Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:530

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
10-01-2019
Zaaknummer
200.215.380_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:4804
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:50
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht; WWZ

deskundigenonderzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 8 februari 2018

Zaaknummer : 200.215.380/01

Zaaknummer eerste aanleg : 5642870 AZ VERZ 17-4

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verblijvende te [verblijfplaats] (Spanje),

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. I.M. van den Heuvel te Roosendaal,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon De Gemeenschappelijke Regeling WVS-Groep,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerder,

hierna aan te duiden als WVS-Groep,

advocaat: mr. B.I. van Vugt te Roosendaal,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenbeschikking van 9 november 2017 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom gewezen beschikking van 6 maart 2017.

5 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de fax van WVS-Groep, ingekomen ter griffie op 5 december 2017;

- het V8-formulier met bijgevoegde akte van [appellante] , ingekomen ter griffie op 6 december 2017.

6 De verdere beoordeling

6.1.

In de tussenbeschikking van 9 november 2017 heeft het hof overwogen voornemens te zijn een deskundigenonderzoek te gelasten om vast te stellen of [appellante] op 23 november 2016 en/of in de periode van 27 juni 2016 tot 23 november 2016 arbeidsongeschikt was voor de werkzaamheden bij Forever Direct. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het aantal, de deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - de persoon van de te benoemen deskundigen en te reageren op de concept-vraagstellingen. Voorts heeft het hof partijen verzocht een eventuele uitspraak op het beroep in de WIA-procedure aan het hof toe te zenden en daarbij aan te geven of deze beslissing als alternatief kan dienen voor een deskundigenonderzoek.

6.2.

[appellante] heeft het hof bericht dat er nog geen uitspraak is op het beroep in de WIA-procedure en dat niet bekend is wanneer deze verwacht kan worden. Voorts is zij van mening dat deze uitspraak niet als alternatief voor een deskundigenonderzoek kan dienen.
Gelet op het voorgaande zal het hof in de onderhavige beschikking een deskundigenonderzoek gelasten. Wel verzoekt het hof partijen de uitspraak op het beroep in de WIA-procedure te zijner tijd over te leggen tegelijk met hun memorie respectievelijk antwoordmemorie na deskundigenbericht.

6.3.

Partijen hebben ingestemd met, dan wel geen bezwaar gemaakt tegen, de benoeming van een psychiater en neuroloog als deskundigen. WVS-Groep wenst dat daarnaast tevens een bedrijfsarts of verzekeringsarts als deskundige wordt benoemd. Het hof ziet hier op dit moment geen aanleiding voor. Wel zal het hof de deskundigen als extra vraag voorleggen of zij van mening zijn dat voor de beantwoording van vraag 4, 5 en 6 onderzoek door een andere deskundige nodig is en zo ja welke. Na de deskundigenrapporten zal het hof bekijken of een aanvullend deskundigenonderzoek, bijvoorbeeld door een arbeidsdeskundige, nodig is.

6.4.

WVS-Groep heeft twee psychiaters voorgesteld en daarnaast de deskundigen van het DC Expertise Centrum te [vestigingsplaats] . [appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen de twee voorgestelde psychiaters en tegen de benoeming van een organisatie als deskundige. Voorts verzoekt zij geen deskundige te benoemen uit West-Brabant, gelet op het werkgebied van WVS-Groep.
Het hof heeft besloten de volgende deskundigen te benoemen:

- dhr. dr. F.B. van der Wurff, psychiater, verbonden aan het DC ExpertiseCentrum te
[kantoorplaats] ;

- dhr. drs. J.O. Misperblom Beijer, neuroloog n.p., verbonden aan het DC
ExpertiseCentrum te [kantoorplaats] .

6.5.

[appellante] heeft verzocht een extra vraag aan de deskundigen te stellen voor het geval de vragen 4, 5 en 6 met nee beantwoord worden. Deze vraag kan als volgt worden samengevat: Zou het werken bij VWS-Groep of het hervatten van werk bij VWS-Groep door [appellante] in de referentieperiode opnieuw tot uitval wegens ziekte en schade aan de gezondheid van [appellante] hebben geleid?
Gelet op de stellingen van [appellante] in deze procedure en de vragen die reeds aan de deskundigen worden gesteld, ziet het hof geen aanleiding de door [appellante] voorgestelde vraag toe te voegen. Het hof zal aan beide deskundigen de volgende vragen voorleggen:

1) Welke aandoeningen kunt u bij [appellante] diagnosticeren op uw vakgebied?

2) In hoeverre is aannemelijk dat [appellante] deze of andere aandoeningen op uw vakgebied had
in de periode van 27 juni 2016 tot 23 november 2016?

3) In hoeverre wijkt uw diagnose af van de diagnoses van psychiater [psychiater 1] en Dr.
[psychiater 2] ?

4) Wordt/werd [appellante] door haar aandoeningen belemmerd in het verrichten van licht
administratieve werkzaamheden en andere ongecompliceerde werkzaamheden,

waaronder in-en ompakwerkzaamheden en zo ja, in hoeverre?
5) Wordt/werd [appellante] door haar aandoeningen belemmerd in Nederland werkzaamheden te
verrichten?

6) Wordt uw antwoord op vraag 4 en 5 anders indien u kijkt naar de combinatie van de
aandoeningen en beperkingen van [appellante] ? Het hof verzoekt u voor de beantwoording van
deze vraag in overleg te treden met de andere deskundige.

