Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4881

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
200.219.773_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Relatievermogensrecht. Eenvoudige gemeenschap (woning). Uitleg bepaling samenlevingsovereenkomst: “Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hem gezamenlijk te gebruiken tweede woning in mede-eigendom wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij.” Kosten ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid hypotheek. Te veel ontvangen hypotheekrente-aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2019/124 met annotatie van Reinhartz, B.E.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.219.773/01

arrest van 27 november 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. C. Bayrak te Bergen op Zoom,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. V.J.C. Pieters te Goes,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 juli 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 12 april 2017, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/301947 / HA ZA 15-458)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven, met het procesdossier van de eerste aanleg (productie 1) en de producties 2 t/m 16;

  • -

    de memorie van antwoord, met de producties 1 t/m 4;

  • -

    de akte “uitlating met betrekking tot de memorie van antwoord, tevens strekkende tot overlegging producties” van de man van 16 januari 2018, met de producties 17 t/m 26;

  • -

    de antwoordakte van de vrouw van 13 februari 2018.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Deze zaak betreft de vermogensrechtelijke afwikkeling van de inmiddels beëindigde samenleving van partijen. Het gaat met name om de uitleg van een bepaling uit het samenlevingscontract en verder nog om verscheidene kosten die verband houden met de woning van partijen.

3.2.

De rechtbank heeft vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan (vs. 6 juli 2016). Deze feiten, voor zover die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze feiten.

  • -

    a) partijen hebben een affectieve relatie gehad;

  • -

    b) zij hebben een samenlevingsovereenkomst gesloten op 2 november 2011;

  • -

    c) art. 4 van die overeenkomst luidt:

“1. Tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden in voorkomende gevallen ondermeer gerekend (…) de kosten van gebruikelijke verzekeringen met inbegrip van de premie voor een eventuele ziektekostenverzekering (…).

2. Premies van overlijdensrisicoverzekering (daaronder het risicodeel van een gemengde verzekering en een ongevallenverzekering begrepen) vallen niet onder de kosten van de huishouding.

De begunstigde partij dient tevens verzekeringnemer te zijn van een dergelijke verzekering en indien dat niet het geval is wordt de begunstigde partij geacht verzekeringnemer te zijn.

Deze begunstigde partij draagt de deswege verschuldigde of betaalde premies of koopsommen.

(…)”

( d) art. 6 lid 4 van die overeenkomst luidt:

“Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hem gezamenlijk te gebruiken tweede woning in mede-eigendom wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij.”

( e) art. 9 lid 5 van die overeenkomst luidt:

“Indien door de ene partij een uitkering wegens overbedeling moet worden gedaan aan de andere partij, zal de schuldenaar de bevoegdheid hebben de uitkering te voldoen in vijf gelijke jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt zes maanden na het eindigen van de overeenkomst. Over het nog niet betaalde deel van de uitkering is door de schuldenaar een rentevergoeding verschuldigd gelijk aan de wettelijke rente (…)”

  • -

    f) partijen hebben in gezamenlijke eigendom verkregen een woonhuis in [plaats] (hierna: de woning);

  • -

    g) de affectieve relatie van partijen is geëindigd in oktober 2014;

  • -

    h) de samenlevingsovereenkomst is per 28 juni 2015 ontbonden.

  • -

    i) bij akte van verdeling d.d. 15 maart 2017 is de woning verdeeld en geleverd aan de man (akte uitlating man, prod. 17).

3.3.

De vrouw heeft de man gedagvaard. Zij heeft, voor zover in hoger beroep relevant, een – wat in de procedure is gaan heten – “vordering tot terugbetaling van belastinggeld 2014” ingesteld. De vordering is uiteindelijk uitgekomen op een bedrag van € 2.125,--.

De man heeft in reconventie, voor zover in hoger beroep van belang, gevorderd de vrouw uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling aan hem van:

  • -

    € 17.942,86 op grond van art. 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst;

  • -

    € 980,39 in verband met de kosten van de woning;

  • -

    € 819,91 vanwege premie levensverzekering;

  • -

    € 1.775,50 voor ontslag uit hoofdelijkheid.

De rechtbank heeft daarop vier vonnissen gewezen.

  • -

    i) Bij vonnis van 23 september 2015 is een comparitie van partijen gelast. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

  • -

    ii) Bij vonnis van 6 juli 2016 is de man veroordeeld om mee te werken aan de overdracht aan hemzelf van de woning, waarbij de vrouw wegens onderbedeling een bedrag van € 2.632,92 aan de man dient te betalen. Verder is de zaak naar de rol verwezen voor nadere informatie partijen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

  • -

    iii) Bij vonnis van 28 december 2016 is in het lichaam (maar niet in het dictum) van dat vonnis geoordeeld dat de man recht heeft op betaling door de vrouw van:

- € 2.632,92 (ter zake van de onderwaarde); (hof: aldus ook al het vonnis van 6 juli 2016);

- € 11.936,58 (ter zake van zijn eigen inbreng, op grond van art. 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst)

- “in beginsel” € 1.775,50, namelijk “afhankelijk van verdere informatie” (de kosten van het ontslag uit de hoofdelijkheid” )

In het dictum van dit vonnis is de zaak naar de rol verwezen voor nadere informatie van partijen, en is iedere verdere beslissing aangehouden.

( iv) Bij vonnis van 12 april 2017 is de man ter zake van de terugbetaling van het belastinggeld 2014 (de vordering in conventie) veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 2.125,--.

De vrouw is bij dit vonnis (op grond van de reconventionele vorderingen) veroordeeld tot betaling aan de man van:

- € 11.936,58 (op grond van art. 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst)

- € 2.632,92 (ter zake van de onderwaarde)

- € 500,-- (ter zake van “de kosten die verband houden met de overname van de woning door [de man]” (hof: in het vonnis van 28 december 2016 aangeduid als “kosten van het ontslag uit de hoofdelijkheid”);

De vordering van de man ter zake van de levensverzekering en zijn vordering in verband met de kosten van de woning is afgewezen.

Het meer of anders gevorderde (in conventie en reconventie) is afgewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd.

3.4.

De man heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. De man heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke vernietiging van het beroepen vonnis (van 12 april 2017) en tot het alsnog toewijzen van zijn navolgende vorderingen:

- vordering ad € 6.178,-- m.b.t. de investering van de man in de echtelijke (het hof begrijpt: gezamenlijke) woning (grief 1);

- vordering ad € 1.912,67 m.b.t. kosten ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid (grief 2);

- vordering ad € 1.313,83 m.b.t. kosten woning januari en februari 2015 (grief 3);

- vordering ad € 1.102,70 kosten levensverzekering (grief 4).

Voorts heeft de man geconcludeerd tot afwijzing alsnog van de vorderingen van de vrouw, waaronder haar vordering tot terugbetaling van belastinggeld 2014 (grief 5), kosten rechtens.

Ontvankelijkheid

3.5.

