Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:5315

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-12-2018
Datum publicatie
28-12-2018
Zaaknummer
200.244.996_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

schoolkeuze; 1:253a BW; uitvoering van de co-ouderschapsregeling het meest gewaarborgd, als de minderjarige naar de basisschool in de woonplaats van de vader gaat, vanwege werk vader.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2019/39.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 20 december 2018

Zaaknummer: 200.244.996/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/338919 FA RK 17/6801

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.E. Teusink,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 augustus 2018, zoals aangevuld bij beschikking van die rechtbank van 20 september 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 augustus 2018, zoals aangevuld bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 september 2018, heeft de moeder verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikkingen te vernietigen voor zover het betreft de aan de vader verleende vervangende toestemming om de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] met ingang van het schooljaar 2018/2019 in te schrijven op basisschool [basisschool 1] te [plaats 1] alsmede, uitvoerbaar bij voorraad, aan de moeder vervangende toestemming te verlenen die in de plaats komt van de door de vader te verlenen toestemming tot inschrijving van voormelde minderjarige op [basisschool 2] aan de [adres] te [plaats 2] .

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 september 2018, heeft de vader verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de moeder in hoger beroep af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Teusink;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Hendrikx-Heeren;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mr. [vertegenwoordiger van de raad] .

Als informant is gehoord de heer [huidige echtgenoot van de moeder] , de huidige echtgenoot van de moeder.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 30 maart 2018;

  • -

    het V-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder van 16 november 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 7 april 2014 tot 14 juli 2016.

Uit hun huwelijk is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit, die het hoofdverblijf bij de moeder heeft.

3.2.

De huidige zorgregeling, op basis van het door partijen gesloten en op 31 mei 2016 ondertekende convenant, houdt in dat [minderjarige] van maandag 12.00 uur tot woensdag 12.00 uur/13.00 uur bij de moeder verblijft, dan van woensdag 12.00 uur /13.00 uur tot vrijdag 15.00 uur bij de vader, dan van vrijdag 15.00 uur tot maandag 12.00 uur/13.00 uur bij de moeder, enzovoorts.

3.3.

Bij de bestreden beschikkingen heeft de rechtbank - voor zover in hoger beroep aan de orde - uitvoerbaar bij voorraad, vervangende toestemming aan de vader verleend om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [basisschool 1] te [plaats 1] en het verzoek van de moeder tot verlening van vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op [basisschool 2] te [plaats 2] afgewezen.

3.4.

De moeder kan zich met deze beschikkingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert, samengevat, het volgende aan.

De moeder is ten tijde van de echtscheiding in overleg met de vader naar [plaats 2] verhuisd. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij naar de basisschool gaat die is gelegen bij de ouder die de meeste zorg over hem heeft en dat is de moeder. [minderjarige] is al gewend in die omgeving en kent kinderen die ook naar die school gaan. De moeder betwist dat de vader minder gemakkelijk een substantieel deel van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] voor zijn rekening kan nemen wanneer [minderjarige] in [plaats 2] naar school gaat. De moeder stelt dat de vader in dat geval flexibeler kan omgaan met zijn werktijden en voorschoolse opvang in [plaats 2] kan regelen, nog daargelaten dat het feit dat eventueel gebruik gemaakt moet worden van de voorschoolse opvang geen argument is om [minderjarige] in [plaats 1] naar school te

laten gaan.

Ook het feit dat de zuster van de man zo nodig kan bijspringen in de opvang van [minderjarige] behoort geen argument te zijn, aldus de moeder.

De huidige situatie is niet goed uitvoerbaar voor de moeder. De moeder heeft een tweede kind gekregen, [tweede kind] . Het is niet in het belang van [tweede kind] dat zij met de moeder mee moet rijden in de auto bij het wegbrengen van [minderjarige] naar [plaats 1] en het daar weer ophalen van hem. [tweede kind] gaat binnenkort naar de voorschoolse opvang in [plaats 2] , waar zij om 9.00 uur in de ochtend aanwezig moet zijn. De moeder kan dan niet om 8.30 uur in [plaats 1] zijn. Indien de huidige situatie gehandhaafd blijft, zullen [minderjarige] en [tweede kind] in de toekomst op twee verschillende scholen zitten, hetgeen voor de moeder niet of nauwelijks uitvoerbaar is, te meer nu de moeder op termijn weer wil gaan werken. De huidige echtgenoot van de moeder heeft geen rijbewijs, zodat hij niet kan helpen bij het rijden naar en van [plaats 1] .

De communicatie tussen de ouders verloopt moeizaam.

3.6.

De vader voert, samengevat, het volgende aan.

De rechtbank heeft een goede beslissing genomen. Indien de moeder het in de huidige co-ouderschapsregeling te zwaar vindt om [minderjarige] naar de school in [plaats 1] te brengen en hem daar op te halen, is de vader bereid om meer zorgtaken op zich te nemen.

