Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4906

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
200.235.688_01 en 200.235.688_02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:8328
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Kinderalimentatie

Bijdrage jongmeerderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummers : 200.235.688/01 en 200.235.688/02

zaaknummer rechtbank : C/02/333104 FA RK 17-3832

beschikking van de meervoudige kamer van 29 november 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker bij voorlopige voorzieningen en in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S. Kandemir te Dordrecht,

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in voorlopige voorzieningen en in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

krachtens volmacht d.d. 20 juni 2018 in hoger beroep mede handelend namens:

[de jongmeerderjarige 1] ,

wonende [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen [de jongmeerderjarige 1] .

advocaat mr. Z. Yeral te Roosendaal.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 19 december 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 15 maart 2018 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 19 december 2017.

2.2.

De vrouw heeft op 19 juni 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Voorts heeft de man op 6 juli 2018 bij de rechtbank Oost-Brabant een verzoekschrift voorlopige voorzieningen ingediend. De vrouw heeft op 22 augustus 2018 een verweerschrift voorlopige voorzieningen bij de rechtbank ingediend. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 29 augustus 2018 is die zaak verwezen naar dit hof in de stand waarin deze zich bevond.

2.4.

Deze zaken zijn ter griffie van het hof geadministreerd onder zaaknummer 200.235.688/01 (hoofdzaak) en zaaknummer 200.235.688/02 (voorlopige voorziening). De beide zaken zijn tegelijk behandeld en op deze zaken wordt tegelijk beslist.

2.5.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- de volmacht van [de jongmeerderjarige 1] van 20 juni 2018, ingekomen op 26 juni 2018, waarin [de jongmeerderjarige 1] de vrouw machtigt om haar in het hoger beroep tegen de bestreden beschikking te vertegenwoordigen;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 5 oktober 2018 met bijlagen, ingekomen op 5 oktober 2018.

2.6.

De mondelinge behandeling heeft op 18 oktober 2018 plaatsgevonden.

De vrouw en [de jongmeerderjarige 1] zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat.

De man is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

3 De feiten

3.1.

De man en de vrouw zijn op 3 juli 1991 te Ankara (Turkije) met elkaar gehuwd.

3.3.

De man en de vrouw zijn de ouders van [de jongmeerderjarige 1] , geboren op [de jongmeerderjarige 1] 2000 te [geboorteplaats] , alsmede van de jong-meerderjarige [de jongmeerderjarige 2] en de meerderjarige [de meerderjarige] .

De kinderen wonen bij de vrouw.

4 De omvang van het geschil

Met betrekking tot de hoofdzaak

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen de man en de vrouw onder meer de echtscheiding uitgesproken (deze beschikking is op het moment van de mondelinge behandeling nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand). Voorts heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jongmeerderjarige 1] met ingang van de datum van die beschikking (19 december 2017) bepaald op € 454,- per maand. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud heeft de rechtbank wegens gebrek aan draagkracht aan de zijde van de man afgewezen.

4.2.1.

De man heeft in zijn hoger beroepschrift verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot echtscheiding en in haar verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jongmeerderjarige 1] , alsmede een grief opgeworpen met betrekking tot de procespositie van [de jongmeerderjarige 1] , die met ingang van [de jongmeerderjarige 1] 2018, de dag waarop zij jong meerderjarig is geworden, aanspraak maakt op een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie.

4.3.

De vrouw heeft verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Met betrekking tot de voorlopige voorziening

4.4.

De man heeft bij verzoekschrift voorlopige voorzieningen voor de duur van de echtscheidingsprocedure verzocht het voorlopig gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [postcode] [woonplaats] , met uitsluiting van de vrouw, aan de man toe te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.

4.5.

De vrouw heeft verzocht de verzoeken van de man af te wijzen met veroordeling van de man in de kosten van het geding.

5 De motivering van de beslissing met betrekking tot de hoofdzaak

Ten aanzien van de echtscheiding en de procespositie van [de jongmeerderjarige 1]

5.1.