Volgens de vrouw is de man niet-ontvankelijk. Zij voert daartoe aan dat de man alleen hoger beroep heeft ingesteld tegen het eindvonnis van 12 april 2017 en alleen vernietiging van dát vonnis heeft gevorderd, maar dat zijn grieven ook diverse oordelen in de eerdere vonnissen betreffen. De man had daarom ook de vernietiging van die eerdere vonnissen moeten vorderen (HR 12 december 2003, NJ 2004/341).

Het hof verwerpt dit betoog van de vrouw. Het berust op een onjuiste rechtsopvatting. Waar de grieven van de man zijn gericht tegen beslissingen in het lichaam van de tussenvonnissen, zijn die beslissingen niet ook in het dictum van die vonnissen opgenomen. Van deze tussenvonnissen kan hoger beroep pas tegelijk met dat van het eindvonnis worden ingesteld (art. 337 Rv), zoals de man ook heeft gedaan. De man hoefde ook geen vernietiging van de eerdere vonnissen te vorderen. Pas in het dictum van het eindvonnis is omtrent het gevorderde een einde gemaakt aan het geding. In het arrest waar de vrouw op wijst, heeft de Hoge Raad niet in andere zin beslist.

De akte van de man en de antwoordakte van de vrouw

3.6.

De “Akte uitlating met betrekking tot de memorie van antwoord, tevens strekkende tot overlegging producties” van 16 januari 2018 is, wat het eerste onderdeel betreft (de uitlating over de memorie van antwoord), in strijd met de twee-conclusie-regel. Van uitzonderingen daarop is niet gebleken. In het bijzonder is geen sprake van ondubbelzinnige instemming door de vrouw (zij maakt juist bezwaar). Alleen het tweede onderdeel van de akte (overlegging van producties en toelichting daarop), is toelaatbaar. Het betreft in het bijzonder productie 17 (met toelichting in de eerste alinea ter zake de akte van verdeling en de correspondentie met de notaris die daaraan voorafging); productie 21 (met toelichting in de vierde alinea ter zake van de kosten van het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid); en de producties 22 t/m 25 (met toelichting in de zesde alinea ter zake van de kosten van de levensverzekering). Op deze producties (met toelichting) heeft de vrouw niet alleen kúnnen reageren binnen de anderhalve pagina van haar antwoordakte, maar ook daadwerkelijk gereageerd (met uitzondering alleen van productie 21, waarover nader de beslissing van het hof op grief 2 hierna).

Grief 1 (investering man in gezamenlijke woning)

3.7.

Grief 1 keert zich tegen de volgende beslissing van de rechtbank (vs 6 juli 2016):

4.5.

Partijen zijn het er over eens dat de woning aan de man wordt toegescheiden. Het geschilpunt betreft de betalingen die de man ten behoeve van de woning heeft gedaan vanuit zijn privé vermogen (bedrijf) en de onderwaarde van € 5.265,84.

4.6.

Uit de samenlevingsovereenkomst art. 6 lid 4 blijkt dat partijen met betrekking tot de gezamenlijke woning hebben afgesproken dat er verrekening kan plaatsvinden voor de koopsom en kosten. De door de man genoemde kosten, premiedepot, aanschaf bouwmateriaal en zonnepanelen, vallen hier niet onder. Bij gebrek aan grondslag zal zijn vordering tot verrekening van die betalingen worden afgewezen.

3.8.

Het standpunt van de man is dat hij recht heeft op “vergoeding” (mvg, pt. 5, 6, 8, 13 en 15) door de vrouw van diverse – wat hij noemt – “investeringen” in de gezamenlijke woning. Het gaat onder meer om een nieuwe keuken en badkamer, een leistenen vloer, het schuren en oliën van een eiken vloer, stucwerk, nieuw laminaat en een nieuw toilet. De man heeft een kostenoverzicht opgesteld (mvg, pt. 12). Het totaal aan “investeringen” bedraagt volgens dit overzicht € 12.356,32. De man vordert op grond van art. 6.4 betaling door de vrouw van de helft van dit bedrag, te weten (afgerond) € 6.178,--.

Ter toelichting op zijn grief voert de man, samengevat, het volgende aan.

( i) Art. 6 lid 4 geeft de man aanspraak op vergoeding van zijn “inbreng”. Dit blijkt ook uit de brief van DLB notarissen, waarin uitleg wordt gegeven over de lezing van art. 6 lid 4 (mvg, pt. 5).

(ii) De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de kosten genoemd in art. 6.4 zich niet uitsluitend beperken tot kosten die rechtstreeks zijn gemaakt bij de koop van de woning (ECLI:NL:HR:2014:2931), (mvg, pt. 9).

(iii) De door de man gemaakte kosten hebben een waarde-vermeerderend karakter (mvg, pt. 7).

(iv) De vrouw heeft zich verrijkt met de “investeringen” van de man (mvg, pt. 13).

( v) Het hof Leeuwarden heeft zelfs bij het ontbreken van een samenlevingsovereenkomst een recht op vergoeding erkend (GHLEE:2011:BQ8726), (mvg, pt. 6).

3.9.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij voert in het bijzonder het volgende aan.

Partijen zijn met het oog op de toedeling van de woning aan de man bij de notaris geweest. In de concept-akte (prod. 1) staat dat partijen ter zake van de in de akte vermelde vermogensbestanddelen niets meer van elkaar te vorderen hebben. De man kan dus geen vordering meer instellen ten aanzien van de investeringen in de woning (mva, pt. 9).

Art. 6 lid 4 is helder. Alleen de koopsom en de kosten van de woning moeten worden verrekend. Daaronder vallen niet de door de man genoemde latere investeringen. Op de man rust de stelplicht en zo nodig bewijslast van de uitleg die hij bepleit. De man heeft ook geen bewijs aangeboden van zijn stelling. Notaris [notaris 1] is eenzijdig ingeschakeld door de man. Het is niet duidelijk welke stukken de man aan [notaris 1] heeft laten zien.

De investeringen hebben niet geleid tot een waardevermeerdering van de woning.

De uitspraak van het hof Leeuwarden is niet van belang. Daarin ging het om een situatie zonder samenlevingsovereenkomst; het onderhavige geschil betreft een situatie waarin partijen wél hebben afgesproken wat wel en niet moet worden verrekend.

3.10.

Het hof maakt uit de antwoordakte van de vrouw op dat zij haar verweer dat partijen ter zake van de in de akte vermelde vermogensbestanddelen niets meer van elkaar te vorderen hebben niet langer handhaaft. De vrouw heeft namelijk verklaard dat de gepasseerde akte van verdeling (prod. 17) op dit punt anders blijkt te luiden dan de conceptakte van verdeling waarop de vrouw haar verweer had gebaseerd (antwoordakte vrouw, pt. 2).

3.11.

Over de vordering van de man oordeelt het hof voorts als volgt. Voorop staat dat in hoger beroep de onderwaarde van de woning niet meer in geschil is. Daarover heeft de rechtbank al definitief beslist in het dictum van het vonnis van 6 juli 2016. Waar het alleen nog om gaat, is of de man recht heeft op “vergoeding” door de vrouw van diverse “investeringen” in de gezamenlijke woning.

