Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4973

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
07-02-2019
Zaaknummer
200.248.037_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:4972
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldenares is niet-ontvankelijk in het hoger beroep nu zij voorafgaand aan de indiening van haar verzoekschrift geen (volledig) minnelijk traject ex artikel 285 lid 1 aanhef en sub f Fw jo 288 lid 2 sub b Fw heeft betracht.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 285
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 29 november 2018

Zaaknummer : 200.248.037/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/2512533 FT RK 18/551

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. R.W.J.L. Loonen te Heerlen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 oktober 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 oktober 2018, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en haar alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof rechtens juist acht.

2.2.

Gelet op de onderlinge samenhang van de zaken heeft het hof deze zaak samen met de zaak welke bij het hof geregistreerd is onder zaaknummer 200.248.032/01 gevoegd behandeld. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 november 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellante] en [appellant in 200.248.032_01] , hierna te noemen: [appellant in 200.248.032_01] , beiden bijgestaan door mr. Loonen,

  • -

    De heer [beschermingsbewindvoerder] in zijn hoedanigheid van informant, hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 26 september 2018;

- het indieningsformulier met bijlagen (procesdossier eerste aanleg) van de advocaat van [appellante] d.d. 23 oktober 2018;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 14 november 2018;

- de ter zitting in hoger beroep door de advocaat van [appellante] overgelegde stukken, te weten: een geactualiseerd schuldenoverzicht, een brief van ZOwonen d.d. 27 juni 2018 alsmede de eindafrekening van Robin Energie d.d. 17 mei 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit zijn mededelingen zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan blijkt dat de beschermingsbewindvoerder bekend is met het hoger beroep dat [appellante] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid hij in appel ook gebruik heeft gemaakt, om zijn visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellante] blijkt een totale schuldenlast van € 51.598,89. Daaronder bevinden zich een drietal belastingschulden voor een totaalbedrag van € 3.146,67. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.4. Op de schuldenlijst van verzoekers zijn elf van de 26 schulden met de fictieve ontstaansdatum "1-1-1900" vermeld. De Kredietbank en de beschermingsbewindvoerder hebben ter zitting een aantal waarheidsgetrouwe ontstaansdata kunnen reproduceren, maar niet allemaal. Daarnaast heeft de beschermingsbewindvoerder verklaard dat de totale schuld in zijn optiek niet € 51.598,89 is - waarop het minnelijk traject is gebaseerd - maar ongeveer € 25.000,- hoger, derhalve circa € 76.000,-. Dit zou onder meer te maken hebben met een huisuitzetting en het opknappen van de door verzoekers ontruimde woning. De exacte bedragen en ontstaansdata zijn ter zitting niet met stukken onderbouwd. Nu de totale schuld ongeveer eenderde hoger is, is niet alleen het minnelijk traject niet correct verlopen, maar is ook de vraag welke eventueel niet te goeder trouw ontstane schulden binnen het bereik van de vijfjaarstermijn vallen. Een betrouwbaar beeld daarvan heeft de rechtbank niet verkregen.

2.5.

Van verzoekers mag verwacht worden dat zij blijk geven van inspanningen om de ontstane schulden alsnog naar vermogen te voldoen. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij in het verleden nooit heeft gewerkt. Het onbetaald laten van de schulden wordt daarom geacht niet te goeder trouw te zijn geweest.”

