Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:5183

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-12-2018
Datum publicatie
14-12-2018
Zaaknummer
200.220.427_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:3939, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop paard met clausule dat het binnen zes maanden mag worden geruild. Koper paard vordert vervangende schadevergoeding van verkoper ter hoogte van de koopsom op de grond dat verkoper in strijd met gemaakte afspraken geen vervangend paard heeft geleverd. Verkoper verweert zich met de stelling dat het paard nooit aan haar terug is geleverd. Het hof verwerpt de stellingen van verkoper. Bewijslevering niet aan de orde. Geen veroordeling in de volledige proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.220.427/01

arrest van 11 december 2018

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. S.A. Wensing te Coevorden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , (Groot Brittannië),

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.A.J. Brouwers te Oisterwijk,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 1 mei 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 5564837/CV EXPL 16-11559 gewezen vonnis van 3 mei 2017.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 1 mei 2018 waarbij het hof een pleidooi heeft gelast;

- het pleidooi op 22 november 2018, waarbij [geïntimeerde] een pleitnota heeft overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

6.1.2.

Op of omstreeks 9 februari 2016 heeft [geïntimeerde] van [appellante] het paard [paard] (hierna: het paard) gekocht voor een koopsom van € 15.000,00. [appellante] heeft het paard geleverd aan [geïntimeerde] . Partijen hebben daarnaast afgesproken dat het paard binnen 6 maanden na datum factuur geruild mag worden als het paard [geïntimeerde] om enige reden niet bevalt.

6.1.3.

Bij e-mail van 22 juli 2016, dus binnen de afgesproken ruiltermijn, heeft [geïntimeerde] aan [appellante] laten weten dat en waarom het paard haar niet bevalt en dat zij het daarom wil ruilen. [geïntimeerde] heeft deze e-mail verstuurd aan [bestuurder van appellante] (hierna: [bestuurder van appellante] ). [bestuurder van appellante] is bestuurder van [appellante] . Het gebruikte e-mailadres was ‘ [e-mailadres] . [de vennootschap 2] is enig aandeelhouder van [appellante] . [geïntimeerde] heeft in die e-mail ook aangeboden om ‘ [voornaam betrokkene] ’ (hof: [betrokkene] van [transportbedrijf] ; rov.6.1.8) te vragen het transport van het paard te verzorgen. Zij heeft verder gevraagd om haar te laten weten wanneer het zou schikken dat zij komt om een ander paard uit te zoeken.

6.1.4.

Nadat [geïntimeerde] op 29 juli 2016 had gerappelleerd heeft [bestuurder van appellante] haar diezelfde dag laten weten dat [appellante] akkoord is met het ruilen van het paard en dat het paard pas terug kan worden ontvangen als het virusvrij is.

6.1.5.

Bij e-mailbericht van 1 augustus 2016 met als bijlage een afschrift van een bloedonderzoek heeft [geïntimeerde] aan [bestuurder van appellante] bericht dat het paard virusvrij is.

6.1.6.

Op 3 augustus 2016 heeft [geïntimeerde] per e-mail aan [bestuurder van appellante] gevraagd of zij het transport voor het paard moet gaan regelen. Bij e-mail van 8 augustus 2016 heeft [geïntimeerde] geschreven:

Hi [voornaam bestuurder van appellante] ( hof: [bestuurder van appellante] )

Understand you are busy but am wanting to sort out [paard] return to you sooner rather than later and sort out a replacement – or if it is easier for you a refund – I can speak to [voornaam betrokkene] today re the earliest transport back to you (…)

6.1.7.

In reactie daarop heeft [appellante] bij e-mail van 12 augustus 2016 aan [geïntimeerde] laten weten dat het paard op 19 of 20 augustus 2016 afgeleverd mag worden en dat [geïntimeerde] na 22 augustus 2016 een nieuw paard kan komen uitzoeken. Hierop laat [geïntimeerde] weten dat zij transport gaat regelen.

6.1.8.

Diezelfde dag, 12 augustus 2016, vraagt [geïntimeerde] per whatsapp aan [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ), toen samen met [bestuurder van appellante] eigenaar van het transportbedrijf [transportbedrijf] (hierna: [transportbedrijf] ):

Hi [voornaam betrokkene] , I need to arrange for my mare to go back to [voornaam bestuurder van appellante] do you have availability from 19/20th August to take her?