De man heeft zich voor zijn “vergoedingsrecht” beroepen op art. 6 lid 4 (mvg, pt. 5, 9 en 13). Volgens hem ziet deze bepaling ook op zijn “investeringen”. De stelplicht ter zake rust krachtens het bepaalde in art. 150 Rv op hem, nu de man zich op rechtsgevolgen van zijn stelling beroept.

De uitleg van art. 6 lid 4 dient plaats te vinden aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635):

“De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht.”

Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493).

In het licht van deze maatstaf heeft de man voor de door hem voorgestane uitleg, die de vrouw ook voldoende gemotiveerd heeft weersproken, onvoldoende aanknopingspunten gegeven, zodat deze uitleg niet kan worden aanvaard. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Ad (i). De man heeft niet duidelijk gemaakt wat de betrokkenheid van notaris [notaris 1] (DLB) is geweest bij de totstandkoming van de samenlevingsovereenkomst, en in het bijzonder niet hoe deze notaris over de bedoelingen van partijen kan verklaren. [notaris 1] is in ieder geval niet de notaris ten overstaan van wie de samenlevingsovereenkomst is gepasseerd, dat is notaris [notaris 2] . In de brief komt notaris [notaris 1] weliswaar tot de conclusie dat de man een vordering heeft op de vrouw voor de helft van zijn investeringen, maar niet duidelijk is of, volgens hem of haar, art. 6 lid 4 de grondslag is voor die vordering. Uit de brief zou evengoed kunnen worden opgemaakt dat volgens de notaris “het huwelijksvermogensrecht”, “het stelsel van reprises en recompenses” of de “verrijking” van de vrouw daarvoor de grondslag zou zijn. Op die grondslagen heeft de man zich echter niet beroepen. Over de uitleg van art. 6 lid 4 verklaart de notaris verder slechts dat “(…) indien een partij middelen ter beschikking stelt aan de ander, er een verrekening voor de helft dient plaats te vinden.” De notaris specificeert de term “middelen” niet, met name verklaart hij of zij niet dat daaronder ook de investeringen van de man vallen. Ten slotte voert de vrouw terecht als bezwaar aan dat niet duidelijk is op welke stukken de notaris zijn of haar bedoelde conclusie heeft gebaseerd. De notaris heeft kennelijk niet alleen de samenlevingsovereenkomst gezien, maar ook nog andere stukken. Hij of zij merkt namelijk zelf op: “wat ik uit de door u aan mij ter beschikking gestelde stukken opmaak (…)”. De brief van de notaris kan de man gelet op al het voorgaande dus niet baten.

Ad (ii). Het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2931) betreft een bepaling in een samenlevingsovereenkomst die vrijwel letterlijk overeenkomt met art. 6 lid 4 (en die ook in die samenlevingsovereenkomst was opgenomen als art. 6 lid 4). De Hoge Raad heeft in zijn arrest echter niet geoordeeld zoals de man meent. De Hoge Raad heeft daarin namelijk als volgt overwogen:

“3.5.2. In het licht van hetgeen partijen, blijkens de vaststelling van het hof, bij het aangaan van de samenlevingsovereenkomst voor ogen stond en zij daarin zijn overeengekomen, ligt immers veeleer voor de hand om het bedrag van de aflossingen op de hypotheek dat de man uit zijn privévermogen heeft voldaan, op de voet van art. 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst aan te merken als hetgeen een partij uit eigen middelen voor meer dan haar aandeel in de kosten van de gemeenschappelijke woning heeft betaald, voor welk meerdere deze partij een (bij vervreemding van de woning of bij ontbinding van de samenlevingsovereenkomst opeisbare) vordering op de andere partij heeft. (…)”

Het ging in het arrest van de Hoge Raad dus om aflossingen op een hypotheek, niet om de “investeringen” waar het de man om te doen is. De man heeft ook nagelaten uit te leggen waarom aflossingen op een hypotheek op één lijn gesteld zouden moeten worden met zijn “investeringen” (en om die reden voor vergoeding in aanmerking zouden komen).

Ad (iii en iv). De vrouw heeft de enkele stelling van de man dat de door hem gemaakte kosten een waarde-vermeerderend karakter hebben (een stelling die de man niet heeft onderbouwd, bijvoorbeeld met een taxatie), zo al relevant voor de uitleg van art. 6 lid 4 (de man laat na dit toe te lichten) voldoende gemotiveerd betwist. Bewijs van deze stelling heeft de man ook niet aangeboden, zodat het feit van waardevermeerdering niet is komen vast te staan.

Van ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw (art. 6:212 BW), waaraan de man eveneens een waardevermeerdering (of geringere waardedaling) van de woning ten grondslag heeft gelegd, is daardoor evenmin sprake.

Ad (v). Het beroep van de man op het arrest van het hof Leeuwarden gaat niet op. Dat arrest ziet, ook naar eigen zeggen van de man, op de situatie dat er géén samenlevingsover-eenkomst is gesloten, terwijl in de onderhavige zaak wél een samenlevingsovereenkomst is gesloten.

Voor zover de man al zou hebben willen betogen dat de overeenkomst nog ruimte zou laten voor een (wettelijk of jurisprudentieel) vergoedingsrecht, geldt allereerst dat de wettelijke regeling van vergoedingsrechten van art. 1:87 BW, 1:95 en 1:96 BW (oud), is opgenomen in titel 6 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. In die titel zijn de rechten en verplichtingen van echtgenoten neergelegd. Deze titel is niet van toepassing op samenlevers, zoals partijen. De vrouw heeft het betoog van de man voorts voldoende gemotiveerd betwist. Zij heeft er namelijk op gewezen dat partijen (met de samenlevingsovereenkomst) hebben afgesproken wat wel én niet verrekend moet worden. Die omstandigheid, dat tussen partijen een dergelijke omvattende overeenkomst geldt, sluit toepasselijkheid van de (jurisprudentiële (c.q. wettelijke)) regeling inzake vergoedingsrechten uit (in die zin ook AG L.A.D. Keus in zijn conclusie (pt. 2.23) voor HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1871). Daartegenover heeft de man geen bewijs van zijn stelling aangeboden, zodat zijn stelling niet is komen vast te staan.

De uitleg van art. 6 lid 4 die de man bepleit, kan dus niet worden aanvaard. Veeleer komt het hof de uitleg van art. 6 lid 4 die de vrouw voorstaat aannemelijk voor (en dat is ook de zin die partijen daaraan redelijkerwijze mochten toekennen) te weten dat alleen een vordering ontstaat ter zake van de koopsom en de kosten van de woning, waarbij onder kosten van de woning, niet de door de man genoemde latere investeringen vallen (waarvan het waardevermeerderend karakter overigens niet is komen vast te staan), maar – naar de vrouw kennelijk betoogt – alleen de verkrijgingskosten (of eventueel daarmee gelijk te stellen kosten, bijvoorbeeld kosten die noodzakelijk zijn voor het bewoonbaar maken van de woning). Dát zijn kosten “van” de woning die rechtstreeks voortvloeien uit de aankoop van de woning. Dit verband ontbreekt bij de investeringen waar het de man om te doen is, die wellicht als kosten “voor” de woning zouden kunnen worden aangemerkt. Dat het gaat om genoemde verkrijgingskosten vindt ten slotte ook steun in de gevallen waarin art. 6 lid 4 van toepassing is, te weten de verkrijging van de hoofdwoning of een tweede woning en niet in het algemeen bij het doen van “investeringen” (zelfs ruim na de verkrijging).