3.5.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Ten onrechte oordeelt de rechtbank dat [appellante] in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend niet te goeder trouw zou zijn geweest en dat zij niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting en ook het onbetaald laten van de schulden om die reden niet te goeder trouw zou zijn geweest. In het huwelijk van [appellante] , leeftijd 61 jaar, heerste in het verleden een zogenaamde traditionele rolverdeling. [appellante] heeft aldus de zorg voor het huishouden en kinderen op zich genomen, terwijl haar echtgenoot, [appellant in 200.248.032_01] , zorgde voor inkomen. Een rolverdeling die destijds niet meer dan normaal was. De rolverdeling die tussen hen gold heeft altijd goed gefunctioneerd. Pas in het jaar 2000 is het gezin in de schulden geraakt. Het ontstaan van de schuldenlast moet in relatie gebracht worden met het verlies aan inkomen. [appellant in 200.248.032_01] is in 2000 namelijk in de WAO terecht gekomen. Dit in combinatie met een slechte bewindvoerder is funest geweest voor de financiële stabiliteit. Sinds een aantal jaren verricht [appellante] ook mantelzorg ten behoeve van haar hulpbehoevende moeder. De situatie van de moeder van [appellante] is in de afgelopen jaren verslechterd en de verzorging is inmiddels een dagtaak. Op basis van de huidige omstandigheden kan er een persoonsgebonden budget worden aangevraagd waaruit [appellante] wellicht loon kan onttrekken. [appellante] staat er absoluut niet onwelwillend tegenover om te gaan werken. Een beeld dat wel wordt geschetst door de rechtbank. Zij maakt echter deel uit van een hechte gemeenschap waarin het niet meer dan normaal is dat er gezorgd wordt voor een hulpbehoevend familielid. Het is [appellante] helaas niet meer gelukt om een baan te vinden. Volgens haar ligt de oorzaak daarin dat zij op leeftijd is en niet de juiste opleiding heeft genoten. Zij hoopt dat de aanvraag voor een persoonsgebonden budget ten behoeve van haar moeder voorspoedig verloopt en zij zo kan bijdragen aan de aflossing van de schulden.

Bij aanvullend beroepschrift heeft [appellante] voorts nog aangevoerd dat op de schuldenlijst bij 11 van de 26 schulden een fictieve ontstaansdatum was vermeld, zijnde "1-1-1900". [appellante] heeft een nieuwe schuldenlijst bijgevoegd waarbij enkel de ontstaansdatum van de schuld bij deurwaarderskantoor [deurwaarderskantoor] niet achterhaald is kunnen worden. De reden hiervan ligt mede gelegen in het feit dat [gerechtsdeurwaarderskantoor] Gerechtsdeurwaarderkantoor BV h.o.d.n. Deurwaarderkantoor [deurwaarderskantoor] [vestigingsnaam] door de Rechtbank Limburg op 24 juni 2009 failliet verklaard is. [appellante] wil verder graag vermelden dat er weliswaar 26 schulden op de lijst vermeld staan maar dat er geen sprake is van 26 schuldeisers. Dezelfde vordering is bij verschillende deurwaarderskantoren neergelegd. Dat de schuld ter zitting een derde hoger bleek te zijn, derhalve circa € 75.000,00, heeft te maken met een huisuitzetting. [appellante] is steeds verder in de schuldenproblematiek geraakt waardoor er op een gegeven moment geen huur meer kon worden betaald. De huurachterstand is uiteindelijk opgelopen tot

