Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:516

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
15/00486, 15/00487 en 15/00488
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:701, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Evenals de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de aanslagen en beschikkingen (mbt de IB/PVV 2007 tot en met 2009) bevoegdelijk zijn vastgesteld, dat de uitspraken op bezwaar bevoegdelijk zijn gedaan en dat de Inspecteur ter zittingen van de Rechtbank bevoegdelijk is vertegenwoordigd. Anders dan belanghebbende stelt is de behandeling van de zaak bij de Rechtbank wel openbaar geweest. Mbt de IB/PVV 2007 heeft de Rechtbank belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard omdat hij een belang had bij de niet geheel verminderde verzuimboete van € 22. Mbt de IB/PVV 2008 en 2009 is het Hof evenals de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan en dat de bewijslast daarom moet worden omgekeerd en verzwaard en dat belanghebbende belasting- en premieplichtig is in Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/500
V-N 2018/20.1.2
Viditax (FutD), 06-03-2018
FutD 2018-0658
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00486, 15/00487 en 15/00488

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer [belanghebbende] te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 4 februari 2015, nummers AWB 14/2518, 14/2519 en 14/2520, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht,

hierna: de Inspecteur

betreffende na te noemen aanslagen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.000. Daarbij is € 5.263 als loonheffing in aanmerking genomen. Aan heffingsrente is bij beschikking een bedrag van € 777 berekend. Tevens is bij beschikking aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 113.

1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.000. Daarbij is € 11.767 als loonheffing in aanmerking genomen. Aan heffingsrente is bij beschikking een bedrag van € 16 berekend. Tevens is bij beschikking aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 226.

1.3.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.999. Daarbij is € 24.360 als loonheffing in aanmerking genomen. Aan heffingsrente is bij beschikking een bedrag van € 96 berekend. Tevens is bij beschikking aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 226.

1.4.

De Inspecteur heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 2007, IB/PVV 2008, IB/PVV 2009 en de heffingsrentebeschikkingen gegrond verklaard en:

- de aanslag IB/PVV 2007 verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.447;

- de aanslag IB/PVV 2008 verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.766;

- de aanslag IB/PVV 2009 verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.737, en

- de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de verzuimboete voor 2007 verminderd tot € 22. Voor 2008 en 2009 heeft de Inspecteur de boetebeschikkingen gehandhaafd.

1.5.

De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2007, na de uitspraak op bezwaar, ambtshalve verder verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.454. Hierover is belanghebbende geen IB/PVV verschuldigd.

1.6.

Belanghebbende is van deze uitspraken bij afzonderlijke beroepschriften in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van de beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van driemaal € 45.

De Rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2007 bij uitspraak niet-ontvankelijk verklaard, en de beroepen tegen de aanslagen IB/PVV 2008 en IB/PVV 2009 ongegrond verklaard.

1.7.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.9.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 juli 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [A] als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [B] , alsmede, namens de Inspecteur [M] , bijgestaan door [D] . Van het onderzoek ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een kopie hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

1.10.

Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan.

1.11.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 20 april 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [A] als gemachtigde van belanghebbende alsmede, namens de Inspecteur [E] , bijgestaan door [M] , [D] en [F] . Van het onderzoek ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een kopie hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende woont in [woonplaats] . Hij houdt alle aandelen in [G] B.V. (hierna: de BV) en is tevens directeur van de BV. De BV is gevestigd te [H] in Nederland. De BV heeft aan belanghebbende de volgende bedragen aan salaris uitbetaald:

- in 2007: € 18.447 waarop € 5.263 aan loonheffing is ingehouden;

- in 2008: € 39.999 waarop € 11.767 aan loonheffing is ingehouden;

- in 2009: € 69.999 waarop € 24.360 aan loonheffing is ingehouden.

2.2.

De BV heeft op 14 september 2007 een overeenkomst voor onbepaalde duur gesloten met [J] N.V. te [K] , België (hierna: [J] NV) waarin is vastgelegd dat de BV vanaf 1 oktober 2007 tegen een minimale vergoeding van € 6.500 per maand als manager voor [J] NV zou gaan werken voor minimaal 200 dagen per jaar.

2.3.

In de algemene vergadering van aandeelhouders (ava) van de BV, gehouden te [H] op 3 januari 2008 is besloten het brutosalaris voor belanghebbende voor 2007 vast te stellen op € 17.950 en het brutosalaris met ingang van 1 januari 2008 vast te stellen op € 3.333,33 per maand. In de ava van 22 december 2009 is besloten aan belanghebbende voor het jaar 2009 een (eenmalige) bonus uit te keren van € 30.000. In het verslag van beide ava’s staat dat de werkzaamheden voor tenminste 75% worden verricht in en vanuit België.

2.4.

De Inspecteur heeft belanghebbende op of omstreeks 29 februari 2008 uitgenodigd om vóór 1 april 2008 aangifte IB/PVV over 2007 te doen. Belanghebbende heeft ook na daartoe te zijn aangemaand geen aangifte ingediend. Op 9 september 2009 heeft belanghebbende een kopie van het aangiftebiljet IB/PVV 2007 retour gezonden met de mededeling dat belanghebbende niet belastingplichtig was in Nederland.

