Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4970

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
200.247.869_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw nu schuldenaar ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het toelatingsverzoek niet te goeder trouw is geweest.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 29 november 2018

Zaaknummer : 200.247.869/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/253853/FT RK 18-701

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. F.A.M. de Vries en mr. C.M.P. van der Helm te Zeist.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 2 oktober 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 oktober 2018, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling, derhalve zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling te honoreren.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 november 2018. Bij die gelegenheid is [appellant] , bijgestaan door mr. De Vries alsmede mr. P.W.J. Wiegman, gehoord.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 24 september 2018;

de ter zitting in hoger beroep door mr. De Vries overgelegde pleitnota.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 647.314,05. Daaronder bevinden zich een schuld aan Rabobank Nederland van € 397.370,06, een drietal schulden aan SNS Bank van in totaal € 219.749,34 alsmede een preferente belastingschuld van € 23.390,76. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.3. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker aan zijn schuldeisers een schuldenlast heeft van in totaal € 647.314,05. Zo is er een schuld aan de Belastingdienst van € 23.390,76. Deze schuld betreft onder meer het niet betalen van Inkomstenbelasting 2015, 2017 en 2018. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet of niet tijdig verstrekken van (inkomens)gegevens dient naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan.

Daarnaast heeft verzoeker een schuld bij Rabobank Nederland, ontstaan in het jaar 2015, van € 397.370,06. Verzoeker heeft al eerder een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend. De afwijzende beslissing van 19 juni 2017 van de rechtbank op dat verzoek (rekestnummer C/03/23346 FT RK 17-524) is bij arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 24 augustus 2017 bekrachtigd (zaaknummer 200.218.216/01). Ten aanzien van de schuld bij Rabobank Nederland heeft het Gerechtshof destijds overwogen dat verzoeker geen sluitende verklaring heeft gegeven over de herkomst van de bedragen zoals opgenomen in de opgave van de restant hypotheekschuld waardoor de herkomst van de schulden onduidelijk is gebleven en niet te toetsen valt of de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan en onbetaald zijn gebleven. Noch in het huidige verzoekschrift noch tijdens de mondelinge behandeling daarvan heeft verzoeker de gewenste helderheid over de herkomst van een deel van de schulden bij de Rabobank gegeven zodat nog steeds niet te toetsen valt of de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan of onbetaald zijn gebleven.”

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Met betrekking tot de preferente belastingschuld merkt [appellant] op dat voor het jaar 2018 nog geen (inkomens)gegevens verstrekt hoeven te worden nu dit jaar nog niet is afgelopen. Dit betekent dat er voor het jaar 2018 nog geen schulden zijn ontstaan waar de rechtbank de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsanering op kan baseren. Daarnaast stelt [appellant] dat het ontstaan van de schulden aan de Belastingdienst te goeder trouw was omdat de schulden aan de Belastingdienst geen betrekking hebben op een opgelegde boete of het niet nakomen van een aangifteverplichting, maar zijn ontstaan door de normale belastingverplichting. Daarmee vallen deze schulden niet binnen het bereik van artikel 5.4.4. van Bijlage IV bij het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken. Verder heeft de rechtbank geen omstandigheden genoemd waaruit zou volgen dat deze schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan. De Belastingdienst heeft de voorgestelde minnelijke schikking aanvaard en lijkt dus ook van mening te zijn dat sprake is van goeder trouw aan de zijde van [appellant] .

De schulden aan Rabobank vloeien voort uit een hypotheek voor een woonhuis, borgstellingen voor bedrijven van [appellant] en zijn rekening-courant verhouding en zijn bedrijven waaruit de vorderingen op hem aan Rabobank zijn verpand (zoals gebruikelijk is) en niet uit bijvoorbeeld verboden handelingen of een verslaving. Rabobank is op de hoogte van de schuldhulpverlening die [appellant] ontvangt en er is contact met de Rabobank om een verdere specificatie van het overzicht van schulden te ontvangen. De hypotheekschuld is ontstaan doordat het woonhuis moest worden verkocht na het beëindigen van de relatie van [appellant] en het faillissement van zijn bedrijven. [appellant] kon de financiële lasten voor de hypotheek daardoor niet meer dragen. De schulden die voortvloeien uit de borgstellingen zijn ook het gevolg van het faillissement van de bedrijven van [appellant] . Hij kon door deze omstandigheden ook de rekening-courant vorderingen aan deze bedrijven niet betalen.