Na enige correspondentie tussen [geïntimeerde] en [betrokkene] heeft laatstgenoemde aan [geïntimeerde] bericht dat het paard op 2 september 2016 zal worden opgehaald.

6.1.9.

Op 30 augustus 2016 heeft [geïntimeerde] aan [bestuurder van appellante] laten weten dat het paard ‘on Thursday’ (hof: 1 september 2016) zal worden opgehaald voor transport en vraagt zij wanneer zij kan komen voor het uitzoeken van een nieuw paard.

6.1.10.

Op 2 september 2016 wordt het paard bij [geïntimeerde] opgehaald voor transport. Dat gebeurt door [derde 1] , die ten behoeve van de vader van [geïntimeerde] ( [geïntimeerde] zelf is op dat moment afwezig) en na telefonisch contact met [betrokkene] schriftelijk bevestigt dat zij het paard ophaalt. [geïntimeerde] en [betrokkene] hebben daarover contact via whatsapp. [betrokkene] bevestigt dat het paard onderweg is (“Yes it is arranged now She is on her way”). Enkele dagen later informeert [geïntimeerde] bij [transportbedrijf] of het paard goed in Nederland is aangekomen, waarop [transportbedrijf] terug schrijft “yes of course”.

6.1.11.

Op 5 september 2016 heeft [geïntimeerde] opnieuw per e-mail aan [bestuurder van appellante] gevraagd wanneer zij een ander paard kan komen uitzoeken.

Op 15 september 2016 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] bericht dat zij een paard kan komen uitzoeken.

6.1.12.

Op 19 september 2016 heeft [geïntimeerde] per whatsapp aan [appellante] laten weten dat zij na 3 oktober 2016 naar Nederland kan komen voor het uitzoeken van een nieuw paard. Daarbij vraagt zij aan [appellante] om ter voorbereiding daarvan aan haar video’s te sturen van beschikbare paarden. In antwoord daarop heeft [appellante] laten weten de gevraagde video’s naar [geïntimeerde] te zullen sturen, dat het tussen 3 oktober tot en met 5 oktober 2016 erg druk is maar niet onmogelijk om een afspraak te maken. In reactie daarop heeft [geïntimeerde] laten weten dat zij vanaf 3 oktober tot 11 oktober 2016 beschikbaar is voor een bezoek aan [appellante] .

6.1.13.

[appellante] heeft hierop niet meer gereageerd. [geïntimeerde] heeft diverse malen tevergeefs getracht [appellante] / [bestuurder van appellante] telefonisch te bereiken om een afspraak te maken.

6.1.14.

Bij brief van 18 oktober 2016 hebben de gemachtigden van [geïntimeerde] [appellante] gesommeerd om een geschikt vervangend paard te leveren of om de koopsom van

€ 15.000,00 terug te betalen. [appellante] heeft hierop evenmin gereageerd.

6.1.15.

Nadat [geïntimeerde] [appellante] op 23 november 2016 had gedagvaard, ontving zij op 1 december 2016 een e-mail van [derde 2] (hierna: [derde 2] ). Daarin schrijft hij dat hij een factuur aan het maken is voor de verkoop van het paard en verzoekt hij [geïntimeerde] om de factuur te controleren en om aan hem het paspoortnummer van het paard door te geven. Op diezelfde datum hebben de gemachtigden van [geïntimeerde] aan [derde 2] laten weten dat [geïntimeerde] in september 2016 het paard heeft terug geleverd aan [appellante] , dat zij niet meer de eigenaresse van het paard is en dat zij niets te maken wil hebben met de verkoop van het paard.

6.1.16.

Hierop heeft [derde 2] niet inhoudelijk gereageerd. In plaats daarvan heeft hij [geïntimeerde] op 2 december 2016 bericht dat hij het paspoortnummer van het paard heeft gekregen en dat een bedrag van £ 11.586,00 is overgemaakt op het rekeningnummer van [geïntimeerde] .

6.1.17.

Bij brief van 5 december 2016 hebben de gemachtigden van [geïntimeerde] aan onder meer [appellante] en [derde 2] laten weten dat [geïntimeerde] niet akkoord gaat met de concept factuur en dat het door [geïntimeerde] ontvangen bedrag van £ 11.586,00 (€ 13.791,--) gezien wordt als een deelbetaling op de vordering die [geïntimeerde] heeft op [appellante] . Vervolgens heeft [geïntimeerde] haar eis dienovereenkomstig verminderd.

De procedure bij de kantonrechter

6.2.1.