De ouders kunnen op zichzelf genomen goed met elkaar communiceren, behalve op het punt van de schoolkeuze en de zorgregeling. Partijen vinden van elkaar dat zij goede ouders zijn. [minderjarige] gaat sinds zes weken naar de basisschool in [plaats 1] . Het gaat goed met hem op school. Hij eet tussen de middag bij de vader op de dagen dat hij bij de vader is. De vader heeft in overleg met zijn werkgever zijn werktijden kunnen afstemmen op de schooltijden van [minderjarige] . Op woensdagmiddag gaat [minderjarige] naar de buitenschoolse opvang.

[minderjarige] is gewend aan de doordeweekse wisselingen. De vader is er voorstander van om de huidige zorgregeling in stand te laten. Hij wil geen weekendvader worden.

Indien [minderjarige] in [plaats 2] naar school zou gaan, zou de vader zijn werk niet kunnen combineren met het naar school brengen en van school ophalen van [minderjarige] .

De vader heeft een vriendin, maar hij is er nog niet aan toe om met haar te gaan samenwonen. In de toekomst zal de vader mogelijk ook voor de tweede keer vader worden. Hij belandt dan in dezelfde situatie als waarin de moeder zich thans bevindt in geval [minderjarige] naar de basisschool in [plaats 2] zou gaan.

3.7.

De raad heeft ter zitting - in het kort - het volgende verklaard.

De schoolkeuze is gekoppeld aan de zorgregeling. De raad is verbaasd over de huidige zorgregeling bij een afstand van ongeveer 25 km tussen de woonplaatsen van de ouders.

De ouders zouden er goed aan doen de schoolkeuze en de zorgregeling bij Juzt te bespreken. Voorlopig is het in het belang van [minderjarige] om hem op de school in [plaats 1] te laten.

3.8.

Het hof overweegt als volgt.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Conform vaste rechtspraak dient de rechter bij zijn beslissing in dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen.

3.8.2.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzoek van de vader tot vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [basisschool 1] te [plaats 1] dient te worden toegewezen en het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op [basisschool 2] te [plaats 2] dient te worden afgewezen.

Partijen zijn in het ouderschapsplan een coöuderschapsregeling overeengekomen waarbij ieder van hen [minderjarige] evenveel tijd bij zich heeft. Partijen hebben deze afspraak gemaakt op het moment dat de moeder al in [plaats 2] woonde, althans duidelijk was dat zij daar zou gaan wonen. Het hof neemt bij de beoordeling van de onderhavige verzoeken dan ook de huidige zorgregeling als uitgangspunt.

De moeder heeft momenteel geen betaald werk buitenshuis en zij heeft een partner. De vader heeft een baan en is alleenstaand. De vader heeft gesteld dat hij in de huidige situatie zijn werktijden heeft kunnen afstemmen op de schooltijden van [minderjarige] en dat hij zijn werk niet kan combineren met het naar school brengen en van school ophalen van [minderjarige] ingeval [minderjarige] naar de basisschool in [plaats 2] zou gaan. De moeder heeft deze stellingen van de vader in die zin weersproken dat de vader volgens haar flexibeler met zijn werktijden kan omgaan en voorschoolse opvang in [plaats 2] kan regelen. De stelling van de vader dat hij zijn werktijden niet zo kan aanpassen dat hij [minderjarige] op de dagen dat hij bij de vader is, niet zelf naar school kan brengen, komt het hof aannemelijk voor. Voorts staat blijkens de bestreden beschikking vast, dat de vader geen gebruik van de voorschoolse opvang hoeft te maken op dagen dat [minderjarige] bij hem is en naar [basisschool 1] in [plaats 1] gaat, in tegenstelling tot wanneer [minderjarige] naar de [basisschool 2] in [plaats 2] zal gaan.

Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van het hof de uitvoering van de huidige, door de ouders zelf afgesproken, zorgregeling het meest gewaarborgd indien [minderjarige] naar de basisschool in [plaats 1] gaat.

Hierbij komt dat naar het oordeel van het hof niet is gebleken dat andere belangen van [minderjarige] zich verzetten tegen een keuze voor de huidige basisschool in [plaats 1] . De vader heeft onweersproken verklaard dat het met [minderjarige] goed gaat op school.

Het argument van de moeder dat [minderjarige] naar de school dient te gaan die is gelegen bij de ouder die de meeste zorg over hem heeft snijdt geen hout, nu sprake is van een situatie van bij helfte gedeelde zorg voor [minderjarige] (co-ouderschap).

Op grond van het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat het belang van de vader en [minderjarige] om hem in te schrijven op de basisschool in [plaats 1] op dit moment zwaarder weegt dan het belang van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op een basisschool te [plaats 2] . De door de moeder geschetste belemmeringen die zij ervaart bij het wegbrengen en halen van [minderjarige] naar de school in [plaats 1] , zijn begrijpelijk maar wegen niet op tegen de daartegenover staande belangen van de vader en [minderjarige] .

3.9.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikkingen waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 augustus 2018 en van 20 september 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, C.N.M. Antens en A.J.F. Manders en is op 20 december 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.