te gaan of de vrije doorgang mogelijk was.

- Niet opmerken van het voor de tanker varende motorjacht (derde gedachtestreepje)

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof niet gebleken dat verdachte de Carnat op enig moment heeft gezien. De verdachte heeft verklaard dat hij ongeveer 50 meter voor de Postbrug het roer van [naam medeverdachte] heeft overgenomen. Niet is vast te stellen wat op dat moment de onderlinge afstand tussen de tanker en de Carnat was. Verdachte heeft verklaard dat hij na ongeveer twee à drie minuten en ongeveer 500 meter gevaren te hebben een ‘vibratie' voelde. Kort daarna zag hij aan bakboordzijde een klein bootje omhoog komen. Verdachte heeft de tanker toen gestopt.

Op basis van het onderzoek kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld waar in het vaarwater de tanker de Carnat voor het eerst heeft geraakt. De radarbeelden geven daarover geen duidelijkheid.

Afgaand op de veronderstelde snelheden waarmee beide vaartuigen zouden hebben gevaren is het een reële mogelijkheid dat de Carnat zich op het moment dat verdachte het roer van de tanker overnam al in de dode hoek van de tanker bevond en dat hij de tanker dan ook niet heeft kunnen zien.

Met betrekking tot de dode hoek overweegt het hof het volgende. In het proces-verbaal scheepvaartonderzoek is de dode hoek berekend (dossierpagina 81 e.v.), dat wil zeggen de afstand voor de tanker waarbinnen, gezien vanuit de stuurhut van de tanker, niet (goed) zichtbaar is wat zich daar bevindt. De conclusie is dat de Carnat tussen de 104 en 307 meter voor het voorschip van de tanker, in de lijn van kiel en steven, zichtbaar moet zijn geweest. In de berekening is gerekend met twee theoretische variabelen, namelijk de hoogte van het stuurhuis en de ballast, welke zijn gebaseerd op een tekening van de maten van de tanker. Uit het verhoor bij de rechter-commissaris van verbalisant [naam] , degene die de berekening heeft gemaakt, is gebleken dat het een indicatieve berekening is. Zo is bijvoorbeeld uitgegaan van de situatie dat verdachte aan het roer heeft gestaan terwijl uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende aannemelijk is geworden dat verdachte achter het roer heeft gezeten. Dit heeft gevolgen voor de dode hoek. De berekening biedt voorts geen inzicht in de zogeheten dynamische dode hoek. Evenals de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat het voorgaande betekent dat de berekening van de dode hoek met behoedzaamheid moet worden beschouwd.

Het feit dat verdachte al enige tijd voordat hij het roer overnam van [naam medeverdachte] in de stuurhut aanwezig was, kan hem niet worden tegengeworpen. Uit de verklaringen van verdachte en [naam medeverdachte] blijkt dat het meekijken van verdachte zich heeft beperkt tot het moment dat hij het roer overnam. Daarvoor was hij met andere zaken bezig. Gelet op het feit dat hij toen niet de roerganger was, was het niet zijn verantwoordelijkheid om zich met de scheepvaart in de nabijheid van de tanker bezig te houden

De conclusie is gelet op het voorgaande dat niet buiten redelijke twijfel is vast te stellen hoe de feitelijke situatie (afstand tot de Carnat en de dode hoek) was ten tijde van en in vervolg op het overnemen van het roer van de tanker door verdachte. Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden bewezen dat aan de zijde van verdachte sprake is van schuld in de zin van artikel 169 van het Wetboek van Strafrecht en het hof zal verdachte van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

De overige feitelijke gedragingen in de tenlastelegging kunnen alsdan niet leiden tot schuld in voornoemde zin.

Conclusie

Gelet op het voorgaande kan niet worden bewezen dat aan de zijde van verdachte sprake is van schuld in de zin van artikel 169 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof zal verdachte van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

Subsidiair ten laste gelegde

Gelet op voorgaande overwegingen is het hof van oordeel dat ook het subsidiair ten laste gelegde, dat dezelfde feitelijke grondslag heeft als het primair ten laste gelegde feit, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het hof zal verdachte ook hiervan vrijspreken.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. J. Nederlof, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.R.G.H. van Outheusden, griffier,

en op 24 december 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.