De advocaat van de man heeft de grieven van de man ten aanzien van de echtscheiding en ten aanzien van de procespositie van [de jongmeerderjarige 1] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ingetrokken, zodat deze punten geen bespreking meer behoeven.

Ingangsdatum

5.2.

De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum voor het betalen van een onderhoudsbijdrage voor [de jongmeerderjarige 1] (19 december 2017) is tussen partijen niet in geschil, zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt. Met ingang van 19 december 2017 tot [de jongmeerderjarige 1] 2018 betreft het een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jongmeerderjarige 1] en vanaf [de jongmeerderjarige 1] 2018 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige 1] , waarbij het hof gemakshalve uitgaat van de datum 1 januari 2018.

Hoogte behoefte van [de jongmeerderjarige 1]

5.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [de jongmeerderjarige 1] in de periode met ingang van 19 december 2017 tot [de jongmeerderjarige 1] 2018 € 475,- per maand bedraagt, zodat het hof daarvan uitgaat.

5.4.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man gesteld dat de behoefte van [de jongmeerderjarige 1] met ingang van [de jongmeerderjarige 1] 2018 hoogstens € 300,- per maand bedraagt, hetgeen de vrouw niet heeft weersproken, zodat het hof uitgaat van een behoefte van [de jongmeerderjarige 1] met ingang van [de jongmeerderjarige 1] 2018, althans 1 januari 2018, van € 300,- per maand.

Draagkracht van de man

5.5.

De man is in loondienst bij [bedrijf] te [vestigingsplaats] tegen een salaris van € 2.665,- bruto per maand (niveau 2017), te vermeerderen met toeslagen en vakantiegeld, welk salaris met ingang van 1 juni 2018 € 2.719,- bruto per maand bedraagt, te vermeerderen met toeslagen en vakantiegeld.

5.6.

Voor het berekenen van de draagkracht van de man onderscheidt het hof de navolgende perioden.

De periode van 19 december 2017 tot 1 maart 2018

5.6.1.

In deze periode heeft de man de beschikking gehad over zijn volledige salaris als hiervoor in rechtsoverweging 5.5. vermeld. De man heeft gesteld dat rekening moet worden gehouden met de dubbele woonlast (namelijk de eigen woonlast van de man en de hypotheeklast van de voormalige echtelijke woning), doch uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de man in deze periode enkel zijn eigen woonlast heeft voldaan en niet die van de voormalige echtelijke woning, zodat in deze periode van een dubbele woonlast geen sprake is geweest. De advocaat van de man heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat voor de periode van 19 december 2017 tot [de jongmeerderjarige 1] 2018 uitgegaan kan worden van een draagkracht van de man van € 528,- per maand zoals de rechtbank heeft vastgesteld, zodat het hof daarvan uitgaat.

Met ingang van 1 maart 2018

5.6.2.

Blijkens de door de man overgelegde salarisspecificaties over de periode maart tot en met juni 2018 ligt er een loonbeslag van € 1.556,733 per maand. Naar de man onweersproken ter zitting heeft gesteld ligt dit beslag er in verband met de inmiddels opeisbare hypothecaire geldlening met betrekking tot de voormalige echtelijke woning waarvan de hoofdsom inclusief achterstand tot en met 1 juni 2018 ruim € 97.000,- bedraagt. De man heeft onweersproken gesteld dat het loonbeslag ook thans nog voortduurt. Uit de door de man in hoger beroep overgelegde salarisspecificaties van maart en juni 2018 blijkt dat de man in die maanden na beslag een salaris ontving van gemiddeld € 700,- netto per maand. Uit de salarisspecificaties van de maanden april en mei 2018 blijkt dat de man vanwege meer inkomsten een hoger bedrag aan salaris kreeg uitbetaald, maar nu de advocaat van de man ter gelegenheid van de mondelinge behandeling onweersproken heeft verklaard dat de man in die twee maanden wel zelf de maximale afdrachten aan de deurwaarder heeft gedaan, gaat het hof ook in die twee maanden uit van een gemiddeld salaris van de man van € 700,- netto per maand. Nu de man met ingang van 1 maart 2018 een netto salaris heeft onder bijstandsniveau gaat het hof ervan uit dat de man met ingang van 1 maart 2018 geen draagkracht heeft.

