Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4876

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
200.229.318_01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:832, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontslag statutair bestuurder door aandeelhoudersvergadering. Is ontslagbesluit nietig of vernietigbaar bij niet inachtneming van verschillende voorschriften? Vorderingen ontberen (inmiddels) spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1341
JONDR 2019/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.229.318/01

arrest van 27 november 2018

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. S.A.J. van Riel te Oisterwijk,

tegen

[de vennootschap 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. H.G.A.M. Spoormans te Breda,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 15 mei 2018 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/335282/KG ZA 17-598 gewezen vonnis van 9 november 2017.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 15 mei 2018 waarbij het hof een pleidooi heeft gelast;

  • -

    de bij brief van 21 september 2018 door [geïntimeerde] toegezonden producties;

  • -

    de bij brief van 26 september 2018 door [appellante] toegezonden productie;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde] is sinds 1 juni 1995 statutair bestuurder van [appellante] . Bestuurder van [geïntimeerde] is [bestuurder van geïntimeerde] (hierna: [bestuurder van geïntimeerde] ). [dochtervennootschap van appellante] (hierna: [dochtervennootschap van appellante] ) is een dochtervennootschap van [appellante] .

6.1.2.

De statuten van [appellante] houden onder meer het volgende in:

“Algemene vergadering van aandeelhouders

Artikel 22 (…)

4. Algemene vergaderingen worden gehouden zo dikwijls daartoe door de directie wordt opgeroepen. (…)

Oproeping

Artikel 23

(…)

2. De oproeping van aandeelhouders en certificaathouders tot een algemene vergadering geschiedt schriftelijk op een termijn van ten minste veertien dagen, de dag van de oproeping en de dag van de vergadering niet medegerekend. (…)

3. De oproeping vermeldt de te behandelen onderwerpen, onverminderd de wettelijke bepalingen ten aanzien van bijzondere besluiten, zoals die ten aanzien van juridische fusie, splitsing, statutenwijziging en kapitaalvermindering. (…)

4. Is de oproepingstermijn niet in acht genomen of heeft geen oproeping plaats gehad, dan kunnen geen wettige besluiten worden genomen, tenzij met algemene stemmen in een vergadering, waarin alle aandeelhouders en certificaathouders aanwezig of vertegenwoordigd zijn en de directeuren zijn gehoord.

5. Een directeur heeft recht tot het bijwonen van de algemene vergadering; hij heeft als zodanig een adviserende stem.”

6.1.3.

Tussen [appellante] en [geïntimeerde] is een managementovereenkomst d.d. 8 februari 2012 gesloten. Partijen zijn daarin (kort samengevat) overeengekomen dat [geïntimeerde] een managementvergoeding ontvangt van € 60.000 per jaar excl. BTW. Als de operationele ondersteuning van [geïntimeerde] ten behoeve van [dochtervennootschap van appellante] wezenlijk zal afnemen, zal op het einde van 2012 besloten worden of de managementvergoeding per 01-01-2013 verminderd wordt tot € 45.000 per jaar. In een addendum van 5 januari 2017 bij de managementovereenkomst is in artikel 5 overeengekomen dat de overeenkomst van rechtswege eindigt op het moment dat [bestuurder van geïntimeerde] de leeftijd van 73 jaar bereikt. Op [geboortedatum] 2018 heeft [bestuurder van geïntimeerde] de leeftijd van 73 jaar bereikt.

6.1.4.

Op 29 juni 2017 is een koop-verkoopovereenkomst gesloten betreffende de verkoop van alle aandelen die het maatschappelijk kapitaal [bedoeld zal zijn: het geplaatst kapitaal, hof] van [appellante] vertegenwoordigen tussen [geïntimeerde] en [de vennootschap 3] (hierna: [de vennootschap 3] ) als verkopers enerzijds en [de vennootschap 4] (hierna: [de vennootschap 4] ) als koper anderzijds (hierna: de koopovereenkomst). Artikel 5.5 van de koopovereenkomst luidt als volgt:

“De bestaande management- en arbeidsovereenkomsten, rechtstreeks of onrechtstreeks afgesloten met de heer [bestuurder van geïntimeerde] ( [geïntimeerde] ) en/of de heer [derde] ( [de vennootschap 3] ) en/of hun familieleden zullen na de Overdrachtsdatum verder correct en loyaal worden uitgevoerd. De expiratie van de thans bestaande managementovereenkomsten met [geïntimeerde] en [de vennootschap 3] wordt in onderling overleg met Koper nader vastgesteld op 28 juni 2018.

