Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4865

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-11-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
200.242.783_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindigende maatregel. Aanvaardbare termijn. Artikel 1:266 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 266
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 22 november 2018

Zaaknummer : 200.242.783/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/339106 FA RK 17-6906

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Verger-Maas,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

In deze zaak worden als belanghebbenden aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] , tevens kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),

[de pleegmoeder] ,

en

[de pleegvader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de pleegmoeder respectievelijk de pleegvader,

tezamen te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1.

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 24 april 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 juli 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking gedeeltelijk te vernietigen en het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over de hierna nader te noemen [de minderjarige 1] af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, met productie, ingekomen ter griffie op 3 augustus 2018, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en voormelde beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. M. Verger-Maas;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .

2.3.1.

De vader en de pleegouders zijn, hoewel opgeroepen, niet verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief van de advocaat van de moeder van 8 oktober 2018, met bijlagen, ingekomen ter griffie op diezelfde datum;

  • -

    een V8-formulier van de advocaat van de moeder van 8 oktober 2018, ingekomen ter griffie op diezelfde datum.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie tussen de moeder en de vader is geboren:

- [de minderjarige 1] (hierna te noemen [de minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .

Uit die relatie zijn tevens geboren: [de minderjarige 2] (op [geboortedatum] 2015) en [de minderjarige 3] (op [geboortedatum] 2017). [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] verblijven beiden in een pleeggezin.

3.2.

[de minderjarige 1] is reeds voor haar geboorte, bij beschikking van 1 juli 2014, (voorlopig) onder toezicht gesteld van de GI. Zij is op grond van een daartoe strekkende rechterlijke machtiging een dag na haar geboorte in een crisispleeggezin geplaatst, waar zij ongeveer zes maanden heeft verbleven. Daarop aansluitend heeft zij vanaf medio januari 2015 ongeveer acht weken met de moeder verbleven bij Kompaan en De Bocht (thans: Sterk Huis) in het kader van een observatietraject. Op grond van een daartoe strekkende machtiging is zij sinds 12 maart 2015 weer uit huis geplaatst. Sindsdien verblijft [de minderjarige 1] in het huidige perspectief biedende pleeggezin. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn laatstelijk verlengd tot 25 april 2018.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het gezag van de vader en de moeder over [de minderjarige 1] beëindigd en de GI tot voogdes benoemd.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen, voor zover het de beëindiging van haar gezag betreft, en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift – zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat het volgende aan.

[de minderjarige 1] wordt niet ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. De moeder kan op dit moment niet zelf voor [de minderjarige 1] zorgen, maar [de minderjarige 1] groeit op in een pleeggezin waar zij zich goed ontwikkelt en er is een contactregeling met de moeder. Betwist wordt dat [de minderjarige 1] bovengemiddeld behoefte zou hebben aan duidelijkheid. De situatie zoals die thans is, is duidelijk voor [de minderjarige 1] . Verder belast de moeder [de minderjarige 1] niet met haar wens dat [de minderjarige 1] zo mogelijk op termijn weer bij haar komt wonen. Bovendien staat de veilige hechting van [de minderjarige 1] met de pleegouders niet in de weg aan het verder opbouwen van een hechtingsrelatie met de moeder. Daar komt bij dat het gezag belangrijk is voor de positie van de moeder in het leven van [de minderjarige 1] . De GI heeft ten onrechte niet ingezet op de verbetering van de relatie tussen de ouders en de pleegouders. Bovendien heeft de GI nagelaten om na de gezagsbeëindiging een nieuwe voogdijmedewerker te benoemen, terwijl de rechtbank heeft overwogen dat de GI het verzoek van de moeder daartoe in ogenschouw moest nemen.

Verder heeft de moeder de positieve ontwikkeling die zij heeft doorgemaakt doorgezet. De moeder is uit detentie en heeft de relatie met de vader definitief beëindigd. Zij is verhuisd en woont nu dichter bij haar netwerk. Het lukt haar om hulpverlening blijvend te accepteren. Zo krijgt zij sinds maart 2017 hulp van Silver Psychologie. Ook heeft de moeder begeleiding via Humanitas, Benita Home en Stichting Wende. Deze instanties zijn allemaal positief over de moeder. De raad heeft inmiddels onderzoek gedaan naar de situatie van de moeder en haar mogelijkheden om weer voor [de minderjarige 3] te kunnen zorgen. Volgens de raad moet in een periode van zes maanden via stapsgewijze uitbreiding van de bezoekregeling worden ingezet op een thuisplaatsing van [de minderjarige 3] bij de moeder.

3.6.

De raad heeft – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht.