In deze procedure vordert [geïntimeerde] na vermindering van eis – samengevat – veroordeling van [appellante] tot betaling van € 1.209,00 aan vervangende schadevergoeding

(€ 15.000.—minus € 13.791,--) en € 1.125,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente en kosten.

6.2.2.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellante] is tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst op grond waarvan zij verplicht was om aan [geïntimeerde] een vervangend paard te leveren. In plaats van nakoming van de overeenkomst vordert [geïntimeerde] vervangende schadevergoeding.

6.2.3.

[appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.2.4.

Na een daartoe gegeven rolbeslissing heeft de kantonrechter op 30 maart 2017 een comparitie van partijen gehouden. Die rolbeslissing en het proces-verbaal van de comparitie bevinden zich niet bij de stukken.

6.2.5.

In het bestreden eindvonnis van 3 mei 2017 heeft de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

De kantonrechter oordeelde daartoe, samengevat, als volgt. [geïntimeerde] heeft voldaan aan haar verplichting om het paard terug te leveren aan [appellante] (4.2).

In de berichtgeving van [appellante] na 2 september 2016 waarin zij correspondeert met [geïntimeerde] omtrent het uitzoeken naar een nieuw paard vraagt [appellante] niet naar het paard. Dat is volgens de kantonrechter vreemd, omdat [geïntimeerde] pas een nieuw paard zou uitzoeken als zij het (eerder door haar gekochte) paard zou hebben terug geleverd. Bovendien wist [appellante] dat het paard op 2 september 2016 op transport zou worden gezet. Ook tijdens de comparitiezitting heeft [appellante] geen sluitende verklaring kunnen geven voor het feit dat zij nooit bij [geïntimeerde] heeft geïnformeerd waarom het paard nog niet was terug geleverd, aldus de kantonrechter (4.4).

Verder heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat [appellante] niet op de sommatiebrieven van de gemachtigden van [geïntimeerde] heeft gereageerd (4.5) en dat het door [appellante] bij conclusie van antwoord d.d. 1 februari 2017 ingenomen standpunt (het paard zou volledig uit het gezichtsveld van [appellante] zijn verdwenen) haaks staat op de tijdens de zitting van 30 maart 2017 ingenomen stelling dat het paard in Engeland was doorverkocht door [trainer] met instemming van [geïntimeerde] , hetgeen bleek uit een (reeds) op 5 januari 2017 gedateerde schriftelijke verklaring van deze [trainer] (4.6).

[appellante] heeft daarom de stelling van [geïntimeerde] dat zij het paard heeft terug geleverd onvoldoende gemotiveerd weersproken, aldus de kantonrechter (4.7).

Hoger beroep

6.3.1.

[geïntimeerde] woont in Groot Brittannië. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten. Partijen hebben niets gesteld omtrent de bevoegdheid van de rechter noch omtrent het toepasselijke recht. De kantonrechter heeft daar evenmin een overweging aan gewijd.

Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter zich terecht bevoegd geacht nu [appellante] in [vestigingsplaats] is gevestigd. Het hof is als appelrechter in het hoger beroep tegen het door de kantonrechter gewezen vonnis ook bevoegd.

Verder past het hof Nederlands recht toe, nu partijen blijkens hun stellingen steeds aansluiting hebben gezocht bij het Nederlandse recht.

6.3.2.

[appellante] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

De eerste vier grieven zijn gericht tegen de hiervoor (rov. 6.2.5) kort weergegeven oordelen van de kantonrechter in diens rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.6. De vijfde grief is gericht tegen de toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] . Deze grief heeft geen zelfstandige betekenis.

6.3.3.

Het hof ziet aanleiding de grieven 1 tot en met 4 gezamenlijk te behandelen.

6.3.4.