Het zittend bestuur van de Vennootschappen en de Dochtervennootschappen zal zijn mandaat verder correct en loyaal uitvoeren.

De Koper behoudt zich evenwel het recht voor gedurende de eerste 12 maanden, die als een evaluatieperiode geldt, vanaf de Overdrachtsdatum, zonder daartoe of de Vennootschap of de Dochtervennootschappen tot enige schadeloosstelling, opzeg- of verbrekingsvergoeding te zijn gehouden (in voorkomend geval zal de Verkoper de Koper, de Vennootschap en/of de Dochtervennootschap(pen) hiervoor volledig vrijwaren):

• deze management- of arbeidsovereenkomsten, met inachtneming van de opzegtermijn van één maand, zonder reden te (laten) beëindigen of op te zeggen.

Indien de Koper dit wenst, zal de Verkoper en zijn bestuurder(s) hieraan de nodige medewerking verlenen.”

6.1.5.

De overdracht van de aandelen in [appellante] door [geïntimeerde] en [de vennootschap 3] aan [de vennootschap 4] is op 14 juli 2017 voltooid. Vanaf dat moment is [de vennootschap 4] enig aandeelhoudster van [appellante] .

6.1.6.

Op 17 juli 2017 is een Bijzondere Algemene Vergadering van aandeelhouders van [appellante] gehouden, althans zijn in die zin notulen opgemaakt, waarbij [geïntimeerde] met onmiddellijke ingang als bestuurder van [appellante] is ontslagen (hierna: het ontslagbesluit). Per dezelfde datum heeft [appellante] [bestuurder van geïntimeerde] afgesloten van zijn zakelijke e-mailaccount.

6.1.7.

Bij brief van 19 juli 2017 heeft [geïntimeerde] [dochtervennootschap van appellante] gesommeerd om [bestuurder van geïntimeerde] per direct weer toegang te verschaffen tot zijn zakelijke e-mailaccount, en zij heeft daarbij te kennen gegeven dat de managementovereenkomst nog steeds voortduurt.

6.1.8.

Bij e-mailbericht van 21 juli 2017 hebben [dochtervennootschap van appellante] en [appellante] laten weten dat aan de sommatie geen gehoor zal worden gegeven. Indien en voor zover de managementovereenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde] niet van rechtswege zou zijn geëindigd, heeft [appellante] deze overeenkomst opgezegd op grond van het bepaalde in artikel 5.5 van de koopovereenkomst met inachtneming van een maand, derhalve in ieder geval eindigend op 22 augustus 2017.

6.1.9.

Bij aandeelhoudersbesluit genomen buiten vergadering is [geïntimeerde] op 21 november 2017 ontslagen als statutair bestuurder van [appellante] .

6.2.1.

In deze procedure vordert [geïntimeerde] om bij vonnis

I. [appellante] te gebieden om [geïntimeerde] in de persoon van haar bestuurder de heer [bestuurder van geïntimeerde] toegang te verlenen tot de onderneming en de systemen van [appellante] alsmede toegang te verlenen tot de persoonlijke e-mailaccount van de heer [bestuurder van geïntimeerde] , op straffe van een dwangsom

II. [appellante] te gebieden tot (door)betaling van de managementfee van
€ 5.000,00 per maand vanaf 17 juli 2017 tot het moment waarop de managementovereenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde] rechtsgeldig zal zijn geëindigd, op straffe van een dwangsom

III. [appellante] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.645,00 exclusief BTW, zijnde de managementvergoeding over de periode van 17 juli 2017 tot en met 21 augustus 2017, te vermeerderen met de wettelijke rente.