De slotsom van het voorgaande is dat grief 1 faalt.

Kosten ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid (grief 2)

3.12.

De rechtbank heeft geoordeeld dat partijen gezamenlijk de kosten dienen te dragen die de man moet maken voor het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening (vs. 28 december 2016, rov. 2.7).

Omdat de omvang van de kosten en het uiteindelijk door de vrouw te betalen bedrag nog niet vaststonden, heeft de rechtbank in redelijkheid bepaald dat de vrouw € 500,-- mee moest betalen (vs 12 april 2017, rov. 2.9). Tot betaling van dat bedrag aan de man is de vrouw ook veroordeeld (vs 12 april 2017, rov. 2.10 en dictum).

3.13.

De man is het niet eens met deze beslissing. Hij voert daartoe het volgende aan. De kosten voor het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid bedragen:

Bemiddelaar [de bank] € 2.250,--

Meerwerk Bemiddelaar [de bank] € 250,--

Administratiekosten [de bank] € 450,--

Notaris, akte van verdeling € 845,35

Totaal € 3.825,35

Alle kosten heeft de man ook voldaan (prod. 8 en 10).

[de bank] communiceert niet rechtstreeks met klanten waardoor de man de tussenpersoon moest inschakelen die oorspronkelijk de hypotheek had verzorgd.

De opgesomde kosten zijn niet aftrekbaar. De Belastingdienst is op haar website duidelijk over wat wél en wat niet aftrekbaar is (prod. 9). Advieskosten voor het verkrijgen van een hypotheek zijn aftrekbaar, maar daar gaat het hier niet om. Alleen is aan de orde het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Er wordt geen nieuwe hypotheek afgesloten, de inschrijving voor de hypotheek blijft ongewijzigd en zelfs het lening-nummer blijft hetzelfde. Ook de administratiekosten van [de bank] zijn niet aftrekbaar. De notariskosten zijn alleen aftrekbaar als het een hypotheekakte betreft, niet als het, zoals hier, gaat om een akte van verdeling.

De man verzoekt het hof een vergoeding toe te wijzen van de helft van de door hem gemaakte kosten, en hij berekent dat op een bedrag van: € 1.912,67. Het hof stelt vast dat de berekening moet zijn: € 3.795,35 (in plaats van € 3.825,35) : 2 = € 1.897,67. Op dit laatste bedrag maakt de man aanspraak.

3.14.

De vrouw voert het volgende verweer. De man moet “de kosten van overname” voor zijn rekening nemen, omdat hij ervoor heeft gekozen de woning over te nemen. Hooguit aan “de kosten van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid” dient de vrouw mee te betalen.

De man heeft niet aangetoond dat hij het door hem gevorderde bedrag heeft voldaan. De bankafschriften die de man heeft overgelegd zijn onleesbaar. Onduidelijk is waarom de man het volgens de website van [de bank] maximale bedrag van € 450,-- aan administratiekosten moet betalen. De man moet ook aantonen welk bedrag de vrouw nog moet voldoen.

Wat de aftrekbaarheid “van de kosten rond ontslag uit de hoofdelijkheid voor de hypotheek” (mva, pt. 24) betreft, beroept de vrouw zich op een e-mail van haar belastingadviseur, [belastingadviseur van de vrouw] . De vrouw biedt aan [belastingadviseur van de vrouw] te horen als getuige voor wat betreft de aftrekbaarheid van de kosten hoofdelijke aansprakelijkheid.

3.15.

Het hof oordeelt als volgt.

De rechtbank heeft beslist dat de kosten voor het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid door partijen gezamenlijk moeten worden gedragen. Tegen de aldus gehanteerde maatstaf voor verdeling van de kosten (ieder de helft) is geen grief gericht, zodat het hof van de juistheid van die maatstaf moet uitgaan.

Waar de vrouw in hoger beroep onderscheid maakt tussen “de kosten van overname” en “de kosten van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid” (mva, pt. 23) en daarmee zou willen betogen dat voor de eerste categorie kosten nog niet zou zijn beslist dat deze voor rekening van beide partijen gezamenlijk zijn, gaat dit betoog niet op. De rechtbank heeft blijkens het vonnis van 28 december 2016, rov. 2.7 het oog gehad op alle kosten die de man heeft gevorderd (in eerste aanleg, bij vermeerdering van eis) en die hij thans in hoger beroep heeft gespecificeerd (en dat omvat beide categorieën kosten).

Het hof herinnert er in dit verband voorts aan dat de rechter de wijze van verdeling dient te bepalen met inachtneming van de tussen de deelgenoten geldende rechtsverhouding, zulks mede in het licht van het bepaalde in art. 3:166 lid 3 BW (HR 12 juli 2013 (Texelse woning), ECLI:NL:HR:2013: BZ8746, rov. 3.5). De kosten waarop de grief van de man ziet, heeft hij redelijkerwijs kunnen, zo niet moeten maken om de toedeling van de woning aan hem te kunnen realiseren. Omdat de vrouw die toedeling heeft gevorderd en het ook, zo niet juist in haar belang is dat zij werd ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid, brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid mee dat de onderhavige kosten bij helfte zullen moeten worden gedragen (de man heeft niet gevorderd dat de vrouw deze kosten voor haar rekening moet nemen). Dat partijen zelf een andere verdeling van de kosten zijn overeengekomen, is verder gesteld noch gebleken. Nu de man deze kosten redelijkerwijs heeft kunnen, zo niet moeten maken, kan het verweer dat de vrouw in eerste aanleg heeft gevoerd, te weten dat de kosten zonder voorafgaand overleg met haar zijn gemaakt (akte 18 januari 2017, pt. 13), niet leiden tot afwijzing van de vordering van de man.

Een gerealiseerd fiscaal voordeel strekt in mindering op het totaalbedrag van de kosten voor het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en zal eveneens tussen partijen gedeeld moeten worden. Daarvan is thans echter (nog) geen sprake. De redelijkheid en billijkheid van art. 3:166 lid 3 BW en art. 6:2 BW brengen niet mee dat de man al bij voorbaat, voordat hij een aftrek heeft gerealiseerd, dat toekomstige fiscale voordeel moet delen met de vrouw, temeer niet nu hij de kosten voor het ontslag (die voor rekening van beide partijen gezamenlijk zijn) al volledig heeft betaald. Bovendien komt pas met de aanslag van de Belastingdienst (zoals eventueel beoordeeld door de belastingrechter) vast te staan dat en in hoeverre sprake is van enig fiscaal voordeel.