Draagkracht van de vrouw

5.7.1.

De man heeft aangevoerd dat de rechtbank het aandeel van de vrouw in de kosten van [de jongmeerderjarige 1] ten onrechte heeft vastgesteld op € 25,- per maand. De man heeft, kort samengevat, het navolgende gesteld. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van een omzet in de eenmanszaak van de vrouw (Autorijschool [autorijschool] ) van € 15.000,- per jaar en van een winst uit onderneming van € 10.000,- per jaar. De vrouw heeft in het jaar 2017 in totaal 510 theorie examens ingekocht en 28 praktijk examens, waarvoor de vrouw meer dan € 20.000,- aan het CBR heeft betaald. Tot en met juli 2018 heeft de vrouw 202 theorie examens ingekocht en 22 praktijk examens, waarvoor de vrouw meer dan € 9.300,- aan het CBR heeft betaald. De man heeft gesteld dat alleen al gelet op de ingekochte theorie examens en de prijs die klanten daarvoor moeten betalen, in 2017 uitgegaan moet worden van een omzet van meer dan € 50.000,- en in 2018 van € 20.000,-.

5.7.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Zij heeft gesteld dat leerlingen niet in een keer slagen zodat meerdere praktijk examens moeten worden aangevraagd. De vrouw heeft verder gesteld dat de cijfers van 2016 geëxtrapoleerd kunnen worden naar 2017 omdat de situatie in de onderneming niet is veranderd.

5.7.3.

Het hof overweegt het navolgende.

De vrouw heeft met betrekking tot de financiële positie van haar eenmanszaak het fiscaal rapport 2016 overgelegd, alsmede aangiftes Omzetbelasting ter zake de eerste drie kwartalen 2017. Uit het fiscaal rapport 2016 blijkt een omzet van € 11.943,- en een winst uit onderneming van € 5.446,-. De aangiftes Omzetbelasting eerste drie kwartalen 2017 vermelden een omzet van totaal € 12.782,-. Gelet op de stellingen van de man in hoger beroep had het op de weg van de vrouw gelegen meer inzicht te geven in haar financiële situatie en die van de eenmanszaak. Met name ontbreken de aangifte Inkomstenbelasting 2017 en de jaarstukken 2017, dan wel het fiscale rapport 2017. Ook heeft de vrouw geen enkele aanslag Inkomstenbelasting overgelegd en ontbreken de voorlopige cijfers 2018 van de eenmanszaak. Dit klemt te meer daar de vrouw ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft verklaard dat de theorielessen door andere rijschoolhouders worden gegeven en dat deze een vergoeding aan de vrouw voldoen, in voorgaande jaren van € 2,- per examen, doch thans van een hoger bedrag van € 3,- per examen. Desgevraagd heeft de vrouw ter gelegenheid van de mondelinge behandeling voorts verklaard dat zij per dag gemiddeld vier autorijlessen geeft à € 30,- per les, gedurende vijf dagen in de week. Het hof overweegt dat de vrouw daarmee in ieder geval een omzet genereert van € 600,- per week, dat is € 25.000,- à € 30.000, op jaarbasis, nog daargelaten de omzet die de vrouw heeft uit de (verhoogde) vergoedingen voor de theorie examens. Het voorgaande in onderlinge samenhang bezien leidt ertoe dat de vrouw onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar financiële situatie, hetgeen gelet op de stellingen van de man wel op haar weg had gelegen. De vrouw heeft het hof geen inzicht heeft gegeven in de werkelijke omzet en werkelijke winst die zij in de onderneming genereert, terwijl de voormelde verklaringen van de vrouw ter gelegenheid van de mondelinge behandeling de conclusie rechtvaardigen dat de vrouw in 2017 en 2018 meer omzet en naar verwachting meer winst in de eenmanszaak heeft gegenereerd, dan wel genereert dan waar de rechtbank vanuit is gegaan. Het hof overweegt dat hij met betrekking tot de draagkracht van de vrouw aan het voorgaande de gevolgtrekking mag verbinden die hij geraden acht (artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Gelet op het voorgaande stelt het hof het aandeel van de vrouw in de kosten van [de jongmeerderjarige 1] op de helft van de behoefte van [de jongmeerderjarige 1] , dat wil zeggen met ingang van 19 december 2017 op een bedrag van € 227,- per maand en met ingang van [de jongmeerderjarige 1] 2018, althans 1 januari 2018 op € 150,- per maand.