6.2.2.

Aan de vordering onder I legt [geïntimeerde] het volgende ten grondslag. Volgens [geïntimeerde] is het ontslagbesluit nietig op grond van het bepaalde in artikel 2:14 lid 1 BW. Zij voert aan dat zij in haar hoedanigheid van statutair bestuurder niet tijdig en op een correcte wijze is opgeroepen voor de bijzondere vergadering van aandeelhouders van 17 juli 2017 en evenmin is gehoord over het te nemen ontslagbesluit of in de gelegenheid is gesteld om een raadgevende stem te geven, hetgeen in strijd is met de statuten van [appellante] en het bepaalde in artikel 2:227 lid 7 BW.

[geïntimeerde] stelt voorts dat het besluit in ieder geval vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW in samenhang met artikel 2:8 BW. Zij voert daartoe aan dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat de bestuurder moet worden gehoord voordat hij wordt ontslagen. [geïntimeerde] heeft dit besluit dan ook bij brief van 11 augustus 2017 (verzonden per e-mail) op diezelfde dag vernietigd.

6.2.3.

Aan de vorderingen onder II en III legt [geïntimeerde] ten grondslag dat de opzegging van de managementovereenkomst niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. De managementovereenkomst kan niet eerder eindigen dan nadat het formele ontslagbesluit is genomen, hetgeen niet rechtsgeldig is gebeurd.

Voorts stelt zij dat uit artikel 5.5 van de koopovereenkomst alsmede uit overige feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat partijen als uitgangspunt hebben genomen de bestaande managementovereenkomst onverkort te laten voortduren, althans in ieder geval tot 29 juni 2018.

6.2.4.

[appellante] heeft verweer gevoerd.

6.2.5.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en onder afwijzing van het meer of anders gevorderde,

I. [appellante] geboden om binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis [geïntimeerde] toegang te verlenen tot de onderneming en de systemen van [appellante] , alsmede [geïntimeerde] toegang te verlenen tot de persoonlijke e-mailaccount van [bestuurder van geïntimeerde] , deze veroordeling op straffe van verbeurte van dwangsommen tot het maximum van € 50.000,-;

II. [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van
€ 4.375,=, zijnde overeengekomen managementvergoeding over de periode van 17 juli 2017 tot en met 21 augustus 2017, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2017;
met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

6.3

Tegen dit vonnis heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Zij heeft acht grieven geformuleerd en verzoekt het hof het vonnis van de voorzieningenrechter te vernietigen, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen en [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten van eerste aanleg en hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en de nakosten.

6.4.

[geïntimeerde] verzoekt het vonnis van de voorzieningenrechter in principaal hoger beroep te bekrachtigen. In incidenteel hoger beroep verzoekt [geïntimeerde] het vonnis te vernietigen voor zover het beslissing van de voorzieningenrechter onder II betreft en [appellante] alsnog te gebieden tot (door)betaling van de management fee van € 5.000,00 per maand tot het moment waarop de managementovereenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde] rechtsgeldig zal zijn geëindigd, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, zowel in principaal hoger beroep als in incidenteel hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

6.5.

[appellante] heeft in incidenteel hoger beroep verzocht het vonnis te bekrachtigen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

Spoedeisend belang

6.6.

In grief I voert [appellante] aan dat door de voorzieningenrechter ten onrechte spoedeisend belang is aangenomen. Volgens [appellante] staat het ontslag van [geïntimeerde] vast en is dat onaantastbaar. Het besluit kan alleen worden aangetast door een gerechtelijke vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 3 BW; dit kan niet door middel van een kort geding procedure. Voorts heeft [appellante] gesteld dat [geïntimeerde] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij afhankelijk zou zijn van de managementvergoeding voorvloeiende uit de opdrachtovereenkomst. [geïntimeerde] heeft op dit punt niet voldaan aan zijn stelplicht.

6.7.