[de minderjarige 1] wordt ernstig bedreigd in haar ontwikkeling nu zij onvoldoende zekerheid heeft over haar toekomstperspectief gezien de jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. [de minderjarige 1] is reeds toen zij zeven maanden oud was, geplaatst in het huidige perspectief biedende pleeggezin. Zij is gevoelig voor spanningen in haar omgeving en zij heeft een meer dan gemiddelde behoefte aan voorspelbaarheid en een bekende omgeving. Dit is voor de raad een signaal dat er een waarborg moet zijn wat betreft stabiliteit en continuïteit van haar opvoedingsomgeving zowel in praktische als juridische zin. Voor [de minderjarige 1] is het belangrijk dat zij de bevestiging krijgt dat haar plek bij de pleegouders is. De verwachting is dat de ouders niet in staat zijn, noch de moeder alleen in staat is om op een voor [de minderjarige 1] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding te dragen. Daarbij is onder meer van belang dat de ouders in het verleden onvoldoende hebben weten te profiteren van de aangeboden hulpverlening. Ook als de moeder erin zou slagen de opvoedomstandigheden voldoende te verbeteren, is het geen optie om [de minderjarige 1] bij haar terug te plaatsen. [de minderjarige 1] verblijft inmiddels lange tijd in het pleeggezin en is daar veilig gehecht. Het nu nog kunnen aangaan van een goede hechtingsrelatie met de moeder schat de raad als niet haalbaar in. Volgens de raad is het van belang de veilige hechting die [de minderjarige 1] met de pleegouders is aangegaan, niet te doorbreken en daar ook geen risico’s in te nemen.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift – zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat het navolgende aan.

De GI onderschrijft de in het verzoekschrift van de raad aangevoerde gronden voor een beëindiging van het gezag van de moeder. Het is voor de GI onduidelijk of de moeder blijvend achter de plaatsing van [de minderjarige 1] in het pleeggezin staat. Er is – anders dan de moeder in haar beroepschrift betoogt – meerdere keren ingezet op verbetering van de samenwerking tussen de moeder en de pleegouders. De moeder is echter niet betrouwbaar in het maken van afspraken. Zij heeft diverse bezoekafspraken met [de minderjarige 1] afgezegd. De moeder heeft gedetineerd gezeten van 26 januari 2018 tot eind mei 2018. De laatste maand van de detentieperiode, juni 2018, was zij voorwaardelijk vrij. Sinds juni 2018 heeft de moeder [de minderjarige 1] slechts drie keer bezocht, de laatste keer in juli 2018. Het afzeggen van de bezoekafspraken, vaak op het laatste moment, is belastend voor [de minderjarige 1] . Enerzijds omdat zij voorbereid wordt op een bezoek van de moeder en anderzijds omdat er door de afzegging een langere periode tussen de bezoekmomenten zit. Inzet en motivatie van alle partijen is nodig om de samenwerkingsrelatie te verbeteren. Daarvoor is ook nodig dat de moeder de omgangsafspraken nakomt. [de minderjarige 1] ontwikkelt zich goed. Na de zomervakantie is zij gestart in groep 1 van de basisschool. Zij is goed ingegroeid in het pleeggezin. Het netwerk van de pleegouders ervaart zij als prettig. [de minderjarige 1] weet goed wie haar moeder is en zij kijkt uit naar de bezoeken. De gezagsbeëindigende maatregel heeft rust gebracht omdat daarmee nu ook juridisch is vastgesteld dat het perspectief van [de minderjarige 1] in het pleeggezin ligt.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.8.2.

Er is geen sprake van misbruik van gezag. Daarmee ligt ter beoordeling voor de vraag of er aanleiding is voor een beëindiging van het gezag op grond van onderdeel a van artikel 1:266 lid 1 BW.

3.8.3.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en na eigen weging en beoordeling tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat het gezag van de moeder over [de minderjarige 1] beëindigd dient te worden.

3.8.4.

Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.

De moeder heeft een belast verleden en kampt met persoonlijke problematiek. De relatie tussen de ouders werd gekenmerkt door herhaald huiselijk geweld en zij accepteerden de hulpverlening onvoldoende. Om die reden is [de minderjarige 1] een dag na haar geboorte uit huis geplaatst. Vervolgens lukte het de moeder niet om de situatie te verbeteren en zich aan afspraken te houden. Het moeder-kind observatietraject bij Kompaan en De Bocht is in 2015 vroegtijdig, na acht weken, gestopt omdat er geen samenwerkingsrelatie met de moeder tot stand kwam en de ouders niet open waren over onder meer hun dagbesteding. Van april 2016 tot eind februari 2017 heeft FACT Idris de moeder begeleid. Dit traject is stopgezet omdat de moeder zich niet behandelbaar opstelde. Voorts is gebleken dat de moeder de afspraken over de omgang met [de minderjarige 1] met regelmaat niet nakomt sinds zij eind mei 2018 uit detentie is. De moeder erkent dat zij op dit moment niet voor [de minderjarige 1] kan zorgen. Voorgaande omstandigheden vormen, in onderlinge samenhang beschouwd, een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige 1] .