Voor zover het hof van mening zou zijn dat het ontstaan van de schulden bij de Belastingdienst of de schulden bij Rabobank niet te goeder trouw was moet volgens [appellant] toepassing worden gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw. Uit het vonnis waarvan beroep blijkt niet dat de rechtbank getoetst heeft of dit artikel toepassing zou vinden. [appellant] meent dat de hardheidclausule van toepassing is omdat hij een schuldhulpverlener heeft die hem helpt met het afbetalen van zijn schulden en de contacten met crediteuren, hij inkomen heeft en dus de mogelijkheid heeft om maandelijks af te lossen en nu ook maandelijks aflost op zijn schulden en hij meermalen een minnelijke schikking heeft aangeboden aan de Belastingdienst en aan Rabobank. De Belastingdienst heeft ook ingestemd met een minnelijke schikking.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] erkent dat er sprake is van een fiscale schuld uit hoofde van het niet voldoen van verschuldigde inkomstenbelasting. Het is echter niet zo dat deze schuld is ontstaan omdat hij verzuimd zou hebben om aangifte inkomstenbelasting te doen. Aldus is deze schuld, gelet op hetgeen hieromtrent in het toepasselijke procesreglement bepaald is, volgens [appellant] in beginsel dan ook te goeder trouw ontstaan. Voorts heeft [appellant] , middels een daartoe in de pleitnota opgenomen overzicht, de aard van zijn schuld aan de Rabobank nader uiteen gezet. Met betrekking tot dat gedeelte van zijn fiscale schuld dat ziet op het de terugvordering van de onterecht ontvangen hypotheekrenteaftrek in 2017 stelt [appellant] dat hij na de verkoop van zijn huis op 22 december 2016 inderdaad verzuimd had om deze verkoop terstond aan de Belastingdienst te melden. Aldus ontving hij nog geruime tijd een maandelijkse teruggave van de hypotheekrenteaftrek terwijl hij hier geen recht meer op had. Omdat de Rabobank, vanwege het feit dat zij een vordering op hem had, deze gelden direct en volgens [appellant] buiten zijn medeweten doorboekte naar een daarvoor bestemde schuldrekening, volgens [appellant] “Oranjerekening” genaamd, waarvan hij geen afschriften ontving, realiseerde [appellant] zich dit doorlopen van de aftrek en daaruit voortvloeiende teruggave ook niet direct, maar pas medio juli 2017. [appellant] benadrukt daarbij dat hij deze onterecht ontvangen gelden niet voor eigen doeleinden heeft aangewend daar deze, weliswaar buiten zijn medeweten en instemming, uitsluitend ter afbetaling op zijn schuld aan de Rabobank hebben gediend. Voorts erkent [appellant] desgevraagd dat hij enige tijd in dienst bij zijn vader is geweest en dat laatstgenoemde hem twee maanden geen salaris heeft uitgekeerd. [appellant] heeft nimmer getracht om dit achterstallige salaris van zijn vader te vorderen omdat hij wist dat zijn vader op dat moment toch niet kon beschikken over de financiële middelen om dit salaris alsnog uit te keren. Tot slot herhaalt [appellant] zijn beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.6.2.

Vast staat dat er sprake is van een aanzienlijke preferente belastingschuld. Deze schuld bestaat onder meer uit de terugvordering van onterecht ontvangen belastingteruggaven uit hoofde van de zogenoemde hypotheekrenteaftrek. Nu [appellant] na de verkoop van zijn eigen woning verzuimd heeft dit terstond aan de Belastingdienst te melden, is onderhavige schuld derhalve ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens. Derhalve dient ingevolge punt 5.4.4. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken, welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. De tekst van voornoemd punt luidt, met betrekking tot fiscale schulden, immers als volgt:

“Van een situatie als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Fw is in beginsel geen sprake, indien in de in dit artikel genoemde periode van vijf jaar de verzoeker schulden heeft aan het UWV of de Belastingdienst die betrekking hebben op een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting.”

Dat [appellant] wellicht geen afschriften ontving waaruit hij de onterechte ontvangst van deze teruggaven maandelijks kon vernemen doet hier naar het oordeel van het hof niets aan af, temeer niet nu [appellant] heeft erkend dat hij de gebruikelijk voorlopige aanslag 2017 waarin de renteaftrek was verwerkt, heeft ontvangen.

Uit voornoemd punt uit het procesreglement volgt bovendien dat ook fiscale schulden welke uitsluitend betrekking hebben op het niet nakomen van de afdrachtverplichting in beginsel dienen te worden aangemerkt als schulden welke niet te goeder trouw zijn ontstaan. In het geval van [appellant] betreft dat dan dus in ieder geval ook zijn fiscale schulden welke zien op het niet (tijdig en/of volledig) afdragen van zijn inkomstenbelasting. De stelling van [appellant] als zouden deze schulden, nu hij met betrekking tot zijn inkomstenbelasting wel tijdig aan zijn aangifteverplichting zou hebben voldaan, in beginsel te goeder trouw zijn ontstaan acht het hof, gelet op het hetgeen hieromtrent in voornoemde bijlage is bepaald, dan ook onjuist.

3.6.3.

Nu [appellant] daarnaast ondanks zijn problematische financiële situatie weloverwogen heeft afgezien van het vorderen van achterstallig salaris bij zijn toenmalige werkgever is het hof bovendien van oordeel dat hij ook ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden niet volledig te goeder trouw is geweest. [appellant] heeft zich naar eigen zeggen immers geen enkele moeite getroost om deze betreffende gelden waarop hij recht had alsnog, geheel dan wel gedeeltelijk, te verkrijgen. Dat zijn voormalige werkgever zijn vader is en [appellant] daarnaast stelt – zonder overigens enige onderbouwing - dat zijn vader financieel ook niet in staat was of is om hem dit achterstallig salaris alsnog uit te betalen, maakt dit naar het oordeel van het hof geenszins anders.

3.6.4.

Het hof is reeds op grond hiervan van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] ten aanzien van zowel het ontstaan als het onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest en acht daarbij de hiervoor vermelde omstandigheden bovendien voldoende ernstig om afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen.

3.6.5.

Het hof is dan ook van oordeel dat het beroep van [appellant] op de hardheidsclausule ex art. 288, lid 3 Fw niet kan slagen. Allereerst geldt dat sinds zijn vorige verzoek in 2017 zijn schuldenlast juist is toegenomen, zowel qua concurrente schulden als qua preferente schulden. Daarnaast geldt dat hij onvoldoende inzichtelijk heeft weten te maken welke omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden hij thans onder controle heeft gekregen. De door [appellant] genoemde omstandigheden, meer concreet het feit dat hij thans een schuldhulpverlener heeft die hem helpt met het afbetalen van zijn schulden en de contacten met crediteuren, dat hij inkomen heeft en dus de mogelijkheid heeft om maandelijks af te lossen en dat hij meermalen een minnelijke schikking heeft aangeboden aan de Belastingdienst en aan Rabobank, betreffen grotendeels immers niet omstandigheden welke aan het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden ten grondslag hebben gelegen. [appellant] heeft het voorheen niet aanbieden van een minnelijke schikking aan een of meerdere van zijn schuldeisers ook niet aangevoerd als een voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schuldenlast bepalende omstandigheden.

Los daarvan betreft het omstandigheden die (grotendeels) voortvloeien uit de wettelijke vereisten ten einde überhaupt tot de schuldsaneringsregeling te kunnen worden toegelaten.

Al hetgeen hiervoor in deze overweging is weergegeven, zowel ieder voor zich als in onderlinge samenhang, maakt dat het hof toepassing van de zogenaamde hardheidsclausule niet geïndiceerd acht.

3.6.6.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3.7.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, A.P. Zweers-van Vollenhoven en F.J.M. Walstock en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2018.