[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat voor het behoorlijk vervullen van haar taak als statutair bestuurder het noodzakelijk was dat [geïntimeerde] weer toegang zou krijgen tot de systemen en het e-mailaccount van [bestuurder van geïntimeerde] . Omdat [geïntimeerde] vanaf 17 juli 2017 de toegang tot de onderneming van [appellante] en haar dochtervennootschappen was ontzegd en ontnomen en [bestuurder van geïntimeerde] was afgesloten van de e-mailaccount, terwijl [geïntimeerde] nog wel op dat moment statutair bestuurder was van [appellante] , had zij een spoedeisend belang bij de door haar gevorderde voorzieningen. Omdat [geïntimeerde] zonder meer recht had op doorbetaling van de overeengekomen managementvergoeding en [appellante] weigerde te betalen, had [geïntimeerde] onverwijlde spoed bij de vordering tot (door)betaling van de management fee, om daarmee een executoriale titel te verkrijgen teneinde betaling te kunnen afdwingen. Het enkele feit dat [geïntimeerde] mogelijk niet afhankelijk is van de overeengekomen managementvergoeding, doet daaraan niet af.

6.8.

Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437).

6.9.

De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. De omstandigheid dat de eisende partij lang heeft stilgezeten, kan bij die afweging een rol spelen, en de omstandigheid dat een rechtsvraag in geschil is waarop het antwoord niet evident is, kan leiden tot behoedzaamheid bij de toewijzing van de gevraagde voorziening, maar deze omstandigheden kunnen noch ieder voor zich noch in onderlinge samenhang het oordeel rechtvaardigen dat de eisende partij geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening (meer) heeft. Evenmin zijn die omstandigheden op zichzelf voldoende voor het oordeel dat de eisende partij, door een vordering in kort geding in te stellen, handelt in strijd met de eisen van een goede procesorde (HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE 4553).

6.10.

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis van 9 november 2017 overwogen dat [geïntimeerde] heeft gesteld dat zij nog altijd statutair bestuurder is van [appellante] en dat op grond daarvan toegang tot de onderneming en de systemen van [appellante] en de e-mailaccount noodzakelijk is, zodat zij haar taken als statutair bestuurder kan uitoefenen. Daarom heeft [geïntimeerde] een spoedeisend belang bij de door haar onder I gevorderde voorziening, volgens de voorzieningenrechter.

6.11.

Met de voorzieningenrechter en op de door hem in het vonnis vermelde - en hiervoor aangehaalde - grond is het hof van oordeel dat ten tijde van de gevorderde voorziening onder I spoedeisend belang bestond. In zoverre faalt grief 1 in principaal hoger beroep.
De vordering onder I leidt niet tot een beoordeling die te complex is voor een beslissing in kort geding. In zoverre faalt ook grief 2, waarmee het andersluidende oordeel van de voorzieningenrechter wordt bestreden.

6.12.

Ten aanzien van de vorderingen onder II en III heeft de voorzieningenrechter kennelijk geoordeeld dat [geïntimeerde] een spoedeisend belang heeft bij het treffen van het daarin gevorderde. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] echter onvoldoende gesteld om een spoedeisend belang ten aanzien van de vorderingen II en III aan te kunnen nemen. Door [geïntimeerde] is niet weersproken dat zij een som van € 800.000,- heeft verkregen voor de verkochte aandelen, dat [bestuurder van geïntimeerde] recht heeft op een AOW-uitkering en heeft voorzien in andere (pensioen)inkomsten. [geïntimeerde] was op 17 juli 2017 dan ook niet afhankelijk van de managementvergoeding in die zin dat anders niet meer in de noodzakelijke middelen van bestaan van haar bestuurder kon worden voorzien. Gelet hierop zijn de door [geïntimeerde] gevorderde voorzieningen tot enerzijds doorbetaling van de managementvergoeding en anderzijds de uitbetaling van de managementvergoeding over de periode 17 juli 2017 tot 21 augustus 2017 geen voorzieningen ten aanzien waarvan onverwijlde spoed was geboden. In zoverre slaagt grief 1 in principaal hoger beroep.
Gelet hierop komt het hof op dit punt niet toe aan de behandeling van grief 2 in principaal hoger beroep, zoals hiervoor genoemd, en evenmin aan de behandeling van grief 7 in principaal hoger beroep, die betrekking heeft op de (toewijzende) inhoudelijke beslissing van de voorzieningenrechter op de vorderingen onder II en III.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen voor zover daarin is beslist op de vorderingen onder II en III en zal deze vorderingen alsnog volledig afwijzen.