[appellante] heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] het paard nooit aan [appellante] heeft terug geleverd. Volgens [appellante] is het paard in Engeland met instemming van [geïntimeerde] verkocht. Zij wijst op een tijdens de comparitie bij de kantonrechter overgelegde verklaring van [trainer] (hierna: [trainer] ), waarin [trainer] verklaart dat hij rond 1 of 2 september 2016 aan [transportbedrijf] opdracht heeft gegeven het paard naar zijn ‘facility’ in [plaats] te transporteren en dat het paard met instemming van [geïntimeerde] is verkocht. Verder is het juist [geïntimeerde] die na de whatsapp correspondentie over een bezoek van haar aan [appellante] in oktober 2016 niets meer van zich heeft laten horen. [appellante] heeft nooit de omruil afspraak tegen gewerkt. Tot haar grote verbazing is het paard nooit aan haar terug geleverd en heeft [geïntimeerde] het paard op 2 september 2016 aan een ander geleverd. De door [geïntimeerde] overgelegde verklaring van [derde 1] noch het transportcertificaat bewijzen dat het paard aan [appellante] is terug geleverd. [geïntimeerde] verkeert in schuldeisersverzuim omdat zij [appellante] niet in de gelegenheid heeft gesteld om het paard te ruilen en [appellante] is niet gehouden enig nadeel aan [geïntimeerde] te vergoeden. [appellante] is niet bekend met [derde 1] , zij is geen werknemer van [appellante] , noch van Stal [stal] en daarom niet bevoegd voor ontvangst te tekenen. [geïntimeerde] diende het paard terug te leveren aan [appellante] , niet aan Stal [stal] . [appellante] hoefde niet te informeren waar het paard bleef en evenmin op sommaties te reageren. Het was aan [geïntimeerde] om te bewijzen dat het paard aan [appellante] is terug geleverd, aldus [appellante] .

6.3.5.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij het paard wel degelijk aan [appellante] heeft terug geleverd. Zij heeft verwezen naar diverse (hiervoor aangehaalde) correspondentie, naar een transportcertificaat en naar uittreksels uit de Kamer van Koophandel betreffende [appellante] , Stal [stal] en [transportbedrijf] .

6.3.6.

Het hof oordeelt als volgt.

[appellante] wijst er terecht op dat [geïntimeerde] de stelplicht en bewijslast draagt ten aanzien van de door [geïntimeerde] gestelde toerekenbare tekortkoming van [appellante] . [appellante] heeft betwist dat zij toerekenbaar tekort is geschoten en daartoe aangevoerd dat [geïntimeerde] het paard nooit aan [appellante] heeft terug geleverd. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] voldoende gesteld omtrent die teruglevering en heeft [appellante] dat onvoldoende gemotiveerd weersproken. Het hof komt tot dit oordeel op de volgende, in onderlinge samenhang te beschouwen gronden.

6.3.7.

Uit het hiervoor onder rov. 6.1.2. e.v. opgenomen feitenrelaas blijkt genoegzaam dat [geïntimeerde] transport van het paard op 2 september 2016 terug naar Nederland had geregeld. Zij heeft vooraf aan [appellante] laten weten dat en wanneer dat transport zou plaatsvinden en dat zij dat met [betrokkene] van [transportbedrijf] (van welk bedrijf [betrokkene] en [bestuurder van appellante] eigenaar waren) had geregeld. [transportbedrijf] was evenals [appellante] en evenals Stal [stal] gevestigd aan de [adres] in [vestigingsplaats] . [geïntimeerde] heeft van [betrokkene] de bevestiging gekregen dat het paard ‘on her way’ was en later dat het paard goed was aangekomen in Nederland. Die bevestigingen aan [geïntimeerde] zijn niet door [appellante] betwist.

6.3.8.

[geïntimeerde] heeft een Europees transport certificaat overgelegd waarop is vermeld dat het paard op 1 september 2016 door [transportbedrijf] zou worden getransporteerd naar Stal [stal] , [adres] in [vestigingsplaats] . Het hof volgt [appellante] niet in haar niet onderbouwde stelling dat dit een gezondheidscertificaat betreft. Verder brengt het feit dat als ontvanger Stal [stal] wordt vermeld niet mee dat dit certificaat geen aanwijzing kan zijn voor de juistheid van de stelling van [geïntimeerde] dat zij het paard aan [appellante] heeft terug geleverd. Het adres van Stal [stal] is immers hetzelfde als dat van [appellante] , [appellante] is enig aandeelhouder en bestuurder van Stal [stal] en [bestuurder van appellante] is bestuurder van [appellante] . Verder is de hiervoor onder rov. 6.1.2. e.v. genoemde correspondentie naar en vanaf verschillende e-mailadressen gevoerd waaronder het e-mailadres van Stal [stal] en is de op 15 september 2016 gestuurde e-mail waarbij [geïntimeerde] wordt bericht dat zij een paard kan komen uitzoeken ondertekend door ‘ [stal] ’ In haar appeldagvaarding (randnummer 14) refereert [appellante] aan die mail als afkomstig van [appellante] . [appellante] heeft bij pleidooi bij het hof aangevoerd dat de vennootschapsrechtelijke relatie niet relevant is, maar zij heeft dat standpunt niet onderbouwd. Het hof gaat daarom aan deze stelling van [appellante] voorbij.

