Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4904

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
200.224.053_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling;

Verzoek tot omgangsregeling afgewezen.

Omgang niet in het belang van de kinderen, gelet op belaste voorgeschiedenis, doorlopen hulpverleningstrajecten en de leeftijd van de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 29 november 2018

Zaaknummer: 200.224.053/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/293465 FA RK 15-245

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.J. Bronsveld,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. W.H.P. de Jongh.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 juni 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 september 2017, heeft de vader het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog zijn verzoeken zoals in eerste aanleg door hem verzocht toe te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 november 2017, heeft de moeder het hof verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen.

2.3.

De eerste mondelinge behandeling stond gepland op 14 juni 2018, doch deze heeft niet plaatsgevonden.

Na aanhouding heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op 23 oktober 2018. Daarbij zijn gehoord;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Bronsveld en de heer A. Fawzy als beëdigd tolk in de Egyptische taal (tolknummer: 12083);

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. De Jongh;

  • -

    de raad vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.2.

Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling gehoord. Van het gesprek met de kinderen is ter zitting door de voorzitter een samenvatting gegeven en partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief van drs. F. Adriaansen, voormalige bijzondere curator, d.d. 10 oktober 2017;

  • -

    de brief van de advocaat van de moeder d.d. 10 november 2017, met als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 18 mei 2017;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 24 mei 2018;

  • -

    het V8-formulier met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 12 juni 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 1 september 1988 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    [jongmeerderjarige] (hierna: [jongmeerderjarige] ), op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,

  • -

    [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,

  • -

    [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] .

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

[jongmeerderjarige] heeft inmiddels de meerderjarige leeftijd bereikt wat maakt dat de onderhavige procedure geen betrekking meer heeft op haar.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij beschikking van 16 april 2012 heeft de rechtbank Breda tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 24 september 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 juni 2015 heeft de rechtbank tot bijzondere curator over de minderjarigen benoemd: drs. J.H. van Schaik. De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht schriftelijk verslag te doen van zijn bevindingen een daarbij een standpunt over het verzoek van de vader (tot vaststelling van een verdeling van de zorg-en opvoedingstaken) in te nemen. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

3.4.

Bij beschikking van diezelfde rechtbank van 15 juli 2015 heeft de rechtbank drs. J.H. van Schaik ontslagen als bijzondere curator over de minderjarigen en heeft tot opvolgend bijzondere curator benoemd: drs. F.M.B. van Schaik-Adriaansen. In afwachting van de bevindingen van de bijzondere curator heeft de rechtbank iedere verdere beslissing aangehouden.

3.5.

Bij beschikking van 28 december 2015 heeft de rechtbank de contactregeling tussen de vader en [jongmeerderjarige] voorlopig geschorst en bepaald dat de vader en de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot begeleide omgang met elkaar in het kader van Intensieve Omgangsbegeleiding, waarbij de verdere invulling - waaronder individuele oudergesprekken - zal geschieden in nader overleg tussen partijen en Juzt, met inachtneming van het advies van de bijzondere curator. De rechtbank heeft partijen bevolen gevolg te geven aan de oproep van Juzt om in overleg te treden over de concrete uitwerking en vastlegging van de in te vullen regeling en hen bevolen mee te werken aan de uitvoering van de regeling. De rechtbank heeft de zaak in afwachting van het rapport van Juzt over het verloop van de begeleide omgang en bericht van de advocaten van partijen aangehouden en zich iedere verdere beslissing voorbehouden.

3.6.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken afgewezen en de kosten van het geding aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.7.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.8.

De vader voert, kort samengevat het volgende aan.

De vader stelt dat hij niet juist is opgeroepen voor de zitting van 18 mei 2017 bij de rechtbank en dat de rechtbank derhalve ten onrechte de behandeling niet heeft aangehouden. Volgens de vader heeft de rechtbank ten onrechte de verzoeken afgewezen, nu er geen concrete contra-indicaties bestaan met betrekking tot de omgang

De bijzondere curator heeft ook geoordeeld dat omgang tot de mogelijkheden behoort en noodzakelijk zal zijn.

Het standpunt van de raad is dat er op dit moment beperkingen zijn, maar dat niet uitgesloten kan worden dat op termijn wel degelijk omgang mogelijk is.

De rechtbank had volgens de vader moeten beoordelen of er aanknopingspunten waren om de tot nu toe gevolgde trajecten te hervatten dan wel te kiezen voor hulpverleningstrajecten.

Volgens de vader blijkt niet dat die mogelijkheden in voldoende mate zijn benut.

Ter zitting van het hof heeft de vader verklaard dat de kinderen in zijn visie zijn gehersenspoeld door de moeder en dat hij daar ook bewijzen voor heeft.

De advocaat van de vader heeft verder aangegeven dat er over en weer tussen ouders veel verwijten bestaan rondom de echtscheiding, ook op het financiële vlak. De vader blijft echter open staan voor hulpverlening en begeleiding, in het belang van de (identiteitsvorming van de) kinderen en het contact met hen.

Voorts heeft de vader ter zitting zijn grief met betrekking tot het niet juist opgeroepen zijn door de rechtbank ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.

3.9.

De moeder voert in het verweerschrift, kort samengevat, het volgende aan.

Ter zitting van 18 mei 2017 in eerste aanleg is namens de vader geen verzoek tot aanhouding gedaan. Door beide partijen zijn voor de zitting verhinderdata opgegeven. De vader kan niet volstaan met de stelling dat hij geen uitnodiging heeft ontvangen van zijn advocaat voor de zitting.