De vrouw, die ervan uitgaat “dat de kosten voor ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de helft worden terugontvangen van de belastingdienst” (akte 16 januari 2017, pt. 15), verwijt de man niet (onderstreping hof) dat hij heeft nagelaten het fiscale voordeel te realiseren en dat zij daarom een vordering heeft op de man (voor de helft van dat bedrag) of dat de redelijkheid en billijkheid vanwege dit nalaten zouden meebrengen dat de man (de helft van) het gemiste fiscale voordeel in mindering moet brengen op hetgeen hij van haar te vorderen heeft. Over deze kwestie hoeft het hof dus niet te oordelen. Voor zover de vrouw de man wel dat verwijt zou maken, geldt nog het volgende. De vrouw heeft onvoldoende feiten gesteld die de conclusie kunnen dragen dat de man enig fiscaal voordeel zou kunnen realiseren. Onjuist is het standpunt van de vrouw dat in zijn algemeenheid “de kosten rond ontslag uit de hoofdelijkheid voor de hypotheek” (mva, pt. 24) aftrekbaar zijn. De e-mail van de belastingadviseur van de vrouw biedt evenmin steun voor aftrekbaarheid, nu die e-mail (wederom – in zijn algemeenheid – de “kosten hoofdelijke aansprakelijkheid” betreft, zonder dat daarbij wordt ingegaan op de verschillende kostenposten en de belastingadviseur daarin bovendien zelf verklaart: “de kosten voor hoofdelijke aansprakelijkheid worden niet expliciet genoemd in het rijtje aftrekbare kosten voor de eigen woning”. Ten slotte valt niet in te zien waarom de man de kosten in zijn aangifte inkomstenbelasting niet zou opgeven als aftrekpost als dat, het standpunt van de vrouw volgend, mogelijk zou zijn. Het opgeven van die kosten zou namelijk (ook) in zijn belang zijn, omdat het voordeel van die aftrek hem voor de helft zou toekomen.

Het bewijsaanbod van de vrouw om de belastingadviseur [belastingadviseur van de vrouw] te horen “voor wat betreft de aftrekbaarheid van deze kosten” zal het hof, gelet op het voorgaande, passeren als niet ter zake dienend.

Uit de producties 8 en 10, die weliswaar slecht leesbaar, maar niet onleesbaar zijn, volgt genoegzaam dat de man de door hem opgesomde kosten heeft voldaan. Productie 21 door de man overgelegd bij akte in hoger beroep (zie hiervóór) kan dan verder buiten beschouwing blijven.

De notariskosten heeft de man voldaan doordat deze volledig in mindering zijn gebracht op een door de man te ontvangen bedrag wegens zijn onderbedeling (prod. 8). De stelling van de vrouw in eerste aanleg dat de notaris haar aandeel in de notariskosten bij de vrouw in rekening zou brengen (antwoordakte 12 september 2016), gaat dus niet op (de vrouw heeft ook geen notariële afrekening overgelegd waaruit dit zou blijken).

De slotsom van het voorgaande is dat de grief slaagt. Het hof zal de vordering van de man toewijzen.

Kosten woning januari en februari 2015 (grief 3)

3.16.

De man heeft in eerste aanleg veroordeling van de vrouw gevorderd tot betaling van de woonlasten (“€ 928,-- per maand gedeeld door 2”, rov. 3.2, vs. 6 juli 2016). Deze vordering is afgewezen (rov. 4.4, vs. 6 juli 2016). De man heeft vervolgens zijn eis vermeerderd, aldus dat hij heeft gevorderd de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man “van in totaal € 980,39 in verband met de kosten (zie punt 13 akte) van de woning t/m februari 2015”. Ook deze vordering is afgewezen (rov. 2.8, vs 12 april 2017: “De hoogte van deze vordering is niet nauwkeurig onderbouwd en gelet op de duur van de procedure en het geringe belang wordt deze vordering afgewezen”). Tegen deze tweede afwijzing keert zich de grief. De man vordert thans, in hoger beroep, een bedrag van € 1.313,83.

3.17.

De vrouw heeft verweer gevoerd.

3.18.

Het hof oordeelt als volgt. Uit de toelichting op zijn grief volgt dat het de man met de “kosten woning” te doen is om: vaste lasten (€ 1.317,94), kosten kinderopvang (€ 387,60 + € 560,88) en gemeentelijke heffingen (€ 111,70). In een optelsom die de man maakt (mvg, pt. 30) komen vervolgens twee bedragen voor (€ 55,85 en € 474,24) die de man niet heeft toegelicht en die ook niet in zijn kostenoverzicht (prod. 11) staan. De man heeft daarmee ook in hoger beroep de hoogte van zijn vordering niet nauwkeurig onderbouwd. Voorts heeft de man in hoger beroep niet duidelijk gemaakt, noch is dit voor het hof anderszins duidelijk geworden, wat de grondslag voor zijn vordering is. Zo is het bedrag van € 1.317,94 onder meer opgebouwd uit de posten Netflix (€ 7,99); internet en telefonie (€ 37,20) en arbeidsongeschiktheidsverzekering (€ 32,96). Waarom de vrouw (hoewel zij al in oktober 2014 de woning had verlaten, vs. 6 juli 2016, rov. 2.1) zou moeten bijdragen in deze kosten, valt niet in te zien. Ook ontgaat het het hof waarom de man de kosten kinderopvang rekent tot de “kosten woning”. Om deze redenen faalt de grief.

Voor zover de man zijn betoog uit de eerste aanleg nog zou hebben willen herhalen, gaat dit evenmin op. Dáár heeft de man het standpunt betrokken dat de vrouw voor 50% eigenaar is van de woning en daarom voor de helft dient bij te dragen in “de woonlasten” (cva, pt. 9). Dit standpunt is, zo algemeen geformuleerd, onjuist. Ook art. 3:172 BW brengt, voor zover de man zich op dat wetsartikel heeft willen beroepen, niet mee dat de woonlasten (en in het bijzonder de hypothecaire rentelasten) voor de helft voor rekening van de deelgenoten zijn. Het hof volstaat met een verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 1991, NJ 1992, 600 en met name rov. 3.2 daarvan. Evenmin brengt art. 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst, anders dan de man meent (cva, pt. 9), mee dat “de woonlasten” of “kosten woning” bij helfte gedeeld moeten worden (voor de uitleg van art. 6 lid 4 wijst het hof nog op hetgeen het hiervóór overwoog bij grief 1).

Kosten levensverzekering (grief 4)

3.19.

De man heeft in eerste aanleg veroordeling van de vrouw gevorderd tot betaling aan hem van een bedrag van de helft van € 2.120,58. Dit bedrag ziet op de kosten van de levensverzekering. De rechtbank heeft de vordering afgewezen (vs 12 april 2017, rov. 2.7). Tegen die beslissing keert zich de grief.

3.20.