6.3.9.

Het hof gaat ook voorbij aan de stelling van [appellante] dat [derde 1] niet bevoegd was om op 2 september 2016 te tekenen voor ontvangst van het paard. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord en tijdens het pleidooi bij het hof toegelicht dat [derde 1] namens [betrokkene] het paard kwam halen, dat zijzelf toen niet aanwezig was, dat haar wel aanwezige vader wilde weten of hij het paard aan [derde 1] kon meegeven en dat [derde 1] daarom na telefonisch contact met [betrokkene] schriftelijk heeft bevestigd het paard ten behoeve van Stal [stal] op te halen. [appellante] heeft deze gang van zaken niet betwist.

6.3.10.

Indien het paard niet terug geleverd zou zijn aan [appellante] roept het vragen op dat [appellante] met [geïntimeerde] correspondeert omtrent het uitzoeken van een ander paard in oktober 2016 en niet aan [geïntimeerde] bericht dat zij het paard niet terug heeft ontvangen. Dat klemt te meer nu [appellante] wist dat [geïntimeerde] met [betrokkene] transport naar Nederland had geregeld op 2 september 2016. Ook roept het vragen op dat [appellante] niet op de sommatiebrieven van de gemachtigden van [geïntimeerde] heeft gereageerd, dat [geïntimeerde] na het uitbrengen van de dagvaarding aan [appellante] een bedrag in verband met verkoop van het paard op haar rekening gestort heeft gekregen en dat [appellante] pas tijdens de door [geïntimeerde] aangespannen procedure het standpunt heeft ingenomen dat zij het paard nooit terug geleverd heeft gekregen. Voor deze gang van zaken heeft [appellante] geen verklaring gegeven.

6.3.11.

[appellante] heeft evenmin duidelijk gemaakt waarom zij bij conclusie van antwoord stelde dat het paard volledig uit haar gezichtsveld is verdwenen en tijdens de comparitie bij de kantonrechter aanvoerde dat het paard met instemming van [geïntimeerde] door [trainer] was verkocht. [appellante] heeft niet duidelijk gemaakt waarom zij dat pas later te weten is gekomen en evenmin hoe. Zij blijft daarin vaag (randnummer 37 appeldagvaarding: “(…) is ermee bekend geworden dat het paard is verkocht. Bij navraag heeft [trainer] de verklaring opgemaakt (…)”). Bovendien legt [appellante] niet uit hoe zich dat verhoudt tot het feit dat de datum van die verklaring (5 januari 2017) dateert van vóór de conclusie van antwoord van [appellante] (1 februari 2017).

6.3.12.

[appellante] heeft niet betwist dat [geïntimeerde] na de correspondentie omtrent een afspraak voor een datum waarop [geïntimeerde] een nieuw paard zou kunnen komen uitzoeken herhaaldelijk tevergeefs heeft getracht [bestuurder van appellante] telefonisch te bereiken. Het hof gaat dan ook voorbij aan de niet onderbouwde stelling van [appellante] dat het juist [geïntimeerde] was die niets meer van zich heeft laten horen. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking de hiervoor onder rov. 6.1.2. e.v. aangehaalde correspondentie waaruit blijkt dat het steeds [geïntimeerde] is geweest die bij [appellante] aandrong op afspraken omtrent terug levering van het paard en het komen uitzoeken van een ander paard.

6.3.13.

De door [appellante] tijdens de comparitie bij de kantonrechter overgelegde verklaring van [trainer] van 5 januari 2017, waarin [trainer] verklaart dat hij rond 1 of 2 september 2016 aan [transportbedrijf] opdracht heeft gegeven het paard naar zijn ‘facility’ in [plaats] te transporteren en dat het paard met instemming van [geïntimeerde] is verkocht, leidt niet tot een ander oordeel. De hiervoor onder rov. 6.1.2 en verder genoemde correspondentie is daarmee in strijd en [appellante] heeft die tegenstrijdigheid niet verklaard. Bovendien is de verklaring in strijd met een door [geïntimeerde] overgelegd whatsapp bericht van [trainer] aan haar van 7 september 2016, waarin [trainer] onder meer schrijft:

(…) I’m sure you’ll find out, but randomly whilst I was away I had a horse turn up from [voornaam bestuurder van appellante] to ride etc! It is [naam] (…). Just wanted you to know from me before any gossip starts! (…)

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord aangevoerd dat [appellante] heel goed wist waar het paard was omdat het blijkens genoemd whatsapp bericht kennelijk door [bestuurder van appellante] bij [trainer] was gestald. Tijdens het pleidooi bij het hof heeft [geïntimeerde] verklaard dat [trainer] haar trainer is, dat zij het paard “ [naam] ” heeft genoemd en dat [trainer] dat wist. [appellante] heeft een en ander niet betwist.