€ 5.500,00 waarna zij de woning moest verlaten. Tijdens het leegruimen van de woning ontstonden problemen. [appellante] is niet de jongste meer en het leegruimen koste haar en haar echtgenoot derhalve meer tijd en energie dan vooraf op geanticipeerd werd. Zij heeft echter alles in het werk gezet om de woning op tijd leeg te krijgen door vrienden, kennissen en andere welwillenden om hulp te vragen. Helaas is het, ondanks alle inzet niet gelukt om de woning leeg op te leveren voor de gestelde termijn. Hierdoor is er politie ingezet. De bezittingen die nog in de woning te vinden waren zijn verwijderd en vervolgens opgeslagen. Er is tijdens het ontruimen door de beschermingsbewindvoerder aangegeven dat opslag niet gewenst was maar daar is helaas geen gehoor aan gegeven. Bovenstaande gebeurtenissen hebben ertoe geleid dat de schuld dermate hoog is opgelopen dat het een derde van totale schuldenlast is gaan behelzen.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. Er is sprake van een tweetal nieuwe schulden, een schuld aan ZOwonen van ruim € 15.500,00 alsmede een schuld aan Robin Energie van ruim € 5.600,00. Desgevraagd geeft [appellant in 200.248.032_01] aan dat hij en [appellante] , wanneer zij hun energierekening niet meer konden betalen, steeds hun abonnement opzegden en, zonder het openstaande bedrag te voldoen, overstapten naar een andere leverancier waar zich deze gang van zaken dan weer herhaalde. [appellant in 200.248.032_01] geeft aan dat er daarnaast nog een nieuwe schuld te verwachten valt omdat het hem en [appellante] , ondanks alle ingeschakelde hulp, niet gelukt was om hun huis tijdig geheel leeg op te leveren. Hij had wel tijdig de sleutels bij de deurwaarder ingeleverd en deze heeft kosten moeten maken om het huis, en dan met name de zolder, geheel leeg te ruimen. Met betrekking tot zijn fiscale schulden merkt [appellant in 200.248.032_01] op dat de onterecht ontvangen toeslagen welke thans door de Belastingdienst worden teruggevorderd nimmer door hem of [appellante] zijn aangevraagd. Hij weet naar eigen zeggen ook niet door wie dan wel. [appellante] geeft voorts aan dat zij reeds lange tijd belast is met de mantelzorg voor haar moeder en derhalve ook niet in de gelegenheid is geweest om te solliciteren naar een betaalde arbeidsbetrekking. Haar moeder was al op jonge leeftijd als weduwe alleen belast met de opvoeding van haar kinderen en op deze manier kan [appellante] ook iets voor haar moeder terugdoen.

3.7.

De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – nog het volgende aangevoerd. In het licht van de nadere ontruiming is tot op het laatste moment getracht om alsnog iets met de verhuurder te regelen. Deze was hier echter niet toe genegen omdat er naast een huurachterstand, in het verleden ook sprake van andere incidenten is geweest. Daarom is wellicht iets te laat met het ontruimen van de woning begonnen. Pogingen van de beschermingsbewindvoerder om de uiterste ontruimingsdatum op te schorten zodat de woning geheel leeg en dus zonder bijkomende kosten zou kunnen worden opgeleverd hebben ook niet mogen baten. Tot slot voert de beschermingsbewindvoerder aan dat [appellante] wel wat geld heeft weten te sparen om op haar schulden af te lossen en ook zeker van goede wil is.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Ingevolge artikel 285 lid 1 aanhef en sub f Fw wordt een verzoek in het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk verklaard indien er voorafgaand aan het toelatingsverzoek geen (volledig) minnelijk traject heeft plaatsgevonden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.8.2.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellante] aangegeven dat er sprake is van twee nieuwe, aanzienlijke schulden, te weten een schuld aan ZOwonen en een schuld aan Robin Energie, opgeteld voor een bedrag van ruim € 21.000,00. Deze schulden zijn niet vermeld op de schuldenlijst ex artikel 285 Fw welke door [appellante] bij haar toelatingsverzoek gevoegd is. Voorts is niet gebleken dat ook aan deze schuldeisers een - minnelijk of anderszins - akkoord is aangeboden. Uit de memorie van toelichting van de Wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (kamerstukken 29 942 nr. 3 vergaderjaar 2004-2005) blijkt dat dit wetsvoorstel onder andere ertoe strekt de regeling van de sanering van schulden van natuurlijke personen te vereenvoudigen en de toegang tot de schuldsaneringsregeling beter te beheersen. De wetgever heeft bij deze wijziging onder meer voor ogen gestaan dat het bij economische tegenwind juist klemt dat het sociaal-maatschappelijke belang dat de schuldsaneringsregeling ook daadwerkelijk bereikbaar moet blijven voor wie te goeder trouw is en wie oprecht en actief (maar tevergeefs) heeft geprobeerd om met zijn schuldeisers tot een schikking te komen en die aldus in een benarde schuldenpositie geen andere keuze overblijft dan een beroep op de rechter te doen. Voor deze groep schuldenaren is de schuldsaneringsregeling oorspronkelijk bedoeld en voor die groep wordt de toegang tot die regeling ook in het nieuwe stelsel niet belemmerd. Strenge toelatingscondities zijn een manier om de schuldenaar tot het uiterste te laten gaan om te trachten een minnelijke regeling te bereiken. Het hof stelt vast dat [appellante] , zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook door haar verklaard is, voorafgaand aan haar toelatingsverzoek niet aan al haar schuldeisers een minnelijk aanbod heeft gedaan. Het hof is dan ook van oordeel dat [appellante] reeds om deze reden op grond van artikel 285 lid 1 aanhef en sub f Fw niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep dient te worden verklaard. Ten overvloede voegt het hof hieraan toe dat, ook indien [appellante] wel ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep zou zijn geweest, zij niet tot de schuldsaneringsregeling zou zijn toegelaten en overweegt daartoe, kort weergegeven, als volgt.