2.5.

De Inspecteur heeft met dagtekening 9 juni 2010 ambtshalve een aanslag IB/PVV 2007 opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt, later gevolgd door een met dagtekening 12 juli 2013 opgestelde berekening van zijn belastbaar inkomen over 2007.

2.6.

Bij brief van 17 december 2013 heeft de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende onder meer geschreven:

“In uw brief van 19 februari 2010 aan mijn collega mevrouw [L] schrijft u dat de functie van de heer [belanghebbende] directeur is en dat hij advies- en managementdiensten verricht voor de B.V. in België, Nederland, de EU en Azië. In uw daarop volgende brieven van 7 oktober 2010 en 20 december 2010 deelt u mee dat de heer [belanghebbende] wisselend in België en in Nederland heeft verricht en betitelt u de activiteiten van uw cliënt (in Nederland) als niet kwalificeerbaar. (…) Ondanks herhaald verzoek mijnerzijds heeft u nog geen antwoord gegeven op de vraag welke werkzaamheden waar en wanneer zijn verricht en gedurende welke perioden en tegen welke beloning.”

2.7.

Na uitspraak op bezwaar van 8 maart 2014 en een ambtshalve verleende vermindering (gedagtekend 19 april 2014) is het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 4.454, waarover belanghebbende geen IB/PVV verschuldigd is. De ingehouden loonheffing is geheel aan belanghebbende gerestitueerd. Bij de aanslag is een verzuimboete opgelegd van € 113 die bij de uitspraak op bezwaar is verlaagd tot € 22,-.

2.8.

De Inspecteur heeft belanghebbende op of omstreeks 28 februari 2009 uitgenodigd aangifte IB/PVV over 2008 te doen. Op verzoek van belanghebbende is uitstel verleend tot 1 mei 2010. Belanghebbende heeft ook na daartoe te zijn aangemaand geen aangifte ingediend.

2.9.

De Inspecteur heeft met dagtekening 9 juni 2011 ambtshalve een aanslag IB/PVV 2008 opgelegd. Bij uitspraak bezwaar van 8 maart 2014 is het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 21.766. Bij de aanslag is een verzuimboete opgelegd van € 226 die na bezwaar is gehandhaafd.

2.10.

De Inspecteur heeft belanghebbende op of omstreeks 27 februari 2010 uitgenodigd aangifte IB/PVV over 2009 te doen. Op verzoek van belanghebbende is uitstel verleend tot 1 mei 2011. Belanghebbende heeft ook na daartoe te zijn aangemaand geen aangifte ingediend.

2.11.

De Inspecteur heeft met dagtekening 23 november 2011 ambtshalve een aanslag IB/PVV 2009 opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar van 8 maart 2014 is het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 56.737. Bij de aanslag is een verzuimboete opgelegd van € 226 die na bezwaar is gehandhaafd.

2.12.

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2007 bij uitspraak niet-ontvankelijk verklaard, en de beroepen tegen de aanslagen IB/PVV 2008 en IB/PVV 2009 ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft in hoofdzaak het antwoord op de vragen of de aanslagen en beschikkingen bevoegdelijk zijn vastgesteld en of de uitspraken op bezwaar bevoegdelijk zijn gedaan, of de Inspecteur ter zittingen van de Rechtbank en het Hof bevoegdelijk is vertegenwoordigd, of belanghebbende de vereiste aangiften heeft gedaan en of de bewijslast met betrekking tot de juistheid van de uitspraken op bezwaar dient te worden omgekeerd en verzwaard en of belanghebbende belasting- en premieplichtig is in Nederland.

3.2.

Belanghebbende stelt – naar het Hof begrijpt – dat niet aannemelijk is geworden dat de aanslagen en beschikkingen en de uitspraken op bezwaar door daartoe bevoegde personen zijn vastgesteld en gedaan, dat evenmin aannemelijk is geworden dat de Inspecteur bij de zittingen van de Rechtbank en het Hof bevoegdelijk werd vertegenwoordigd, dat hij de vereiste aangiften heeft gedaan en dat hij in de in geschil zijnde jaren niet belasting- en premieplichtig is in Nederland omdat hij zijn werkzaamheden hoofdzakelijk in België heeft verricht en dat hij zijn in Nederland verrichte werkzaamheden om niet heeft verricht. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvattingen toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar de van de zittingen opgemaakte processen-verbaal.

3.4.

Belanghebbende concludeert – zo begrijpt het Hof belanghebbende – tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en van de aanslagen en beschikkingen.

3.5.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Bevoegdheid Inspecteur

4.1.

Belanghebbende heeft de rechtsgeldige vaststelling van de aanslagen en beschikkingen, de uitspraken op bezwaar en de procesvertegenwoordiging van de Inspecteur ter discussie gesteld.

4.2.