6.13.

Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde] (in ieder geval) op 21 november 2017 rechtsgeldig is ontslagen als statutair bestuurder van [appellante] . Vanaf dat moment, zo is ook tijdens pleidooi door beide partijen bevestigd, heeft [geïntimeerde] geen (spoedeisend) belang meer bij de toewijzing van haar vordering onder I. Dit leidt ertoe dat het hof de vordering onder I voor zover het de periode vanaf 21 november 2017 betreft hoe dan ook zal afwijzen.

6.14.

Gelet op de beslissing inzake de proceskosten in eerste aanleg, waartegen grief 8 in principaal hoger beroep onder meer is gericht, zal het hof hierna ingaan op de vraag of de vordering onder I terecht is toegewezen door de voorzieningenrechter. Het hof zal dat doen met inachtneming van het in hoger beroep gevoerde debat en naar de toestand van heden (vgl. HR 3 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1050, HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666, NJ 2016/211 en, recent, HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1782).

6.15.

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat gelet op de statuten van [appellante] sprake was van schending van een voorschrift als bedoeld in artikel 2:14 lid 2 BW, omdat voordat de aandeelhouders een rechtsgeldig besluit konden nemen een handeling als vereiste is gesteld waaraan niet is voldaan, namelijk het horen van de directeuren. Aldus was het ontslagbesluit nietig en moet er van worden uitgegaan dat [geïntimeerde] niet rechtsgeldig als directeur is ontslagen.

6.16.

In de artikelen 2:14 en 2:15 BW is bepaald wanneer besluiten van organen nietig zijn en wanneer deze vernietigbaar zijn.
Lid 2 van artikel 2:14 BW bepaalt dat als het besluit nietig is, omdat het is genomen ondanks het ontbreken van een door de wet of de statuten voorgeschreven voorafgaande handeling van of mededeling aan een ander dan het orgaan dat het besluit heeft genomen, dan kan het door die ander worden bekrachtigd.
Artikel 2:15 lid 1 luidt als volgt. In lid 1 van artikel 2:15 BW is bepaald dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is a) wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, b) wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist en c) wegens strijd met een reglement. Ingevolge artikel 2:15 lid 2 BW behoren tot de bepalingen als onder a) bedoeld niet die welke de voorschriften bevatten waarop in artikel 2:14 lid 2 BW wordt gedoeld.

6.17.

Het hof stelt voorop dat artikel 16 lid 4 van de statuten de aandeelhoudersvergadering van [appellante] de bevoegdheid geeft om tot het ontslag van de statutair bestuurder te besluiten. Vast staat in dit geval dat voorafgaand aan de aandeelhoudersvergadering, zo daartoe een oproeping is verstuurd, niet de oproepingstermijn van veertien dagen in acht is genomen (artikel 23 lid 2 van de statuten van [appellante] ) en dat evenmin de te behandelen onderwerpen zijn vermeld (artikel 22 lid 4 van de statuten van [appellante] ). Volgens artikel 2:227 lid 7 BW heeft de bestuurder het recht om zijn raadgevende stem in de aandeelhoudersvergadering te geven en vast staat dat dit niet is gebeurd (artikel 2:227 lid 7 BW). Dit laatste voorschrift stemt overeen met artikel 23 lid 5 van de statuten van [appellante] .

6.18.

[geïntimeerde] heeft gesteld dat het ontslag van [geïntimeerde] als statutaire bestuurder zowel in strijd is met de statuten als met de wet en heeft daarmee (kennelijk) het oog op de artikelen 23 lid 2, 22 lid 4 en 23 lid 5 van de statuten van [appellante] en artikel 2:227 lid 7 BW.

6.19.