3.8.3.

Het hof stelt allereerst vast dat [appellante] in haar beroepschrift geen grief heeft gericht tegen de overwegingen van de rechtbank dat de schuldenlast niet vaststaat, de schulden (in het kader van de goeder trouw toets) niet gedateerd kunnen worden en het minnelijk traject niet goed doorlopen is omdat niet kan worden vastgesteld of aan alle schuldeisers wel een aanbod is gedaan. Doordat tegen deze overwegingen geen grief is gericht is dit oordeel thans in hoger beroep rechtens onaantastbaar geworden. Eerst bij indieningsformulier van 14 november 2018, nagenoeg één maand na toezending van het oorspronkelijk beroepschrift, overlegt [appellante] een aanvullend beroepschrift waarin zij ten aanzien van een aantal van deze overwegingen van de rechtbank grieven aanvoert. Nu het vonnis waarvan beroep reeds ten tijde van het opstellen van het originele beroepschrift beschikbaar was bestaat er voor [appellante] echter geen mogelijkheid meer tot het indienen van een aanvullend beroepschrift. Ingevolge het bepaalde in art. 359 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient het beroepschrift immers de gronden te bevatten waarop het hoger beroep rust. Volgens vaste jurisprudentie kan, indien sprake is van een korte appeltermijn en het nog niet beschikbaar zijn van het vonnis waarvan beroep, wat in onderhavige zaak dus niet het geval is nu het vonnis waarvan beroep immers aan het eerste beroepschrift was gehecht, worden volstaan met een “blanco” beroepschrift (zonder vermelding van de beroepsgronden). Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de conclusie van AG Langemeijer bij HR 23 oktober 2009 (art. 81 RO), ECLI:NL:PHR:2009:BJ7535) dient een aanvullend beroepschrift met bekwame spoed na de dag van verstrekking of verzending van het beroepen vonnis te worden ingediend, waarbij als regel een termijn gelijk aan de beroepstermijn - die in deze acht dagen bedraagt - heeft te gelden (zie o.m. de conclusie van AG Wesseling – van Gent (art. 81 RO) bij HR 13 november 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BJ8338).

3.8.4.

Voorts staat vast dat [appellante] , te meer nu zij zulks bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook nadrukkelijk en bij herhaling heeft erkend, ondanks haar almaar problematischer wordende financiële situatie gedurende lange tijd nimmer enige poging heeft ondernomen om een betaalde arbeidsbetrekking te verwerven teneinde een eigen inkomen te genereren om op haar schuldenlast af te kunnen lossen. Dat aan deze weloverwogen keuze van [appellante] wellicht (nog immer) als dwingend door haar ervaren cultureel traditionele motieven ten grondslag liggen en zij daarnaast ook sinds enige tijd dagelijks belast was en is met de mantelzorg voor haar moeder maakt dit naar het oordeel van het hof geenszins anders. Het hof is dan ook van oordeel dat [appellante] met betrekking tot het onbetaald laten van haar schulden niet te goeder trouw is geweest.