Bij de beoordeling van het eerste geschilpunt stelt het Hof voorop dat, anders dan belanghebbende kennelijk wil, geen betekenis hoeft te worden toegekend – in die zin dat daaraan juridische gevolgen moeten worden verbonden – aan het, zowel in woord als geschrift dooreen gebruiken van de in het spraakgebruik gebruikelijke benamingen als ‘de inspecteur’, ‘de Belastingdienst’ en dergelijke, daar waar steeds voldoende duidelijk is dat bedoeld wordt het bestuursorgaan dat bevoegd is een besluit te nemen zoals het vaststellen van een aanslag of het doen van een uitspraak op bezwaar. Datzelfde geldt voor het gebruik van aanduidingen en benamingen van ‘de inspecteur’ die inmiddels door tijdsverloop zijn achterhaald, en het gebruik van benamingen en postadressen die op praktische gronden zijn overeengekomen tussen het Hof en (vertegenwoordigers van) de Inspecteur. Dit laat onverlet dat steeds getoetst moet (kunnen) worden of een besluit bevoegd is genomen.

4.3.

In zijn arrest van 14 augustus 2015, nr. 14/02492, ECLI:NL:HR:2015:2162, heeft de Hoge Raad – onder meer – het volgende beslist:

“2.3.2. Blijkens het in geding gebrachte mandaatbesluit van 11 december 2012 was [C] op 8 maart 2013 bevoegd het hoger beroepschrift in te dienen. Aan dit mandaatbesluit kleeft weliswaar een formeel gebrek doordat het niet op de in artikel 3:42 Awb voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, maar daaraan behoeft ingevolge artikel 6:22 Awb geen sanctie te worden verbonden, tenzij belanghebbende daardoor zou zijn benadeeld (vgl. HR 16 maart 2012, nr. 10/03753, ECLI:NL:HR:2012:BV8937, BNB 2012/177). Het middel houdt niet in dat belanghebbende enig nadeel heeft ondervonden door het formele gebrek en ’s Hofs uitspraak of de stukken van het geding bevatten ook geen aanwijzingen dat een zodanige benadeling zich heeft voorgedaan. Het middel faalt in zoverre.

2.3.3.

Middel 2 berust voor het overige op het betoog dat het per 1 januari 2013 ingevoerde nieuwe besturingsmodel van de Belastingdienst, gepubliceerd op 11 maart 2013 in Staatscourant 2013, 6465, meebrengt dat [C] op 8 maart 2013 niet bevoegd was hoger beroep in te stellen. Die interne organisatieaanpassing van de Belastingdienst en de daaruit voortvloeiende wijziging van de ressorteringsbepalingen doen geen afbreuk aan de bevoegdheden die ten tijde van het instellen van het hoger beroep aan [C] als landelijk bevoegd inspecteur waren toegekend (vgl. HR 14 juni 2013, nr. 12/02697, ECLI:NL:HR:2013:BZ4198, BNB 2013/185). Ook in zoverre faalt het middel daarom.”

4.4.

Ook in de onderhavige zaak heeft belanghebbende gesteld dat de betreffende ambtenaren niet bevoegd waren tot bovenvermelde Inspecteurshandelingen, omdat de betreffende mandaatbesluiten niet op de juiste wijze bekend zijn gemaakt. Op grond van de stukken acht het Hof het niet aannemelijk dat belanghebbende door het door hem gestelde formele gebrek enig nadeel heeft ondervonden, zodat het Hof geen reden aanwezig acht de aanslagen en beschikkingen reeds op die grond te vernietigen. Voor zover belanghebbende zich in dit kader nog wenst te beroepen op de door de heer [B] in zijn beroepschrift in cassatie in de procedure 16/03323 aangevoerde argumenten, naar welk cassatieberoepschrift belanghebbende heeft verwezen en waarvan hij een kopie heeft overgelegd, acht het Hof dat beroep, onder verwijzing naar het in die procedure door de Hoge Raad gewezen arrest van 16 december 2016, nr. 16/03323, ECLI:NL:HR:2016:2864, ongegrond.

4.5.

Naar de Inspecteur heeft gesteld en het Hof aannemelijk acht:

- zijn de aanslagen namens de Inspecteur vastgesteld door [N] en [O] ;

- zijn de uitspraken op bezwaar namens de Inspecteur gedaan door [P] , en

- is de Inspecteur bij de mondelinge behandeling ter zitting van de Rechtbank en de zittingen van het Hof (mede) vertegenwoordigd door de heer [M] .

4.6.

Tot de stukken van het geding behoort een door de (plv.) directeur ondertekend afschrift uit het Centraal bevoegdhedenregister van 18 april 2017, waaruit blijkt dat [N] vanaf 1 januari 2003 gemandateerd is om de bevoegdheden van Inspecteur uit te oefenen. Aan deze machtiging is geen einddatum verbonden. Eveneens behoort tot de stukken van het geding een door de (plv.) directeur ondertekend afschrift uit het Centraal bevoegdhedenregister van 18 april 2017, waaruit blijkt dat [O] vanaf 1 januari 2003 gemandateerd is om de bevoegdheden van Inspecteur uit te oefenen. Gelet op het voorgaande, heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat de aanslagen en beschikkingen rechtsgeldig werden vastgesteld.

4.7.