[appellante] heeft naar voren gebracht dat tijdens de onderhandelingen over de aandelenoverdracht voor iedereen duidelijk was dat het statutair bestuurderschap van [geïntimeerde] van [appellante] na de aandelenoverdracht zou eindigen. Het ontslag van [geïntimeerde] op 17 juli 2017 kon dan ook geen verrassing zijn.

6.20.

Het hof stelt vast dat bij de aandelenoverdracht in de koopovereenkomst geen afspraken zijn vermeld over het eindigen van het statutair bestuurderschap van [geïntimeerde] na de aandelenoverdracht aan [de vennootschap 4] . Dat [geïntimeerde] ook na de aandelenoverdracht statutair bestuurder was van [appellante] is niet in geschil. De stelling van [appellante] dat was afgesproken dat het statutair bestuurderschap van [geïntimeerde] na de aandelenoverdracht zou eindigen, is door [appellante] op geen enkele wijze onderbouwd en is bovendien gemotiveerd weersproken door [geïntimeerde] . Het bewijsaanbod kan [appellante] niet baten, nu in een kort geding procedure voor uitgebreide bewijslevering geen plaats is.

6.21.

Naar het oordeel van het hof gaat het bij de door [geïntimeerde] bedoelde schending van wettelijke en statutaire bepalingen om bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 onder a BW, waarbij geen sprake is van een schending als bedoeld in artikel 2:14 lid 2 BW. Aldus is sprake van een vernietigbaar (ontslag)besluit. Het horen van de directeur over zijn ontslag tijdens de aandeelhoudersvergadering vindt zijn grondslag in artikel 2:8 BW, waarbij ook [geïntimeerde] ervan uitgaat dat het nalaten hiervan reden is voor vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW. Voor zover [geïntimeerde] nog stelt dat zij het ontslagbesluit heeft vernietigd bij brief van 11 augustus 2017 van haar advocaat, is van belang dat artikel 2:15 lid 3 BW voorschrijft dat vernietiging geschiedt door een uitspraak van de rechtbank. Buitengerechtelijke vernietiging is niet mogelijk. Dit betekent dat op en na 17 juli 2017 sprake is geweest van een weliswaar vernietigbaar maar niet vernietigd en daarom vooralsnog als geldig te beschouwen ontslagbesluit, zodat (ook) de vordering onder I in eerste aanleg ten onrechte is toegewezen.

Voor zover [geïntimeerde] bij pleidooi in hoger beroep nog heeft gesteld dat er geen geldig besluit tot bijeenroeping van de vergadering door het daartoe bevoegde orgaan ligt en dat (ook) om die reden de besluiten die zijn genomen nietig zijn (met verwijzing naar onder meer ECLI:NL:GDHA:2015:1211), geldt dat [geïntimeerde] deze stelling niet eerder naar voren heeft gebracht, zodat deze stelling als te laat en in strijd met de twee-conclusie-regel buiten beschouwing wordt gelaten.

6.22.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat grief 1 in het principaal hoger beroep deels slaagt, dat het spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen (inmiddels) ontbreekt en het vonnis zal worden vernietigd. Grief 2 in het principaal hoger beroep faalt. Grief 8 slaagt en heeft tot gevolg dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg. Aan bespreking van de grieven in het principaal hoger beroep voor het overige en het incidenteel hoger beroep wordt niet meer toegekomen. [geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld tot de proceskosten in hoger beroep in het principaal en incidenteel hoger beroep.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van 9 november 2017;

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van eerste aanleg, tot op heden begroot op € 618,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris advocaat, in de kosten van hoger beroep in het principaal hoger beroep op € 85,21 aan dagvaardingskosten, € 716,- aan griffierecht en € 3.222,- aan salaris advocaat en in de kosten van hoger beroep in het incidenteel hoger beroep, begroot op € 1.611,-, te voldoen binnen veertien dagen na arrest, en voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente;

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd € 82,- in geval niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan en betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.H. Schulten, W.J.J. Beurskens en G. Megchelsen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 november 2018.

griffier rolraadsheer