Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4903

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
200.233.139_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding.

Voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat gedaagde genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat algemene voorwaarden van toepassing zijn en op grond van artikel 25 van de Brussel I bis is het forumkeuzebeding geldig want schriftelijk overeengekomen. Nu volgens dit beding de Belgische rechter bevoegd is, heeft de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaard van het geschil kennis te nemen. Hof komt tot een ander oordeel. Aangezien de aanlegger een consument is, volgt uit de artikelen 17,18 en 19 van Brussel I bis dat de Nederlandse rechter bevoegd is, in casu de rechter van de woonplaats van eiser.

Het vonnis wordt vernietigd en de Nederlandse rechter wordt bevoegd verklaard. De zaak wordt ter verdere afdoening terugverwezen naar de rechtbank.

Art 17 Verordening (EU) nr. 1215/2012

Art 18 Verordening (EU) nr. 1215/2012

Art 19 Verordening (EU) nr. 1215/2012

Art 25 Verordening (EU) nr. 1215/2012

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.233.139/01

arrest van 27 november 2018

in de zaak van

1 [appellant] ,

2. [appellante] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten in principaal appel,

hierna (in mannelijk enkelvoud) aan te duiden als [appellanten c.s.] ,

advocaat: mr. R.G.P. Voragen,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Belgisch recht

[houtskeletbouw] B.V.B.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] , België,

geïntimeerde in principaal appel,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

niet verschenen,

als vervolg op het tussenarrest van 3 juli 2018.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/243577 / KG ZA 17-623)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij memorie van grieven heeft [appellanten c.s.] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het terugverwijzen van de zaak naar de rechtbank Limburg.

2.2.

[appellanten c.s.] heeft de zaak schriftelijk doen bepleiten en daartoe heeft mr. R.G.P. Voragen op de rol van 6 november 2018 een schriftelijke pleitnota ingediend. Bij H-12 formulier d.d. 19 oktober 2018 heeft [appellanten c.s.] een productie ingediend (ongedateerd verzoekschrift benoeming deskundige) en voorts bij e-mailbericht van 26 oktober 2018 een productie aan het hof gezonden (offerte van de door rechtbank te benoemen deskundige).

Namens [appellanten c.s.] is er mee ingestemd dat het hof recht doet op de op voorhand in kopie toegezonden gedingstukken.

3 De beoordeling

Grief 1 tegen feitenvaststelling voorzieningenrechter

3.1.

In r.o. 2.1 en 2.2 heeft de voorzieningenrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil moet worden uitgegaan. Grief 1 is gericht tegen de vaststelling in r.o. 2.2 dat de werkzaamheden in de loop van 2017 door [geïntimeerde] zijn opgeschort. Volgens de toelichting op deze grief is juist dat [geïntimeerde] haar werkzaamheden feitelijk heeft opgeschort, maar is er juridisch geen sprake van een rechtsgeldige opschorting.

Deze grief berust op een verkeerde lezing van deze rechtsoverweging. Met het woord ‘opschorting’ heeft de voorzieningenrechter enkel vastgesteld dat de werkzaamheden door [geïntimeerde] feitelijk zijn opgeschort, dus door [geïntimeerde] zijn gestaakt. Dat de werkzaamheden door [geïntimeerde] ook rechtsgeldig zijn opgeschort, volgt anders dan [appellanten c.s.] stelt, niet uit die enkele vaststelling.

Het hof gaat daarom van dezelfde feiten uit als de rechtbank, zij het dat het hof voor alle duidelijkheid zal vaststellen dat de werkzaamheden zijn gestaakt in plaats van opgeschort.

Vaststaande feiten in hoger beroep

4.1.1.

[appellanten c.s.] heeft [geïntimeerde] de opdracht gegeven een woning te bouwen in [plaats] . Daartoe is op offerte een overeenkomst gesloten op 19 juli 2016, aangevuld met een (handgeschreven) annex op 8 december 2016 (productie 1 in eerste aanleg zijdens [geïntimeerde] ). De overeenkomst en annex zijn door beide partijen ondertekend.

4.1.2.

De werkzaamheden zijn in de loop van 2017 door [geïntimeerde] gestaakt. [geïntimeerde] heeft geen gehoor gegeven aan het (meermaals gedaan) verzoek van [appellanten c.s.] tot het hervatten van de (afbouw)werkzaamheden, het opruimen en afschermen van de bouwplaats en het opleveren van de woning.

Verloop procedure eerste aanleg

4.2.