Aandeel van de man in de kosten van [de jongmeerderjarige 1]

5.8.1.

Het voorgaande leidt ertoe dat de man aan de vrouw van 19 december 2017 tot en met 31 december 2017 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jongmeerderjarige 1] dient te voldoen ten bedrage van de helft van de behoefte van [de jongmeerderjarige 1] , van € 227,- op maandbasis, dat betekent voor die periode een bedrag van totaal € 95,20, waarvoor de man voldoende draagkracht heeft.

5.8.2.

Voor de periode van 1 januari 2018 tot 1 maart 2018 dient de man aan [de jongmeerderjarige 1] een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie te voldoen ten bedrage van de helft van haar behoefte, dat is een bedrag van € 150,- per maand, waarvoor de man voldoende draagkracht heeft.

5.8.3.

Met ingang van 1 maart 2018 heeft de man geen draagkracht om enige onderhoudsbijdrage aan [de jongmeerderjarige 1] te voldoen.

6 De motivering van de beslissing met betrekking tot de voorlopige voorziening

6.1.

Het verzoek van de man tot het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot de voormalige echtelijke woning van partijen en het verweer van de vrouw op dat verzoek, is uitvoerig met partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling besproken. De advocaat van de man heeft desgevraagd ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat het doel van de man met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening nadrukkelijk niet is om de woning in gebruik te krijgen en evenmin om de vrouw uit de woning te krijgen, maar het is de man erom te doen dat de vrouw de hypotheek betaalt nu zij de woning bewoont (dan wel dat bij de berekening van zijn draagkracht met een dubbele woonlast rekening wordt gehouden) en dat de vrouw uiteindelijk mee werkt aan verkoop van de woning aan derden.

Gelet op de uitlatingen van de advocaat van de man ter zitting is het hof van oordeel dat de man geen rechtens te rechtvaardigen belang heeft bij de door hem gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek van de man wordt afgewezen.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in deze voorlopige voorzieningenprocedure compenseren nu partijen gewezen echtgenoten zijn, in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

7 De slotsom

7.1.

Het voorgaande leidt in de beide zaken tot de navolgende beslissing.

8 De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.235.688/01

wijst af het verzoek van de man tot het treffen van de verzochte voorlopige voorziening;

compenseert de kosten van het geding in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

in de zaak met zaaknummer 200.235.688/02

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 19 december 2017, uitsluitend voor zover het betreft de onderhoudsbijdrage voor [de jongmeerderjarige 1] ,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw van 19 december 2017 tot en met 31 december 2017 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [de jongmeerderjarige 1] , geboren op [de jongmeerderjarige 1] 2018 te [geboorteplaats] ,

dient te voldoen een bedrag van totaal € 95,20;

bepaalt dat de man aan [de jongmeerderjarige 1] van 1 januari 2018 tot 1 maart 2018 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige 1] dient te voldoen een bedrag van € 150,- per maand;

stelt de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige 1] met ingang van 1 maart 2018 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, C.N.M. Antens en C.A.R.M. van Leuven en bijgestaan door de griffier en is op 29 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.