Voorts is het hof van oordeel dat de moeder niet in staat is om binnen een voor [de minderjarige 1] aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding te dragen. Hoewel de moeder de hulpverlening op dit moment lijkt te accepteren en op dit punt een positieve ontwikkeling lijkt door te maken, is onzeker of het de moeder gaat lukken blijvend toe te werken naar een stabieler leven. Ook al mocht de moeder daarin slagen, geconstateerd moet worden dat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige 1] inmiddels is verstreken. Het gaat hier om een vierjarig meisje dat reeds vanaf de leeftijd van zeven maanden in het huidige pleeggezin woont en daar veilig is gehecht. Verder heeft de moeder – hoe begrijpelijk ook – de wens om op termijn weer voor [de minderjarige 1] te zorgen. Daardoor staat de moeder niet onvoorwaardelijk achter een blijvende plaatsing van [de minderjarige 1] in het pleeggezin. De moeder kan de wens om op termijn zelf voor [de minderjarige 1] te zorgen – onbedoeld – uitstralen, wat [de minderjarige 1] kan gaan belasten. [de minderjarige 1] moet de zekerheid krijgen om in alle rust te mogen opgroeien in het pleeggezin. Temeer nu zij blijkens de raadsrapportage grote behoefte heeft aan duidelijkheid, voorspelbaarheid en vertrouwde hechtingsfiguren om haar heen. [de minderjarige 1] is een kwetsbaar en gevoelig meisje. Zij is direct na haar geboorte uit huis geplaatst, heeft meerdere verblijfplaatsen gekend en heeft (tijdens het traject bij Kompaan en De Bocht) bloot gestaan aan huiselijk geweld tussen de ouders. Een gezagsbeëindiging schept rust omdat een jaarlijks terugkerende verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing dan niet meer nodig is en er duidelijkheid wordt gecreëerd over het toekomstperspectief van [de minderjarige 1] . Daarnaast kan de duidelijkheid die wordt gecreëerd met een gezagsbeëindiging, de huidige spanning in de relatie tussen de moeder en de pleegmoeder verminderen en aldus ruimte creëren om – in het belang van [de minderjarige 1] – aan verbetering van hun onderlinge verstandhouding te werken.

Naar het oordeel van het hof dient het belang van [de minderjarige 1] bij stabiliteit in de huidige opvoedingssituatie, bij duidelijkheid over haar toekomstperspectief en bij voortzetting van een ongestoord hechtingsproces zwaarder te wegen dan het belang van de moeder om met het gezag belast te blijven.

Voor zover de moeder nog bedoeld heeft te zeggen dat het raadsonderzoek ten aanzien van [de minderjarige 3] van invloed dient te zijn op het oordeel over de beëindiging van het gezag over [de minderjarige 1] , overweegt het hof dat de situatie van [de minderjarige 3] niet te vergelijken is met die van [de minderjarige 1] . [de minderjarige 1] is namelijk reeds direct na de geboorte uit huis geplaatst en verblijft inmiddels ruim drie en een half jaar in het huidige pleeggezin.

3.8.5.

In de brief aan het hof van 8 oktober 2018 benoemt de moeder dat de samenwerkingsrelatie tussen de GI en haar van beide kanten onder druk staat. Daarbij verwijst zij naar de conclusie uit het raadsrapport van 27 september 2018 betreffende [de minderjarige 3] , waarin de raad adviseert de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 3] aan een andere gecertificeerde instelling over te dragen. Nu de moeder evenwel noch in de bewuste brief noch ter zitting het verzoek heeft gedaan om alsnog een andere gecertificeerde instelling dan de GI tot voogdes over [de minderjarige 1] te benoemen, valt de door de rechtbank uitgesproken benoeming buiten het beoordelingskader in hoger beroep.

3.8.6.

Ten slotte overweegt het hof nog dat de beëindiging van het gezag van de moeder niet betekent dat de banden tussen [de minderjarige 1] en de moeder worden verbroken of dat de moeder geen rol van betekenis meer in het leven van [de minderjarige 1] heeft. De moeder blijft recht houden op informatie over de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en op contact met haar. Zij zal altijd de moeder van [de minderjarige 1] blijven en heeft daarmee ook een belangrijke rol in haar leven.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 24 april 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, C.N.M. Antens en

C.A.R.M. van Leuven en is op 22 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.