Tot de stukken van het geding behoort een door de (plv.) directeur ondertekend afschrift uit het Centraal bevoegdhedenregister van 18 april 2017, waaruit blijkt dat [P] vanaf 15 november 2005 gemandateerd is om de bevoegdheden van Inspecteur uit te oefenen. Aan deze machtiging is geen einddatum verbonden. Gelet op het voorgaande heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof, aannemelijk gemaakt dat de uitspraken op bezwaar rechtsgeldig zijn gedaan.

4.8.

Bij besluit van 27 juli 2016 heeft de directeur van de Belastingdienst/MKB, namens wie de heer [Q] als (plaatsvervangend) directeur is opgetreden, in zijn functie van Inspecteur, de heer [M] gemachtigd om hem te vertegenwoordigen bij de behandeling van fiscale procedures bij de rechtbanken en de gerechtshoven. Tot de stukken van het geding behoort tevens een door de (plv.) directeur ondertekend afschrift uit het Centraal bevoegdhedenregister van 18 april 2017, waaruit blijkt dat de heer [M] vanaf 1 januari 2003 bevoegd is om de Inspecteur in fiscaalrechtelijke procedures te vertegenwoordigen. Aan deze machtiging is geen einddatum verbonden. Gelet op het voorgaande, heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof van een rechtsgeldige procesvertegenwoordiging doen blijken.

Openbare zitting Rechtbank

4.9.

Belanghebbende stelt dat de mondelinge behandeling van zijn zaak bij de Rechtbank – ondanks zijn verzoek daartoe – niet openbaar is geweest, en dat deswege de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd en de behandeling van de zaken dient te worden teruggewezen naar de Rechtbank.

4.10.

De Rechtbank heeft in haar uitspraak over de aard van de behandeling van de zaak ter zitting als volgt overwogen:

“2.13 (…) Artikel 27c van de AWR bepaalt dat de zitting plaats heeft met gesloten deuren maar dat de rechtbank kan bepalen dat het onderzoek openbaar is, voor zover de belangen van partijen daardoor niet worden geschaad. De zitting is niet als openbare zitting afgekondigd. De rechtbank heeft geen indicatie dat er enige reden is om de zitting met gesloten deuren te houden. De rechtbank heeft belanghebbende ter zitting bevestigd dat aan eenieder die dat wenste, toegang tot de zitting zou worden verleend. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus voldoende aan het verzoek van belanghebbende tegemoetgekomen.”

4.11.

Anders dan belanghebbende stelt volgt uit het voorgaande dat de behandeling van zijn zaak bij de Rechtbank wel openbaar is geweest, zodat zijn klacht – wat daar verder ook van zij – in zoverre feitelijke grondslag mist. Belanghebbendes stelling dat in de uitnodiging voor de zitting geen melding wordt gemaakt van de openbare behandeling, dan wel dat het verzoek om openbare behandeling niet in het openbaar heeft plaatsgevonden, kan hem niet baten. Er bestaat geen wettelijke grond daarvoor en ook artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie biedt geen grond voor het standpunt van belanghebbende.

Wettelijk kader

4.12.

Artikel 2 Wet op de loonbelasting 1964 luidt – voor zover hier van belang:

“1. Werknemer is de natuurlijke persoon die tot een inhoudingsplichtige in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat of van een inhoudingsplichtige loon geniet uit een vroegere privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking van hemzelf of van een ander, dan wel uit een bestaande privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking van een ander.

(…)

3. Tenzij werkzaamheden zijn of worden verricht in een functie van bestuurder of commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam, dan wel in dienstbetrekking bij de Staat der Nederlanden of in het kader van een uitzending op grond van een verdrag waarbij de Staat der Nederlanden partij is, is het eerste lid niet van toepassing op personen die niet in Nederland wonen, met betrekking tot een geheel buiten Nederland vervulde dienstbetrekking. Voor werkzaamheden die zijn of worden verricht aan boord van schepen of luchtvaartuigen in het internationale verkeer van een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gevestigd, is de eerste volzin slechts van toepassing indien wordt voldaan aan de in het vierde lid gestelde voorwaarden.

4. Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op personen die niet in Nederland wonen, met betrekking tot een nagenoeg geheel buiten Nederland vervulde dienstbetrekking, anders dan de dienstbetrekkingen die in het derde lid, eerste volzin, zijn genoemd, indien:

a. het loon is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door of vanwege (…) een andere mogendheid wordt geheven, en

b. het loon niet op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of op grond van enige andere regel van interregionaal of internationaal recht in feite slechts in Nederland aan een belasting naar het inkomen is onderworpen.

5. Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op personen die niet in Nederland wonen, met betrekking tot een gedeeltelijk, maar niet nagenoeg geheel buiten Nederland vervulde dienstbetrekking, anders dan de dienstbetrekkingen die in het derde lid, eerste volzin, zijn genoemd, voorzover het loon uit die dienstbetrekking met inachtneming van verdragen waarbij de Staat der Nederlanden partij is, feitelijk is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door of vanwege (…) een andere mogendheid wordt geheven.”

4.13.

Artikel 7.2., tweede lid, Wet IB bepaalt – voor zover hier van belang:

Het inkomen uit werk en woning in Nederland is het gezamenlijke bedrag van:

(…)

b. het belastbaar loon ter zake van het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid;

4.14.