De man voert het volgende aan. De levensverzekering is niet aan de woning gekoppeld. Er wordt ook niets uitgekeerd indien partijen op 1 januari 2041 nog in leven zijn (prod. 15, kopie polis). Bij voortijdig overlijden zou de langstlevende partij een gegarandeerde uitkering krijgen van € 200.000,--, waarbij het aan die partij was om te bepalen wat er met dit vermogen zou gebeuren. Er is met de premie geen vermogen opgebouwd dat samen met de woning is overgedragen aan de man. De levensverzekering was een garantie voor de langstlevende dat hij of zij niet gedwongen de woning zou hoeven te verkopen. De verzekering is niet verpand (prod. 22).

Art. 4 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst is helder. Dit artikel brengt mee dat partijen – als begunstigden – ieder voor de helft aansprakelijk zijn voor de premie van de overlijdensrisicoverzekering. Dat óók de vrouw begunstigde is, blijkt uit de polis (mvg, pt. 36 en prod. 15) en het testament (akte en prod. 25).

De vrouw heeft nooit kenbaar gemaakt dat zij de verzekering wilde beëindigen. Omdat partijen tot en met maart 2017 nog eigenaar waren van de woning is het ook redelijk dat de vrouw moet bijdragen aan de premie voor de verzekering. Als de man was komen te overlijden voordat de woning aan hem werd geleverd, was de vrouw volledig aansprakelijk geweest voor de hypotheek, dit terwijl de woning onderwaarde had.

De totale kosten tot en met maart 2017 bedragen € 2.205,39, waarvan de helft (€ 1.102,70) het aandeel van de vrouw is (mvg, pt. 41). Dat de man de premie heeft voldaan, blijkt uit prod. 22.

3.21.

De vrouw voert hiertegen het volgende aan. De verzekering is verpand aan de hypotheek (dit heeft de man zelf verklaard in zijn e-mail van 2 april 2015). De verzekering is een gebruikelijke verzekering in de zin van art. 4 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst, en niet een overlijdensrisicoverzekering in de zin van art. 4 lid 2 van de samenlevings-overeenkomst.

De vrouw is verder ook geen verzekeringnemer en zij is niet aansprakelijk voor de premie. Zij is ook geen begunstigde van de polis.

De man heeft de premie niet uit zijn privévermogen voldaan. Bewijsstukken daarvan ontbreken.

Het testament staat los van de verzekering; de verzekering keert alleen uit als daar op grond van de polis recht op is (antwoordakte, pt. 4).

De man dient de kosten te dragen, omdat hij ook het gebruik van de woning had.

3.22.

Het hof oordeelt als volgt. De man heeft voldoende aangetoond dat het hier een overlijdensrisicoverzekering betreft in de zin van art. 4 lid 2 van de samenlevings-overeenkomst. Dit blijkt uit de polis (prod. 15), die het “product” omschrijft als overlijdensrisicoverzekering, uit de omstandigheid dat de einddatum 1 januari 2041 is en de polis niet vermeldt dat dan enige uitkering plaatsheeft en verder ook nog uit de afboekingen van de premie (van de Rabo-rekening op naam van de man, naar Reaal) waarbij de omschrijving expliciet vermeldt: “Risicoverzekering” (prod. 22). De polis is ten slotte ook niet verpand aan de bank (e-mail Reaal d.d. 9 januari 2018, prod. 22).

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de vrouw begunstigde is van de overlijdensrisicoverzekering. Daarop stoelt de man zijn vordering. Hij beroept zich namelijk op de slotzin van art. 4 lid 2: “de begunstigde partij draagt de deswege verschuldigde of betaalde premies of koopsommen”. De polis noemt als begunstigden: de verzekeringnemer (de man), de echtgenote van de verzekeringnemer (dat is niet de vrouw, want partijen zijn niet gehuwd), de kinderen van de verzekeringnemer en de wettige erfgenaam van de verzekeringnemer. Door het testament van de man is de vrouw de wettige erfgenaam van de man geworden en daarmee begunstigde. De vrouw heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Zij heeft met name ook niet aangevoerd dat het testament is herroepen, noch wanneer dit zou zijn gebeurd.

Ook onvoldoende gemotiveerd betwist, is de uitleg die de man heeft gegeven aan art. 4 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst. Nu partijen beiden begunstigden zijn van de overlijdensrisicoverzekering, brengt genoemd lid 2 mee dat de premie ook voor hun beider rekening komt, ieder voor de helft.

De man heeft de premies voor de overlijdensrisicoverzekering betaald van zijn privérekening. Dit staat vast (prod. 22). De hoogte van de door de man betaalde premies en het totaalbedrag heeft de vrouw niet betwist, zodat het hof uitgaat van het door de man genoemde bedrag van € 1.102,70.

Voor zover de vrouw nog een beroep op verjaring heeft willen doen (met haar opmerking dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om aan het einde van de relatie over al die jaren de helft van de premie terug te vorderen, mva, pt. 38), gaat dit beroep niet op. De vrouw had dan duidelijk moeten maken vanaf welk moment de verjaringstermijn is gaan lopen.

In eerste aanleg heeft de vrouw nog aangevoerd: “hetzelfde standpunt geldt ten aanzien van de levensverzekering” (cva in reconv., pt. 12). Hiermee betoogt de vrouw kennelijk hetgeen zij ter zake van de woonlasten heeft aangevoerd, ook aan te voeren bij de kosten levensverzekering, te weten: dat de man vanaf oktober 2014 alleen het woongenot van de woning heeft gehad, dat zij recht heeft op alimentatie (maar dat de hoogte van het bedrag nog ter discussie staat) en dat de vrouw in oktober nog € 2.897,20 heeft betaald op de gemeenschappelijke rekening die alleen nog door de man werd gebruikt. Dit verweer slaagt niet. Uit de betaling van laatstgenoemd bedrag vloeit op zichzelf nog geen vordering voor de vrouw voort en ter zake van de alimentatie heeft de vrouw (nog) geen prestatie te vorderen of kan zij betaling van de vordering niet afdwingen (art. 6:127 BW).

Dat de vrouw het woongenot heeft gemist, betekent niet dat zij geen voordeel van de verzekering heeft gehad. De man heeft namelijk onbetwist gesteld dat de levensverzekering een garantie was voor de nog in leven zijnde partij, dat hij/zij niet gedwongen de woning zou hoeven te verkopen bij overlijden van de ander. De langstlevende zou namelijk een gegarandeerde uitkering van € 200.000,-- ontvangen De langstlevende (en dat had de vrouw kunnen zijn) werd tot aan de overname van de woning door de man gevrijwaard van het bedoelde risico. (mvg, pt. 36 en 37).

De slotsom van het voorgaande is dat de grief slaagt. Het hof zal de vrouw veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.102,70 aan de man. Hetgeen de vrouw in eerste aanleg nog verder heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

3.23.

De vrouw heeft in eerste aanleg (akte van 16 januari 2017) verzocht de eventuele vordering van de man in vijf jaarlijkse termijnen te mogen voldoen. Daarvoor heeft zij zich beroepen op art. 9 lid 5 van de samenlevingsovereenkomst.