6.3.14.

Indien het feitelijk zo is gegaan dat het paard begin september 2016 bij [trainer] is afgeleverd, later in Engeland is verkocht en nooit naar [appellante] in [vestigingsplaats] is gebracht, moet het er op grond van de hiervoor onder rov. 6.1.2. e.v. genoemde en de daarna besproken feiten en omstandigheden voor worden gehouden dat dat dan zonder medeweten en instemming van [geïntimeerde] en op instigatie van dan wel met medeweten en instemming van [bestuurder van appellante] is gebeurd. Dat levert geen toerekenbare tekortkoming van [geïntimeerde] op. Wel van [appellante] , nu zij geen ander paard aan [geïntimeerde] heeft geleverd en evenmin de koopsom van € 15.000 aan [geïntimeerde] heeft geretourneerd.

6.3.15.

Gelet op het voorgaande heeft [geïntimeerde] het verweer van [appellante] dat het paard nooit aan haar is geleverd, voldoende onderbouwd bestreden en is in het licht daarvan het verweer van [appellante] onvoldoende gemotiveerd. Bewijslevering is dan ook niet aan de orde.

Ten overvloede overweegt het hof nog dat niet duidelijk is welk juridisch gevolg [appellante] verbindt aan haar verweer dat, kort gezegd, [geïntimeerde] wanprestatie heeft gepleegd door het paard niet te retourneren.Dat enkele feit zou er nog immers niet toe leiden dat [appellante] harerzijds de overeenkomst niet hoeft na te komen.

6.3.16.

De grieven slagen niet.

Proceskosten

6.4.1.

[geïntimeerde] heeft veroordeling van [appellante] in de volledige proceskosten gevorderd. Daartoe heeft zij aangevoerd dat [appellante] ongeloofwaardige stellingen heeft aangevoerd, een gemanipuleerd stuk (de verklaring van [trainer] van 5 januari 2017) heeft overgelegd en haar hoger beroep baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kent dan wel moest kennen en op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.

6.4.2.

Hoewel aan [geïntimeerde] kan worden toegegeven dat het door [appellante] ingenomen standpunt minst genomen vraagtekens oproept is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan dat zij misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure ( [geïntimeerde] acht dit van overeenkomstige toepassing op het instellen van hoger beroep) past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.

[geïntimeerde] heeft een vordering tegen [appellante] ingesteld. [appellante] is in beginsel vrij in haar verweer daartegen. Dat de verklaring van [trainer] van 5 januari 2017 gemanipuleerd is staat niet vast.

Na een veroordelend vonnis staat het een gedaagde vrij daarvan in hoger beroep te gaan. Dat het daarbij door [appellante] ingenomen standpunt weinig overtuigend is en mogelijk tegen beter weten in is ingenomen is op zichzelf genomen onvoldoende om een uitzondering te maken op het uitgangspunt van begroting van proceskosten op basis van het liquidatietarief.

6.4.3.

Overigens volgt het hof [appellante] niet in haar tijdens het pleidooi bij het hof gevoerde verweer dat het juist [geïntimeerde] is die in strijd met artikel 21 Rv heeft gehandeld, door ten tijde van het aanbrengen van de zaak geen melding te maken van de verkoop van het paard en de ontvangst door haar van de verkoopopbrengst. Vaststaat dat pas nadat [appellante] was gedagvaard, [geïntimeerde] bericht kreeg van [derde 2] en daarna het bedrag van £ 11.586,00 op haar rekening gestort kreeg en dat zij vervolgens (en voordat [appellante] voor antwoord had geconcludeerd) bij akte van die gang van zaken melding heeft gemaakt en haar eis heeft verminderd.

Slotsom

6.5.

De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 313,-- aan griffierecht en op € 2.277,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Wabeke, C.W.T. Vriezen en G.J.S. Bouwens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 december 2018.

griffier rolraadsheer