Artikel 7.2, zevende lid, Wet IB bepaalt:

“De gedeeltelijk buiten Nederland vervulde dienstbetrekking voor een inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, wordt geacht geheel in Nederland te zijn vervuld. De eerste volzin vindt geen toepassing voorzover het loon uit die dienstbetrekking met inachtneming van (…) verdragen waarbij de Staat der Nederlanden partij is, feitelijk is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door of vanwege een andere mogendheid (…) wordt geheven. De eerste volzin vindt evenmin toepassing indien de dienstbetrekking nagenoeg geheel buiten Nederland wordt vervuld en het loon is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door een andere mogendheid wordt geheven en het loon niet op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of op grond van enige andere regel van interregionaal of internationaal recht in feite slechts in Nederland aan een belasting naar het inkomen is onderworpen. (…)”

4.15.

Het Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, gesloten tussen Nederland en België (Trb. 2001, 136, hierna: het Verdrag) luidt voor zover hier van belang:

“Artikel 15

1. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 16, 18, 19 en 20 zijn lonen, salarissen en andere soortgelijke beloningen, verkregen door een inwoner van een verdragsluitende Staat ter zake van een dienstbetrekking slechts in die Staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere verdragsluitende Staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend, mogen de ter zake daarvan verkregen beloningen in die andere Staat worden belast.

2. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 zijn beloningen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende Staat ter zake van een in de andere verdragsluitende Staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts in de eerstgenoemde Staat belastbaar, indien:

a. de genieter in de andere Staat verblijft gedurende een tijdvak of tijdvakken, die in een tijdvak van twaalf maanden beginnend of eindigend in het desbetreffende belastingjaar een totaal van 183 dagen niet te boven gaan, en

b. de beloningen worden betaald door of namens een werkgever die geen inwoner van de andere Staat is, en

c. de beloningen niet ten laste komen van een vaste inrichting of een vaste basis, die de werkgever in de andere Staat heeft.

(…)

Artikel 16

1. Beloningen die een persoon die inwoner is van een verdragsluitende Staat verkrijgt van een vennootschap die inwoner is van de andere verdragsluitende Staat ter zake van de uitoefening van een opdracht of taak als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of ter zake van de uitoefening van een functie die volgens de wetgeving van die andere Staat als soortgelijke functies worden beschouwd, mogen in die andere Staat worden belast.

(…)”

Uitreiking aangiftebiljetten

4.16.

Op grond van artikel 6 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de Inspecteur aan degene die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig is een aangiftebiljet uitreiken. Gesteld noch gebleken is dat de Inspecteur niet over een dergelijk vereist redelijk vermoeden beschikte, zodat de aangiftebiljetten rechtmatig aan belanghebbende zijn uitgereikt, zodat belanghebbende op de voet van artikel 8 AWR gehouden was aangifte te doen door de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen, te ondertekenen en aan de Inspecteur toe te zenden.

IB/PVV 2007

Aanslag

4.17.

Met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2007 overweegt het Hof als volgt. Na de uitspraak op bezwaar door de Inspecteur op 8 maart 2014 beliep het belastbaar inkomen uit werk en woning € 18.447 en het bedrag van de verschuldigde IB/PVV € 3.009. Op 19 april 2014 heeft de Inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning ambtshalve verder verminderd en nader vastgesteld op € 4.454, waarover belanghebbende geen IB/PVV verschuldigd is. De ingehouden loonheffing is geheel aan belanghebbende gerestitueerd. Bij de aanslag is echter tevens een verzuimboete opgelegd van € 113 die bij de uitspraak op bezwaar is verlaagd tot € 22. Het beroep van belanghebbende wordt op de voet van artikel 24a, tweede lid, AWR geacht mede te zijn gericht tegen de boete. Onder deze omstandigheden kan, anders dan de Rechtbank heeft gedaan, niet worden geoordeeld dat belanghebbende bij de behandeling van zijn beroep geen belang heeft zodat de Rechtbank het beroep van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Boete

4.18.

Met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2007 kan belanghebbende, nu hij na de ambtshalve verleende vermindering van de aanslag geen IB/PVV is verschuldigd en de ingehouden loonheffing reeds volledig aan hem werd gerestitueerd, met zijn hoger beroep echter niet in een financieel betere positie komen te verkeren. De Inspecteur heeft belanghebbende op of omstreeks 29 februari 2008 uitgenodigd om vóór 1 april 2008 aangifte IB/PVV over 2007 te doen. Belanghebbende heeft ook na daartoe te zijn aangemaand geen aangifte ingediend. Wel heeft belanghebbende daarna op 9 september 2009 een kopie van het aangiftebiljet IB/PVV 2007 retour gezonden met de mededeling dat belanghebbende niet belastingplichtig was in Nederland. Alsdan is echter geen sprake meer van het indienen van de wettelijk vereiste aangifte, zodat de boete terecht aan belanghebbende werd opgelegd. Op grond van het voorgaande is het hoger beroep – met inachtneming van hetgeen hierover is overwogen in 4.17. – in zoverre gegrond omdat het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond had dienen te worden verklaard in plaats van niet-ontvankelijk.

IB/PVV 2008 en 2009

Belastingplicht

4.19.