De man is het hiermee eens. Volgens hem ziet art. 9 lid 5 (inderdaad ook) op de levensverzekering (antwoordakte 31 januari 2017, pt. 18). Art. 9 lid 5 moet dan wel volledig worden nageleefd, aldus de man, dus ook wat de ingangsdatum van de eerste betaaltermijn en de rente betreft. De eerste betaaltermijn zou “plaats moeten vinden” op 28 juni 2015 (datum ontbinding samenlevingsovereenkomst).

Het hof oordeelt als volgt. Nu het volgens de eigen stelling van de man gaat om kosten van de levensverzekering die nog zijn doorgelopen tot en met maart 2017 (het moment van verdeling van de woning), kan van het vervallen van de eerste van vijf betalingstermijnen geen sprake zijn zes maanden na de datum van ontbinding van de samenlevings-overeenkomst (op 28 juni 2015). Dan had de man duidelijk moeten maken welk bedrag aan kosten hij had gemaakt op dat moment. Veeleer begrijpt het hof de overeenstemming van partijen aldus dat de man ermee instemt dat de vrouw het bedrag van € 1.102,70 zal voldoen in vijf jaarlijkse (gelijke) termijnen. Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW), mede gelet op de wens van partijen aan te sluiten bij art. 9 lid 5 van de samenlevingsovereenkomst, vloeit dan voort dat de eerste termijn vervalt zes maanden na verdeling en levering van de woning (die heeft plaatsgevonden op 15 maart 2017), dus op 15 september 2017. De man heeft niet de rentevergoeding van art. 9 lid 5 gevorderd, zodat van een veroordeling van de vrouw tot betaling van die vergoeding geen sprake kan zijn.

Hypotheekrenteaftrek (grief 5)

Eerste aanleg

3.24.

De vrouw heeft in eerste aanleg veroordeling van de man tot betaling aan haar van een bedrag van € 2.401,-- gevorderd. De vrouw heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd.

In 2014 is een voorlopige teruggaaf hypotheekrente ontvangen op naam van de vrouw. De rente is voor 100% op het inkomen van de vrouw in mindering gebracht. De teruggaaf is op de gezamenlijke betaalrekening van partijen ontvangen en aan de betaling van de gezamenlijke hypotheeklasten ten goede gekomen. Thans heeft de man laten weten dat hij de hypotheekrente bij de definitieve aangifte voor de helft op zijn naam heeft gezet. Dat betekent dat de vrouw de helft van “het bedrag van € 4.602,--”, zijnde € 2.401,-- moet terugbetalen (inl. dv., pt. 7). Hierdoor heeft de vrouw een vordering van € 2.401,-- op de man.

In het vonnis van 28 september 2016 heeft de rechtbank als volgt overwogen (rov. 2.4):

“De vordering tot terugbetaling van belastinggeld 2014.

Partijen hebben in het jaar 2014 voor het grootste deel samengewoond. De rentelasten moeten dan door partijen gedeeld worden. De vrouw stelt de rente voor 100% op haar inkomen in mindering gebracht te hebben. Omdat de man hetzelfde heeft gedaan voor 50% van de rentebetalingen is aannemelijk dat zij de teruggave deels zal moeten terugbetalen. De oorspronkelijke aftrek is terecht gekomen op de gezamenlijke rekening waar de lasten van het huis van werden betaald en niet op de privé rekening van de vrouw. Als zij dan een deel van de ontvangen aftrek moet terugbetalen dan kan zij dit bedrag van de man vorderen. Uit de tot nu toe overgelegde stukken blijkt niet om welk bedrag het gaat: De rechtbank zal

de zaak op dit punt naar de rol verwijzen zodat de vrouw bewijs van haar terugbetaling kan

overleggen.”

Bij akte van 16 januari 2017 heeft de vrouw de definitieve aanslag IB 2014 overgelegd. In de aanslag staat het volgende:

Te betalen € 2.125

(…)

Berekening van het te betalen bedrag

Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen € 4.174

Loonheffing af € 8.166

Eerder verleende voorlopige teruggaven bij € 4.356

Eerdere voorlopige aanslag(en) bij € 1.637

In rekening gebrachte belastingrente bij € 124

Te betalen € 2.125

In zijn antwoordakte van 31 januari 2017 verzoekt de man de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dat haar eis moet worden verminderd met het bedrag van:

  • -

    € 1.637,-- (omdat dit door de vrouw in privé is ontvangen), én

  • -

    € 124,-- (de boeterente).

In haar antwoordakte van 9 februari 2017 heeft de vrouw de volgende reactie gegeven (pt. 4):

“Het bedrag van € 1.637,- is in 2015 ontvangen, en heeft betrekking op 2014. Dit is ontvangen op de rekening van de vrouw alleen. De man had derhalve recht op de helft van dit bedrag, zijnde € 818,50. Voornoemd bedrag strekt dan in mindering op de vordering, die de vrouw uiteindelijk aan de belastingdienst moest terugbetalen. De som luidt dan € 2.125,- [minus] € 818,50 = € 1.306,50.

De boeterente moet worden mee genomen: het is immers door toedoen van de man dat er een gewijzigde berekening van de hypotheekrente ontstond”

In haar eindvonnis van 12 april 2017 heeft de rechtbank als volgt geoordeeld (rov. 2.4):

“[De vrouw] heeft over 2014 belasting moeten terugbetalen. Zij heeft de definitieve aanslag 2014 in het geding gebracht. Zij heeft € 2.125 moeten terugbetalen. De rechtbank zal [de man] veroordelen tot betaling van dit bedrag aan [de vrouw]. Hij heeft immers, anders dan gebruikelijk geopteerd voor een belastingaftrek van 50% waardoor voor [de vrouw] een terugbetalingsverplichting ontstond”

Hoger beroep

3.25.

Grief 5 keert zich tegen dit oordeel van 12 april 2017. De man voert, samengevat, het volgende aan.

Ten onrechte heeft de rechtbank bepaald dat hij aan de vrouw een vergoeding moet betalen voor een bedrag dat de vrouw op haar privérekening heeft ontvangen en welk bedrag voor privédoeleinden is aangewend (mvg, pt. 45). De vrouw heeft haar belastingaangifte foutief ingevuld en zij heeft uitsluitend privé een “aanvullende storting” op haar privérekening genoten (mvg, pt. 47, waarover ook pt. 45). De man verzoekt het hof te bepalen dat:

  • -

    de man slechts een vergoeding van € 364,-- dient te voldoen aan de vrouw;

  • -

    dan wel geen vergoeding dient te voldoen, indien de man geen vergoeding toegewezen krijgt voor zijn inbreng in de woning.

3.26.

De vrouw doet hiertegenover een beroep op een brief van [administratie & advies] Administratie & Advies (mva, prod. 4) en op een e-mail van [belastingadviseur van de vrouw] (mva, prod. 3). Daaruit blijkt dat het geen fout was dat de vrouw 100% belastingaftrek heeft opgegeven. De vrouw wijst verder “voor hoe het fiscaal zit” op haar antwoordakte van 9 februari 2017. Ten slotte, aldus de vrouw, “stelt” de rechtbank in rov. 2.5 ten onrechte dat de man geen 100% rente van zijn inkomen kan aftrekken.