7) Bent u van mening dat voor de beantwoording van vraag 4, 5 en 6 onderzoek door
een andere deskundige dan de reeds door het hof benoemde deskundigen nodig is en zo
ja welke?

8) Heeft u andere bevindingen of opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof
daarvan kennis neemt?

6.6.

De deskundigen wordt gewezen op het in artikel 7:464 lid 2 aanhef en onder sub b BW neergelegde inzage- en blokkeringsrecht van [appellante] . Dit recht houdt in dat zij [appellante] in de gelegenheid moeten stellen mede te delen of zij de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenst te vernemen en zo ja, of zij daarvan als eerste kennis wenst te nemen teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan. De deskundigen wordt verzocht in hun rapport te vermelden of, en zo ja op welke wijze, zij aan deze verplichting hebben voldaan.
Voor de goede orde wijst het hof erop dat het krachtens het bepaalde in artikel 198 lid 3 jo. 284 jo. 362 Rv uit een gebrek aan medewerking van één van partijen de gevolgtrekking kan maken die het geraden acht.

6.7.

Voor de volledigheid wijst het hof er voorts op dat gegevens die door de ene partij aan de deskundige worden verschaft, tegelijkertijd in afschrift of ter inzage worden verstrekt aan de wederpartij. Dit geldt echter niet onverkort voor medische gegevens die aan de deskundige worden verstrekt door de partij die eventueel gebruik kan maken van het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2, aanhef en onder b, BW. Deze partij is, met het oog op de eventuele uitoefening van haar blokkeringsrecht, in beginsel niet verplicht de door haar aan de deskundige verschafte medische gegevens tegelijkertijd aan de wederpartij in afschrift of ter inzage te verstrekken.

Indien de partij die het genoemde blokkeringsrecht heeft, van dit recht geen gebruik maakt en het deskundigenbericht ter beschikking van de wederpartij wordt gesteld, dan is eerstgenoemde partij, indien de wederpartij het verlangt of op bevel van de rechter, alsnog verplicht alle door haar aan de deskundige verschafte medische gegevens aan de wederpartij in afschrift of ter inzage te verstrekken. Weigert zij dit te doen, zonder dat zij daartoe gewichtige redenen als bedoeld in artikel 22 Rv heeft aangevoerd welke door het hof gegrond zijn geoordeeld, dan zal het hof uit die weigering de gevolgtrekking kunnen maken die hij geraden acht.

6.8.

Het hof bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundigen op het door de deskundigen begrote bedrag van € 4.216,85 inclusief btw voor Van der Wurff en € 4.216,85 inclusief btw, in totaal € 8.433,70. Het hof zal het voorschot ten laste van WVS-Groep brengen. Het hof verwijst naar r.o. 3.18. van zijn tussenbeschikking van 9 november 2017.
Indien één van de deskundigen voorziet dat de kosten hoger gaan uitvallen dan het begrote bedrag dient daartoe vooraf, met begroting van de meerkosten, schriftelijk toestemming van het hof te worden verkregen.
In de eindbeschikking zal een definitieve beslissing worden genomen over de betaling van de kosten van de deskundigen.

6.9.

In afwachting van de deskundigenberichten wordt iedere beslissing aangehouden.

7 De beslissing

Het hof:

7.1.

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 6.5. van
deze beschikking geformuleerde vragen;

7.2.

benoemt tot deskundigen ter beantwoording van deze vragen:
dhr. dr. F.B. van der Wurff, psychiater
en
dhr. drs. J.O. Misperblom Beijer, neuroloog n.p.
beiden verbonden aan het DC ExpertiseCentrum
[adres]
[postcode] [kantoorplaats]
telefoonnummer [telefoonnummer] ;

7.3.

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking en de tussenbeschikking van 9 november 2017 aan de deskundigen toezendt;
bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van deze beschikking (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundigen ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

7.4.

bepaalt dat de deskundigen eerst met het onderzoek beginnen nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;
bepaalt dat de deskundigen bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundigen moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;
verzoekt de deskundigen een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;
bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;
wijst de deskundigen en partijen op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 6.6. en 6.7. is overwogen met betrekking tot het inzage- en blokkeringsrecht;
bepaalt dat de deskundigen in hun rapporten aangeven welke medische gegevens zij hebben ontvangen, waaronder ook die welke zij weliswaar hebben ontvangen maar niet aan hun deskundig oordeel ten grondslag hebben gelegd;
bepaalt dat de deskundigen in hun rapporten vermelden of en zo ja op welke wijze zij hebben voldaan aan hun verplichting om [appellante] in de gelegenheid te stellen mede te delen of zij van haar inzage- en blokkeringsrecht gebruik wenste te maken;

7.5.

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundigen op het door de deskundigen begrote bedrag van € 4.216,85 inclusief btw voor Van der Wurff en € 4.216,85 inclusief btw, in totaal € 8.433,70, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;
bepaalt dat WVS-Groep genoemd voorschot ad € 8.433,70 zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;
verzoekt de deskundigen, indien hun kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten (zie rechtsoverweging 6.8.);

7.6.

benoemt mr. P.P.M. Rousseau tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundigen zich, door tussenkomst van de griffier (het Bureau Deskundigen van dit hof) dienen te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

7.7.

bepaalt dat na het uitbrengen van beide deskundigenberichten partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld op de deskundigenberichten te reageren;

7.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. Rousseau, H.AE. Uniken Venema en E.F.A. van Buitenen en is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2018.