De Inspecteur heeft belanghebbende op of omstreeks 28 februari 2009 uitgenodigd aangifte IB/PVV over 2008 te doen. Op verzoek van belanghebbende is uitstel verleend tot 1 mei 2010. Belanghebbende heeft ook na daartoe te zijn aangemaand geen aangifte ingediend, zodat hij voor het jaar 2008 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.20.

De Inspecteur heeft belanghebbende op of omstreeks 27 februari 2010 uitgenodigd aangifte IB/PVV over 2009 te doen. Op verzoek van belanghebbende is uitstel verleend tot 1 mei 2011. Belanghebbende heeft ook na daartoe te zijn aangemaand geen aangifte ingediend, zodat belanghebbende ook voor het jaar 2009 niet de wettelijk vereiste aangifte heeft gedaan.

4.21.

Wanneer de aangifteverplichting niet wordt nagekomen door de belastingplichtige, wordt in een belastingprocedure de bewijslast ‘omgekeerd en verzwaard’ (artikel 27e van de AWR). Alsdan rust op de belastingplichtige de last om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aan te tonen, dat de opgelegde aanslag onjuist is. Het Hof merkt daarbij op dat de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast ziet op de vaststelling van de feiten welke aan de door belanghebbende bestreden besluiten ten grondslag liggen.

4.22.

De omkering en verzwaring van de bewijslast laat evenwel onverlet dat bij het ambtshalve vaststellen van een aanslag door de inspecteur dient te worden uitgegaan van een redelijke schatting van het belastbare inkomen van belanghebbende. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013: BX7184).

4.23.

De Inspecteur heeft de aanslagen, zoals deze na de uitspraken op bezwaar zijn vastgesteld, gebaseerd op het door de B.V. als salaris aan belanghebbende betaalde bedrag en heeft daarbij aftrek verleend voor de negatieve inkomsten uit de eigen woning van belanghebbende in België.

4.24.

Niet in geschil is dat belanghebbende bestuurder van de BV is en dat de BV aan belanghebbende bedragen van € 39.999 (2008) respectievelijk € 69.999 (2009) aan salaris heeft betaald. Bij de ava’s van de BV is belanghebbende als voorzitter en secretaris opgetreden. In de brief van 19 februari 2010 heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard dat belanghebbende in ieder geval mede in Nederland advies- en managementdiensten verrichtte voor de BV.

4.25.

Gegeven de omstandigheid dat belanghebbende als bestuurder van de BV (ook) in Nederland advies- en managementdiensten verrichtte voor de BV, en belanghebbende bij de aanslagregeling en in de bezwaarfase voor de jaren 2008 en 2009 geen antwoord heeft gegeven op de vragen welke werkzaamheden door hem waar en wanneer zijn verricht en gedurende welke perioden en tegen welke beloning (2.6), anders dan een verwijzing naar de omstandigheid dat de werkzaamheden voor het jaar 2007, naar belanghebbende stelt, geheel in België werden verricht, en de opmerking in de notulen van de ava van de BV dat de werkzaamheden voor [J] NV voor minimaal 75% worden verricht in en vanuit België, mocht de Inspecteur er naar het oordeel van het Hof – in het kader van het vaststellen van een niet-willekeurige aanslag – van uitgaan dat de hoofdregel van artikel 2, eerste lid Wet LB van toepassing is en/of de werkzaamheden van belanghebbende worden verricht in zijn functie als bestuurder van de BV, zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, eerste volzin, zodat de Inspecteur belanghebbende op die gronden redelijkerwijs als werknemer van de BV heeft kunnen aanmerken en het salaris dat belanghebbende van de BV heeft genoten op de voet van artikel 7.2 Wet IB in de belastingheffing heeft kunnen betrekken. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur de aanslagen niet naar willekeur vastgesteld.

Dat de feiten – zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur bestrijdt – mogelijk anders liggen, doordat de dienstbetrekking (nagenoeg) geheel dan wel gedeeltelijk buiten Nederland werd vervuld, speelt bij de beoordeling van de vraag of de aanslagen niet naar willekeur werden vastgesteld geen rol, doch komt eerst bij de beoordeling van het – in het kader van de omgekeerde en verzwaarde bewijslast – van belanghebbende gevraagde tegenbewijs aan de orde.

4.26.

Zoals in 4.21 is overwogen, rust op de belastingplichtige de last om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aan te tonen, dat de opgelegde aanslagen (zoals verminderd na bezwaar) onjuist zijn. Belanghebbende voert daartoe aan dat hij zijn werkzaamheden voor de BV in België heeft verricht en dat, voor zover hij in zijn hoedanigheid als bestuurder van de BV werkzaamheden heeft verricht, hij daarvoor geen enkele beloning heeft ontvangen. Tevens heeft belanghebbende in hoger beroep nadere stukken overgelegd. Het betreft voor de jaren 2007, 2008 en 2009 een opgaaf per kalenderdag van de in het woonland (België) verrichte arbeid, zogenoemde “worksheets”. Op deze worksheets is per dag en per week het aantal door belanghebbende voor de BV gewerkte uren vermeld, uitgesplitst naar België (de locatie [woonplaats] : APC) en elders en wel – voor week 2 van het jaar 2008 – als volgt:

Week 2 APC

Maandag 8,00

Dinsdag 8,00 8,00

Woensdag 8,00 8,00

Donderdag 8,00 8,00

Vrijdag 8,00 8,00

Zaterdag

Zondag

Voor de andere weken is het overzicht op overeenkomstige wijze opgesteld. Voor 2008 heeft belanghebbende het aantal in België gewerkte uren zo berekend op 1.448 van in totaal 1.824 gewerkte uren (79,39 %) en voor 2009 op 1.528 in België gewekte uren van in totaal 1.848 gewerkte uren (82,68%). Omtrent aanvangs- en beëindigingstijdstippen en de aard en inhoud van de werkzaamheden vermelden de worksheets niets. Belanghebbende heeft ook geen agenda-gegevens overgelegd die nader licht op de omvang en inhoud van de werkzaamheden zouden kunnen werpen.

4.27.

Met hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd maakt belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk, laat staan dat hij daarmee overtuigend heeft aangetoond, dat hij zijn werkzaamheden geheel of nagenoeg geheel buiten Nederland – in België – heeft verricht, noch dat en in hoeverre hij zijn werkzaamheden gedeeltelijk buiten Nederland heeft verricht. Voor deze laatste situatie overweegt het Hof ten overvloede nog dat belanghebbende evenmin overtuigend heeft aangetoond dat het bij hem belaste loon tevens feitelijk is onderworpen aan een belasting die vanwege een andere mogendheid wordt geheven, zodat de uitzonderingen van de artikelen 2, vijfde lid, Wet LB en 7.2, zevende lid, Wet IB, ook op die grond niet aan de orde zijn. Overigens is de heffing van gemeentelijke opcentiemen in België geen heffing die door of vanwege een andere mogendheid wordt geheven (HR, 12 juli 2013, nr. 12/00517, ECLI:NL:HR:2013:30, BNB 2013/195). Dat – zoals belanghebbende in (hoger) beroep nog heeft gesteld – in Nederland uitsluitend bestuurderswerkzaamheden werden verricht, waarvoor bovendien geen beloning werd genoten, acht het Hof niet aannemelijk gemaakt.

4.28.

Belanghebbende heeft nog gewezen op artikel 15, paragraaf 1, van het Verdrag. De hoofdregel van deze bepaling is dat de woonstaat inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid mag belasten. Dit is in de onderhavige zaak België. Als uitzondering op deze hoofdregel is onder meer geformuleerd de situatie waarin deze werkzaamheden in Nederland worden verricht. Belanghebbende betoogt dat de omkering van de bewijslast in de onderhavige zaak niet kan bewerken dat hij als belastingplichtige de last krijgt om feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken (of overtuigend aan te tonen) dat de uitzondering op de hoofdregel van artikel 15 van het Verdrag niet van toepassing is. De bewijslast daarvoor rust – aldus belanghebbende – bij de Inspecteur.

4.29.

Het Hof verwerpt het betoog van belanghebbende. Artikel 94 van de Grondwet bepaalt onder meer dat binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen, zoals belastingverdragen. Hieruit volgt dat in verdragssituaties eerst dient te worden nagegaan wat het Nederlandse heffingsbereik is volgens de nationale heffingswetten. Vervolgens dient te worden bezien in hoeverre het belastingverdrag deze toepassing beperkt.

4.30.

Het Hof heeft hiervoor geoordeeld dat naar Nederlands nationaalrechtelijke bepalingen de onderhavige in geschil zijnde aanslagen (zoals verminderd na bezwaar) terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Het is dan reeds op grond van de gewone regels van bewijslastverdeling aan belanghebbende om zijn stelling dat het Verdrag tot een beperking van de heffing door Nederland moet leiden, na de betwisting door de Inspecteur, nader met feiten te onderbouwen en aannemelijk te maken. (vgl HR, 25 oktober 1989, nr. 26 370, ECLI:NL:HR:1989:ZC4128, BNB 1990/7). Het Hof acht belanghebbende met hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat en in hoeverre hij zijn werkzaamheden gedeeltelijk buiten Nederland heeft verricht, zodat het beroep van belanghebbende op toepassing van de hoofdregel van artikel 15, paragraaf 1, (en voor zover belanghebbende zich daarop nog heeft willen beroepen: paragraaf 2) in zoverre dient te worden afgewezen.

Premieplicht

4.31.

Belanghebbende stelt dat hij ten onrechte in de heffing van PVV is betrokken. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij geen premies AOW is verschuldigd, omdat hij – zo begrijpt het Hof belanghebbende – geen recht heeft op een AOW-uitkering bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Belanghebbende beroept zich in dit kader ook op het arrest HvJ EU van 19 maart 2002, C-393/99 en C-394/99 (Hervein II), ECLI:EU:C:2002:182.

4.32.

De Rechtbank heeft hierover – onder meer – overwogen:

“2.21. Verzekerd voor de volksverzekeringen is degene die geen ingezetene is maar ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan loonbelasting is onderworpen (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b van de Algemene Ouderdomswet (AOW), artikel 13, eerste lid, onderdeel b van de Algemene nabestaanden wet (ANW) en artikel 5, eerste lid, onderdeel b van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Belanghebbende was aan loonbelasting onderworpen en was in de jaren 2008 en 2009 dus premieplichtig in Nederland.

2.22.

Belanghebbende verrichtte zijn werkzaamheden als directeur van de BV waarvan hij tevens aandeelhouder was. Volgens de Nederlandse socialezekerheidswetgeving wordt hij aangemerkt als werknemer van de BV. Volgens de Belgische socialezekerheidswetgeving wordt hij aangemerkt als zelfstandige. Artikel 14quater, aanhef, onderdeel b, Verordening (EG) 1408/71 bepaalt dat belanghebbende dan voor zijn verrichte werkzaamheden binnen het bereik van zowel de Nederlandse als de Belgische sociale wetgeving valt (Vgl. het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 januari 1997, nr. C-340/94, De Jaeck, BNB 1997/308). (…) Dit rechtvaardigt de heffing van premies daarover in Nederland.

4.33.

Het Hof onderschrijft dit oordeel van de Rechtbank en de hiervoor geciteerde overwegingen en neemt dit oordeel en die overwegingen over en maakt die tot de zijne. Ter aanvulling hierop overweegt het Hof het volgende. De Inspecteur mag geen premies volksverzekeringen heffen over het deel van het loon dat is onderworpen aan de Belgische sociale wetgeving. Van dit laatste is echter niets gebleken. Voor het oordeel dat de Inspecteur de aanslagen in redelijkheid kon opleggen wijst het Hof op hetgeen hierover onder 4.25 tot en met 4.30 is overwogen. Daarnaast merkt het Hof op dat uit onder andere het arrest Hervein II weliswaar kan worden afgeleid dat de lidstaten een verplichting hebben om te verzekeren dat geen socialezekerheidsbijdrage wordt betaald zonder dat er een prestatie tegenover staat, maar belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke situatie zich hier voordoet. Op grond van de in deze procedure vastgestelde feiten is belanghebbende in het onderhavige jaar immers verzekerd voor de AOW en heeft hij in zoverre bij pensioeningangsdatum recht op een (gedeeltelijke) AOW-uitkering.

Boeten

4.34.

Het hoger beroep is mede gericht tegen de opgelegde boeten. Vaststaat dat belanghebbende voor de jaren 2007 tot en met 2009, na te zijn uitgenodigd en aangemaand tot het doen van de aangiften, de vereiste aangiften niet heeft gedaan, zodat op die grond terecht aan belanghebbende verzuimboeten werden opgelegd. Gezien de geringe hoogte van de boeten heeft de Rechtbank aan de overschrijding van de redelijke termijn kunnen volstaan met de constatering daarvan.

Slotsom

4.35.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is, doch alleen in zoverre het beroep van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2007 niet-ontvankelijk is verklaard door de Rechtbank. De uitspraak van de Rechtbank dient in zoverre te worden vernietigd. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond.

Vergoeding immateriële schade

4.36.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt. Het hoger beroep is door belanghebbende ingediend op 11 maart 2015. Het Hof doet uitspraak op 30 januari 2018. Dit betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep met 11 maanden is overschreden. Bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn in deze rechtvaardigen, is het Hof niet gebleken. Belanghebbende heeft derhalve recht op een immateriëleschadevergoeding ten bedrage van € 1.000. Aangezien in hoger beroep de zaken met de Hofkenmerken 15/00486 tot en met 15/00488 in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, heeft de vergoeding van € 1.000 betrekking op al deze zaken. Nu de overschrijding in de hogerberoepsfase is toe te rekenen aan de rechter, dient dit bedrag te worden vergoed door de Staat. Gelet op de omvang van het bedrag dat door de Minister voor Rechtsbescherming dient te worden vergoed, hoeft hij niet als partij in deze procedure te worden gehoord (Beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, 20210).

Ten aanzien van de proceskosten

4.37.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), op 2,5 (punten) x € 501 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.252,50 (voor de procedure bij de Rechtbank) en 3,5 (punten) x € 501 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak), is € 1.753,50 (voor de procedure bij het Hof, derhalve in totaal € 3.006.

Het Hof verwerpt het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van de integrale kosten, aangezien het Hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht als bedoeld in artikel 2, derde lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Griffierecht

4.38.

Nu de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2007 wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 45, respectievelijk € 123 te vergoeden.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond, doch alleen in zoverre het beroep is gericht tegen de aanslag IB/PVV 2007, en verklaart het hoger beroep voor het overige ongegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2007,

  • -

    verklaart het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2007 ongegrond,

  • -

    veroordeelt de Staat (Minister voor Rechtsbescherming) tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 3.006, en

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 123 vergoedt.

Aldus gedaan op : 1 februari 2018

door M.G.J.M. van Kempen voorzitter, R. den Ouden en A.J. Kromhout, in tegenwoordigheid van A. Vellema, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Aangezien zowel de griffier als de voorzitter verhinderd zijn deze uitspraak te ondertekenen zal deze worden ondertekend door A.J. Kromhout.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.