3.8.5.

Daarbij is het hof van oordeel dat [appellante] ook met betrekking tot het ontstaan van de schulden niet te goeder trouw is geweest. Zo heeft [appellante] blijkens de door haar overgelegde schuldenlijst een groot aantal schulden bij diverse energieleveranciers (Eneco, Energie Direct, Greenchoice, Nederlandse Energie Maatschappij en naar nu is gebleken ook Robin Energie) heeft. [appellant in 200.248.032_01] heeft hieromtrent bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat hij en [appellante] , wanneer zij hun energierekening niet meer konden betalen en afsluiting dreigde, overstapten naar een andere leverancier. Het hof is van oordeel dat [appellante] aldus steeds weer nieuwe verbintenissen is aangegaan waarvan zij wist dat zij de financiële verplichtingen niet na zou kunnen komen. Dus deze schulden zijn naar het oordeel van het hof derhalve niet te goeder trouw ontstaan.

3.8.6.

Voorts is er ook sprake van een fiscale schuld. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient ingevolge punt 5.4.4. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken en welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. De fiscale schuld van [appellante] ziet op onder meer op de terugvordering van ten onrechte aangevraagde en uitgekeerde toeslagen. [appellant in 200.248.032_01] , op wiens naam de ten onrechte uitgekeerde toeslagen ten bate van hemzelf en [appellante] geregistreerd zijn, stelt dat hij deze toeslagen nimmer zou hebben aangevraagd en daarbij van deze aanvraag ook niet op de hoogte zou zijn geweest, maar nu hij verzuimt om aan te tonen dat hij betreffende toeslagen daadwerkelijk niet heeft aangevraagd dan wel dat hij een derde had voorzien van zijn DigiD inloggegevens, immer nodig voor het aanvragen van toeslagen, acht het hof het onvoldoende aannemelijk dat betreffende aanvragen daadwerkelijk niet door hem zouden zijn gedaan en buiten zijn medeweten zouden hebben plaatsgevonden. Het hof acht het derhalve onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Belastingdienst te goeder trouw is geweest.

3.8.7.

Voorts acht het hof ook het ontstaan van de in omvang nog onbekende schuld welke samenhangt met de ontruiming van de woning van [appellante] aan haar toerekenbaar en derhalve niet te goeder trouw ontstaan. Het moge zo zijn dat [appellante] , nadat haar de uiterste ontruimingsdatum was aangezegd, nog pogingen heeft ondernomen om door het maken van afspraken met de verhuurder deze ontruiming alsnog af te wenden, maar dit laat onverlet dat het feit dat zij in afwachting hiervan gewacht heeft met het leegruimen van haar woning er uiteindelijk toe geleid heeft dat zij in tijdnood kwam en dat een derde, in dit geval de ontruimende deurwaarder, kosten heeft moeten maken om de woning alsnog leeg te ruimen en de hierbij verwijderde roerende zaken op te slaan. Deze kosten zullen op enig moment op [appellante] verhaald worden en het hof acht haar ten aanzien van het ontstaan van deze kosten, immers een direct gevolg van haar weloverwogen keuze om de ontruiming van haar woning in afwachting van de uitkomst van de onderhandelingen met de verhuurder op te schorten waardoor zij deze ontruiming uiteindelijk niet voor de aangezegde ontruimingsdatum heeft kunnen voltooien, niet te goeder trouw.

3.9.

Gelet op het voorgaande is [appellante] niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep.

4. De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, A.P. Zweers-van Vollenhoven en F.J.M. Walstock en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2018.