Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:5064

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-12-2018
Datum publicatie
03-12-2018
Zaaknummer
20-000057-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepkwekerij in beschermd natuurgebied Slikken bij de Sabina-Henricapolder. Destijds zestienjarige verdachte.

Hof oordeelt dat de oudere broer van de verdachte de hennepplanten heeft geteeld en dat de verdachte en zijn tweelingbroer hennepplanten aanwezig hebben gehad, door na de aanhouding van hun broer ter plaatse te gaan en hennepplanten uit de grond te trekken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000057-18

Uitspraak : 3 december 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 21 december 2017 in de strafzaak met parketnummer 02-166476-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de kinderrechter het ten laste gelegde bewezen verklaard en de verdachte veroordeeld tot een werkstraf van veertig uren (subsidiair twintig dagen jeugddetentie), waarvan twintig uren (subsidiair tien dagen jeugddetentie) voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar. Daarbij is als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk opgelegde strafdeel (kort gezegd) een meldplicht bij de jeugdreclassering verbonden en is aan Stichting Jeugdbescherming Brabant opgedragen toezicht te houden op de naleving van die bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf, en dat het hof, in zoverre opnieuw recht doende, de verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen jeugddetentie.

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken. Subsidiair heeft de raadsman een verweer gevoerd met betrekking tot de straftoemeting.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de kinderrechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 juni 2017 te Heijningen, gemeente Moerdijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in het beschermd natuurgebied Slikken bij de Sabina-Henricapolder) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 190 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 juni 2017 te Heijningen, gemeente Moerdijk, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad (in het beschermd natuurgebied Slikken bij de Sabina-Henricapolder) 48 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Verweer strekkende tot vrijspraak

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken. Hiertoe is aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat de verdachte de hennepplanten uit de grond heeft getrokken met de bedoeling ze te vernietigen, en niet met de bedoeling er zelf over te gaan beschikken. Hiermee heeft de verdachte de hennepplanten niet aanwezig gehad dan wel was zijn opzet niet gericht op het aanwezig hebben van die hennepplanten, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende.

Verdachte heeft ook ter zitting in hoger beroep bekend dat hij, in nauwe en bewuste samenwerking met zijn broer [medeverdachte 1] , hennepplanten uit de grond heeft getrokken, terwijl zij wisten dat het hennepplanten waren. Ze hebben deze tussen de bosschages weggelegd in een houten zeef met daarop recent uitgetrokken gras- en graspollen. Daarmee staat voor het hof vast dat de betreffende 48 hennepplanten zich enige tijd in de machtssfeer van verdachte en zijn broer [medeverdachte 1] hebben bevonden. Verdachte en zijn broer [medeverdachte 1] hebben letterlijk en bewust over de 48 hennepplanten beschikt. Voor de kwalificatie van het opzettelijk aanwezig hebben is irrelevant het doel waarmee over de hennepplanten wordt beschikt. Daarbij merkt het hof ten overvloede nog op dat hier geen sprake was van het daadwerkelijk “vernietigen”, waar normaal de politie na ontmanteling van de kwekerij zorg voor draagt. Het handelen van verdachte en zijn broer [medeverdachte 1] is te duiden als “verbergen” en liet de mogelijkheid de 48 planten op een later moment alsnog op te halen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het bewezen verklaarde is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich samen met zijn broer [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten. Zijn oudere broer [medeverdachte 2] was nabij een buitenhennepkwekerij in beschermd natuurgebied Slikken aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij die kwekerij, en heeft hun vader mogen bellen om te vertellen dat hij was aangehouden. Daarna is de verdachte, in opdracht van zijn vader en met de bedoeling [medeverdachte 2] te helpen, samen met zijn broer [medeverdachte 1] naar de kwekerij gegaan, waar zij 48 hennepplanten uit de grond hebben getrokken en in de bosschages ter plaatse hebben verborgen. Het hof neemt de verdachte kwalijk dat hij op die manier politie en justitie in hun werk heeft gehinderd en bemoeienis heeft gehad met de genoemde hennepkwekerij, ondanks dat algemeen bekend is dat het gebruik van hennep schadelijk kan zijn voor de gezondheid, met name voor gebruikers met een (latente) geestelijk aandoening en bij veelvuldig gebruik. Weliswaar begrijpt het hof dat het moeilijk was voor verdachte om de opdracht van zijn vader te negeren om zijn broer [medeverdachte 2] te gaan helpen, maar de verdachte had moeten inzien dat hij daarmee een misdrijf zou begaan en had om die reden de opdracht toch moeten weigeren. Verdachte heeft overigens ter zitting bevestigd dat hij een volgende keer ook daadwerkelijk een andere keuze zou maken.

Het hof zoekt aansluiting bij de binnen de rechterlijke macht ontwikkelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting (voor jeugdigen). Gelet op het aantal hennepplanten dat de verdachte en zijn broer aanwezig hebben gehad, zoekt het hof aansluiting bij het oriëntatiepunt voor het aanwezig hebben van (minimaal) dertig gram hennep, te weten een taakstraf voor de duur van veertig of meer uren.

Op 9 november 2018 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) een advies uitgebracht over de verdachte. De Raad heeft geadviseerd tot het opleggen van een taakstraf in de vorm van een werkstraf en ziet, anders dan ter terechtzitting in eerste aanleg, geen aanleiding (meer) voor toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering. Het hof neemt dit advies over.

Alles overziende zal het hof de verdachte veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van veertig uren (subsidiair twintig dagen jeugddetentie), waarvan twintig uren (subsidiair tien dagen jeugddetentie) voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf beoogt het hof enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 77gg van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door:

mr. R.J.H. de Brouwer, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. S.C. van Duijn, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. van der Geld, griffier,

en op 3 december 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.