Daarop heeft [appellanten c.s.] bij kortgedingdagvaarding van 5 december 2017 [geïntimeerde] in rechte betrokken en gevorderd, kort gezegd, dat [geïntimeerde] wordt geboden de werkzaamheden te hervatten. [geïntimeerde] heeft zich voor alle materiële verweren beroepen op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter aangezien de toepasselijke algemene voorwaarden een forumkeuzebeding bevatten waarin is gekozen voor de Belgische rechter.

4.3.

De voorzieningenrechter heeft, kort samengevat, geoordeeld dat de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] van toepassing zijn en voorts dat nu het daarin opgenomen forumkeuzebeding schriftelijk is overeengekomen, er is voldaan aan artikel 25 aanhef

en sub a van Brussel I bis. Derhalve is niet de Nederlandse rechter bevoegd, maar de Belgische rechter. Daarop heeft de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaard van de vordering kennis te nemen.

Het geschil in hoger beroep

Spoedeisend belang

4.4.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de aard van het geschil dat ook in hoger beroep sprake is van een spoedeisend belang.

Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter?

4.5.

Vaststaat dat [geïntimeerde] ten tijde van de inleidende dagvaarding was gevestigd - of zo als zij dat zelf uitdrukt: haar maatschappelijke zetel had - in [vestigingsplaats] , dus in België. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst dient te worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen.

4.6.

Nu het onderhavige geschil betrekking heeft op een overeenkomst van aanneming van werk en het dus een handelszaak betreft, dient deze vraag te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in Brussel I bis (Verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van Europa van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken). Voorts staat vast dat [appellanten c.s.] in privé voor de bouw van zijn woning met [geïntimeerde] deze aannemingsovereenkomst heeft gesloten. Het is dus een consumentenovereenkomst, zodat moet worden onderzocht of afdeling 4 van hoofdstuk 2 van deze verordening inzake de bevoegdheid van door consumenten gesloten overeenkomsten van toepassing is (artikelen 17, 18 en 19).

4.7.

Op grond van artikel 17 lid 1 aanhef en sub c Brussel I bis wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling wanneer:

“de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die lidstaat, of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt”.

Toegespitst op het onderhavige geschil is afdeling 4 van toepassing indien:

  1. [geïntimeerde] haar commerciële of beroepsactiviteiten richt op Nederland en

  2. de met [appellanten c.s.] gesloten overeenkomst onder die activiteiten valt.

Niet in discussie is dat de gesloten aannemingsovereenkomst onder de commerciële activiteiten van [geïntimeerde] valt. Naar het oordeel van het hof volgt voorts uit de – Nederlandstalige – website van [geïntimeerde] dat zij haar activiteiten zowel op België als op Nederland richt. Iedere bladzijde van haar website bevat namelijk de koptekst:

“ [geïntimeerde]

Houtskeletbouw België-Nederland”.

4.8.

Uit artikel 18 lid 1 van Brussel I bis volgt dat de rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst, kan worden gebracht voor het gerecht van de plaats waar de consument woonplaats heeft. Dit betekent dus dat de Nederlandse rechter, in casu de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, bevoegd is van het door [appellanten c.s.] aanhangig gemaakte kort geding kennis te nemen. Anders dan de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, kan [geïntimeerde] zich niet op het forumkeuzebeding beroepen. Uit artikel 19 van Brussel I bis volgt namelijk dat van afdeling 4 alleen kan worden afgeweken door overeenkomsten gesloten na het geschil. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Slotsom

4.9.

Dit betekent dat het vonnis van de voorzieningenrechter dient te worden vernietigd.

Nu de eerste rechter niet is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil zal de zaak, zoals ook door [appellanten c.s.] verzocht, worden terugverwezen naar de eerste rechter.

4.10.

[geïntimeerde] wordt als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep. De kosten van het kort geding in eerste aanleg worden gereserveerd tot aan de einduitspraak van de voorzieningenrechter.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en

opnieuw rechtdoende:

verklaart de Nederlandse rechter bevoegd om van dit geschil kennis te nemen;

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt terug naar de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, teneinde deze verder te behandelen met inachtneming van hetgeen het hof in dit arrest heeft overwogen;

veroordeelt [geïntimeerde] B.V.B.A. in de proceskosten van dit hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellanten c.s.] op € 98,01 aan dagvaardingskosten, op

€ 318,00 aan griffierechten en op € 2.148,00 aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, H.A.W. Vermeulen en M. Souren en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 november 2018.

griffier rolraadsheer