De rechtbank heeft voldoende zorgvuldig gehandeld en voldoende onderzoek gedaan om te komen tot de uiteindelijke beslissing.

Er is al eerder een onderzoek gedaan door de raad naar de kinderen in 2010 toen de vader het gezin had verlaten.

De bijzondere curator heeft geconcludeerd dat er sprake is van een zeer belaste voorgeschiedenis en een verstoorde opvoedrelatie tussen de kinderen en de vader. Ten aanzien van [jongmeerderjarige] is geadviseerd om het contact met de vader te schorsen en ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn begeleide contacten geadviseerd en is de module “ouderschap blijft” geadviseerd

Juzt heeft geconcludeerd dat het niet haalbaar lijkt om contact tussen de vader en de kinderen te realiseren. Contact tussen [minderjarige 1] en de vader heeft geen positieve uitwerking gehad op [minderjarige 1] .

De kinderen hebben rust nodig en krijgen die rust niet door het steeds opnieuw zoeken van contact door de vader.

Ter zitting van het hof heeft de moeder verklaard altijd open te hebben gestaan voor een vorm van contact tussen de vader en de kinderen, doch dat zij hier momenteel meer moeite mee heeft, mede door de negatieve ontwikkelingen in het leven van [minderjarige 1] gedurende een periode van contact tussen hem en de vader en de manipulerende manier van doen van de vader jegens de kinderen. Desgevraagd heeft de moeder aangegeven dat indien de kinderen op enig moment wel weer contact met de vader wensen, dat zij dit tegen haar zouden durven zeggen omdat zij hen altijd kansen heeft gegeven om het contact met de vader te herstellen.

3.10.

De raad heeft ter zitting geadviseerd om de kinderen niet te dwingen contact met de vader te hebben, zeker gelet op hun leeftijd. Een vaststelling van een contactregeling acht de raad dan ook weinig zinvol en niet in het belang van de kinderen die herhaaldelijk en duidelijk hun bezwaren en wensen kenbaar hebben gemaakt. Afdwingen van contact zal een averechts effect teweeg brengen, zoals eerder ook door Juzt is aangegeven.

Zorgregeling

3.11.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.12.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzoek van de vader tot vaststelling van een contactregeling met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] thans dient te worden afgewezen. Uit de voorhanden zijnde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep, alsmede uit het kindgesprek met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , is het hof gebleken dat er sprake is van een zeer belaste voorgeschiedenis waar de kinderen onder gebukt gaan. Zo hebben de kinderen jarenlang niet of nauwelijks contact met de vader gehad toen hij in 2010 zijn gezin plotseling met onbekende bestemming verliet, terwijl de moeder achterbleef met grote schulden.

De kinderen hebben rondom de scheiding van de ouders en ook nu nog, waarbij de verwijtende sfeer tussen ouders onderling nog immer voortduurt, veel meegemaakt en zij kampen mede hierdoor met een fors loyaliteitsconflict. De kinderen geven aan dat zij in het contact met de vader ernstig last ondervinden van het voortdurend zwartmaken van de moeder en haar kant van de familie door de vader. Ook de bijzondere curator heeft in haar verslag van 9 september 2015, ondanks haar advies te komen tot door Juzt te begeleide contacten, geconstateerd dat de voorgeschiedenis belast is en dat de kinderen gebukt gaan onder een loyaliteitsconflict. Het rapport van Juzt van 15 december 2016 concludeert vervolgens dat de kinderen niet gebaat zijn met het forceren van contact met hun vader.

Tussen de ouders onderling is geen enkele vorm van communicatie mogelijk en ondanks dat de moeder steeds heeft aangegeven open te staan voor (een vorm van) contact tussen de vader en de kinderen, heeft zij in dit stadium verklaard het moeilijk te vinden ervoor open te blijven staan, nu de kinderen zo uitdrukkelijk blijven aangeven het niet te willen en het contact wat er geweest is tussen de vader en [minderjarige 1] heeft geleid tot vele negatieve ontwikkelingen in het leven van [minderjarige 1] .

Nu de pogingen die ondernomen zijn het contact tussen de kinderen en de vader te herstellen een negatieve uitwerking hebben gehad en de kinderen uitdrukkelijk en herhaaldelijk te kennen geven geen contact te willen met de vader, acht het hof, in samenhang bezien met het belaste gezinsverleden, de doorlopen hulpverleningstrajecten en de leeftijd van de kinderen, een vaststelling van een contactregeling tussen de vader en (een van) hen op dit moment niet in hun belang. De kinderen hebben rust nodig en dienen zich te kunnen concentreren op de huidige positieve ontwikkelingen in hun leven. Op dit moment hoort een geforceerd contact met de vader daar niet bij, nu zij hier aanhoudend stress van ervaren. De kinderen zijn woonachtig in de buurt van de vader, waardoor zij hem weleens tegen het lijf lopen. Op dit moment ontwijken zij ook dergelijke toevallige ontmoetingen, doch wellicht staan zij op enig moment in hun leven daar wel voor open. Als zij de vader willen ontmoeten weten zij de vader makkelijk te vinden. De moeder heeft uitdrukkelijk verklaard niet tegen contact met de vader te zijn indien de kinderen daar zelf aan toe zijn. Het feit dat [minderjarige 1] op enig moment geruime tijd contact heeft kunnen onderhouden met de vader getuigt naar het oordeel van het hof dat deze (emotionele) toestemming van de moeder oprecht is.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de rechtbank het verzoek van de vader terecht heeft afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 juni 2017;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, J.C.E. Ackermans-Wijn en C.L.M. Smeets en is op 29 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier