Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4926

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
200.244.617_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 29 november 2018

Zaaknummer : 200.244.617/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/335650 / JE RK 18-948

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.P. van Empel-Bouman,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

de gecertificeerde instelling,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader);

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 juli 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 augustus 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en primair het inleidend verzoek van de GI af te wijzen en subsidiair de verleende machtiging uithuisplaatsing in duur te bekorten tot maximaal drie maanden. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verzocht het petitum van het beroepschrift aldus te lezen dat subsidiair wordt verzocht de verleende machtiging uithuisplaatsing zo spoedig mogelijk te beëindigen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 september 2018, heeft de GI verzocht de beschikking van 9 juli 2018 te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 november 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Empel-Bouman;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

2.3.1.

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting in hoger beroep verschenen. De raad is, na schriftelijke kennisgeving aan dit hof d.d. 25 oktober 2018, evenmin ter zitting in hoger beroep verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het journaalbericht met bijlagen (producties 4 en 5) van de advocaat van de moeder, ingekomen op 17 oktober 2018;

  • -

    het journaalbericht met bijlagen (producties 6, 7 en 8) van de advocaat van de moeder, ingekomen op 24 oktober 2018;

  • -

    het journaalbericht met bijlagen (producties 9, 10 en 11) van de advocaat van de moeder, ingekomen op 30 oktober 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het in 2015 door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder met de vader zijn – voor zover thans van belang – geboren:

- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .

3.2.

De kinderen staan sinds 12 mei 2017 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 12 mei 2019.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de GI om de kinderen met ingang van 9 juli 2018 tot uiterlijk 9 januari 2019 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Dienaangaande heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de moeder deze periode van zes maanden kan gebruiken om op adem te komen en met de nodige hulp aan zichzelf te werken. Het is, aldus de rechtbank in de beschikking waartegen thans hoger beroep, aan de moeder zelf om deze tijd goed te benutten, zodat zij steviger in haar schoenen komt te staan en ook haar taak als opvoeder weer kan vervullen.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

Aan de voorwaarden voor een uithuisplaatsing is niet voldaan. De uitlatingen van de moeder zijn uit hun verband getrokken en er wordt enkel een negatief beeld van de moeder geschetst. Doordat de vader zijn ouderlijke verantwoordelijkheid niet heeft genomen is de moeder overbelast geraakt en zijn de kinderen telkens weer in vader teleurgesteld. Door de gesprekken van de moeder met haar psycholoog ziet de moeder thans in dat de vader niet meer dan een minimale rol wil spelen in het leven van de kinderen. Zij maakt zich hier dan ook niet langer boos om. Ook heeft de moeder ingezien dat de jeugdzorgwerker kennelijk niet de macht heeft om hier een positieve draai aan te geven. Verder is er bij de moeder meer inzicht gekomen in het gedrag van de kinderen.

De positieve lijn die is ingezet, is door de uithuisplaatsing onderbroken, zo stelt de moeder. Daarbij moeten de kinderen naar een andere school die, gelet op hun problematiek, niet passend is. Ook zouden de kinderen niet naar voetbal en zwemles kunnen gaan.

3.6.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

Er is sprake van zowel een complexe echtscheiding als kind-eigen problematiek. De moeder heeft gedurende de ondertoezichtstelling meerdere keren aangegeven overbelast te zijn en zij heeft de adviezen om hulp te zoeken lange tijd niet aangenomen. Ook heeft de ingezette intensieve ambulante hulpverlening onvoldoende resultaat opgeleverd. De moeder bleef in de strijd met de vader en de zorgen om de kinderen namen toe. Verder liet de moeder onvoldoende probleembesef zien, betrok zij de situatie op zichzelf en zag zij onvoldoende wat de gevolgen voor de kinderen waren. De ouders zijn nog altijd niet in staat om met elkaar in het belang van de kinderen te communiceren. Daardoor worden de kinderen met volwassenproblematiek belast.

Inmiddels beseft de moeder dat zij iets moet veranderen en hierin maakt zij stappen. Sinds ongeveer drie weken is een positieve tendens zichtbaar waarbij de moeder de kinderen op een andere manier benadert. Doordat dit nog heel pril is, is het nog te vroeg om de kinderen per direct thuis te plaatsen. Maashorst zal gaan starten met thuisbegeleiding van de contactmomenten. Afhankelijk van de ontwikkelingen de komende periode zal al dan niet om een verlenging worden verzocht.

De school van de kinderen is passend gelet op hun problematiek en ook is besproken dat de kinderen kunnen gaan sporten.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.7.2.

Op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende.

Dat de moeder een liefdevolle en toegewijde moeder is staat niet ter discussie. Verder is het hof gebleken dat bij de moeder thans sprake lijkt te zijn van een positieve ontwikkeling. Zij is in elk geval hard aan zichzelf aan het werken. Zij heeft sinds 13 augustus 2018 gesprekken met een psycholoog en lijkt hierdoor in te zien waar de oorzaak van haar strijd met de vader ligt en dat het aan haar is om daarin een weg te vinden. Van deze positieve ontwikkeling is echter pas sinds een relatief korte periode sprake, zodat naar het oordeel van dit hof op dit moment nog niet van een - voldoende - bestendige situatie gesproken kan worden. Er vinden thans evenmin fysieke contactmomenten tussen de moeder en de kinderen bij de moeder thuis plaats, zodat de moeder in die zin nog niet volledig wordt belast. Bij de kinderen is bovendien sprake van kindeigen problematiek. Verder voert de moeder, die op dit moment nog niet volledig haar werkzaamheden heeft hervat, nu nog gesprekken met een psycholoog; het is nog niet duidelijk wanneer zij dit traject zal afronden. Het hof is dan ook van oordeel dat de door de rechtbank bepaalde termijn van de uithuisplaatsing tot 9 januari 2019 noodzakelijk is om bij de moeder een bestendige stabiele situatie en voor de kinderen een goede thuissituatie te scheppen, opdat, zodra hieraan is voldaan, de moeder haar taak als opvoeder weer kan vervullen.

De resterende periode van de uithuisplaatsing dient door de GI te worden benut om duidelijkheid te krijgen over de draaglast van de moeder. Hiervoor is van belang dat de GI snel gaat inzetten op een uitbreiding van de fysieke contactmomenten tussen de moeder en de kinderen, zodat de uithuisplaatsing niet langer gaat duren dan noodzakelijk.

Ten aanzien van het beroep van de moeder op de artikelen 3 en 20 IVRK en 8 EVRM oordeelt het hof dat op grond van de feiten en omstandigheden, zoals gebleken uit de in de kader van de onderhavige procedure overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, voldoende is komen vast te staan dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de kinderen en dat het IVRK en het EVRM zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen een dergelijke maatregel verzetten.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 juli 2018;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, H. van Winkel en E.H. Schijven-Bours en is op 29 november 2018 door mr. H. van Winkel uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.