3.27.

Het hof begrijpt de grief van de man aldus dat hij betoogt dat van het bedrag van € 2.125,-- allereerst een bedrag van € 1.637,-- voor rekening van de vrouw moet blijven. Dit is immers de “aanvullende storting” die door de vrouw in privé is ontvangen. In zoverre slaagt de grief. Niet valt in te zien waarom de man zou moeten opkomen voor de schuld aan de Belastingdienst voor zover deze ziet op een bedrag dat de vrouw niet had mogen ontvangen (de Belastingdienst heeft haar immers verplicht dit bedrag terug te betalen) terwijl dit bedrag alleen haar ten goede is gekomen (dit laatste heeft de vrouw ook zo verklaard in haar antwoordakte van 9 februari 2017). Dat hiervoor wél een rechtsgrond zou bestaan, is gesteld noch gebleken.

Voorts moet, volgens de man, de door de Belastingdienst in rekening gebrachte belastingrente voor rekening van de vrouw blijven. Dit volgt uit stelling van de man dat hij een vergoeding van € 364,-- dient te voldoen. Dat bedrag is immers de uitkomst van de rekensom: € 2.125,-- minus € 1.637,-- (zojuist besproken) minus € 124,-- (de belastingrente). Ook in zoverre slaagt de grief. De vrouw heeft een onjuiste aangifte gedaan (op grond waarvan zij hetgeen zij te veel heeft ontvangen, moet terugbetalen), en daarom moet zij ook de belastingrente voor haar rekening nemen. Voor zover de belastingrente ook nog enige andere oorzaak zou hebben, had het op de weg van de vrouw gelegen dit te stellen en daarvan een berekening te geven (hetgeen zij niet heeft gedaan). Op haar rust ter zake namelijk de stelplicht en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, de bewijslast.

De man heeft nog opgemerkt dat hij niets aan de vrouw hoeft te betalen als hij geen vergoeding krijgt toegewezen voor zijn inbreng in de woning (mvg, pt. 47 en 48). Het hof leest hierin geen grief, maar ook voor zover daarin al wel een grief zou moeten worden gelezen, slaagt zij niet. De man laat namelijk na uit te leggen waarom de beslissing van de rechtbank, voor zover het betreft het bedrag van € 364,--, onjuist is.

Hetgeen de vrouw heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel van het hof. De vrouw mocht de hypotheekrente, anders dan zij meent, niet volledig (voor 100%) aftrekken. De Belastingdienst heeft aldus beslist met de aanslag IB 2014 en dat dit besluit onjuist zou zijn is gesteld noch gebleken. Uit de producties 3 en 4 waarop de vrouw zich beroept, valt ook niet anders af te leiden.

De opmerking van de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man geen 100% rente kan aftrekken is voor de beslissing op deze grief niet relevant. Dat oordeel van de rechtbank ziet namelijk op de terugbetaling van het belastinggeld 2015 (en dus niet op 2014, waar deze grief over gaat).

Ten slotte, voor zover de vrouw in eerste aanleg al zou hebben gevorderd dat de man de helft van zijn belastingteruggaaf aan de vrouw zou moeten betalen (inl. dv, pt. 7; in het petitum wordt evenwel niet in die zin geconcludeerd), valt niet in te zien wat de grondslag voor die vordering zou zijn, met name niet omdat uit de prod. 3 en 4 van de vrouw valt af te leiden dat de man de hypotheekrente voor de helft mocht aftrekken (en niet in geschil is dat hij dit ook heeft gedaan). Die (eventuele) vordering zal dus alsnog worden afgewezen.

Het door de vrouw gedane bewijsaanbod [belastingadviseur van de vrouw] te horen als getuige “voor wat betreft de kwestie rond aftrek van hypotheeklasten 2014/2015” (mva, pt. 24), is niet voldoende specifiek en/of niet ter zake dienend, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

Proceskosten

3.28.

De man heeft in zijn akte in hoger beroep veroordeling van de vrouw in de proceskosten gevorderd. Volgens de vrouw, in haar antwoordakte, kan van een proceskostenveroordeling “geen sprake zijn”. Het hof zal met toepassing van art. 237 jo. art. 353 Rv (partijen zijn voormalige levensgezellen) de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt en de compensatie van de proceskosten door de rechtbank bekrachtigen.

Bewijsaanbod van de vrouw

3.29.

Het bewijsaanbod van de vrouw, zoals door haar gedaan in haar memorie van antwoord (pt. 48) vormt deels een herhaling van het eerdere aanbod van bewijs waarop het hof al heeft beslist. Voor het overige is het bewijsaanbod niet voldoende specifiek en/of niet ter zake dienend, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

Slotsom

3.30.

De rechtbank heeft de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen een bedrag van € 12.717,--.

Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

a. a) € 11.936,58 (art. 6 lid 4 samenlevingsovereenkomst)

b) € 2.632,92 (onderwaarde)

c) € 500,-- (kosten overname woning)

d) € 2.125,-- (belastingschuld 2014)

e) € 227,50 (kinderopvangtoeslag)

a + b + c – (d + e) = € 12.717,--.

Het slagen van grief 2 leidt tot vernietiging van onderdeel c (€ 500,-- wordt € 1.897,67) en het slagen van grief 5 leidt tot vernietiging van onderdeel d (€ 2.125,-- wordt € 364,--). Het hof zal het bestreden vonnis dus vernietigen, maar alleen voor zover de vrouw daarbij is veroordeeld om aan de man te betalen het bedrag van € 12.717,-- (het eerste gedachtestreepje van het dictum). Dit wordt een bedrag van (a) € 11.936,58 + (b) € 2.632,92 + (c) € 1.897,67 – ((d) € 364,-- + (e) € 227,50) = € 15.875,67.

Het slagen van grief 4 leidt ertoe dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover daarbij is afgewezen de vordering van de man ter zake van de kosten van de levensverzekering en dat het hof deze vordering ad € 1.102,70 alsnog zal toewijzen, aldus dat de vrouw zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.102,70 aan de man, waarbij de vrouw dit bedrag mag betalen in vijf jaarlijkse (gelijke) termijnen en waarbij de eerste termijn is vervallen op 15 september 2017.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg van 12 april 2017 voor zover:

- de vrouw daarbij is veroordeeld om aan de man te betalen het bedrag van € 12.717,--;

- daarbij is afgewezen de vordering van de man ter zake van de kosten van de levensverzekering;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van:

- een bedrag van € 15.875,67;

- een bedrag van € 1.102,70 en bepaalt daarbij dat de vrouw dit bedrag mag betalen in vijf jaarlijkse (gelijke) termijnen waarbij de eerste termijn is vervallen op 15 september 2017;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover in hoger beroep aan de orde, voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, O.G.H. Milar en P.P.M. van Reijsen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 november 2018.

griffier rolraad