Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4846

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-11-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
17/00301-GHK tot en met 17/00323-GHK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Geheimhoudingsbeslissing
Inhoudsindicatie

Art. 8:29 Awb. Art. 8:42 Awb. Art. 6 Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden.

De Belastingdienst heeft tegen betaling informatie ontvangen van een tipgever over buitenlandse bankrekeningen van Nederlanders. De belastingaanslagen en bestuursrechtelijke boetes in de onderhavige procedure zijn opgelegd naar aanleiding van die informatie.

Door de identiteit van de tipgever geheim te houden voor de geheimhoudingskamer van het gerechtshof zet de Belastingdienst de belastingrechter buiten spel. De door de Belastingdienst opgegeven redenen om de identiteit van de tipgever geheim te mogen houden moeten (door de geheimhoudingskamer) kunnen worden getoetst. De ‘leiding’ van de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën hebben beslist de identiteit van de tipgever niet bekend te maken aan de belastingrechter. Daardoor kan de geheimhoudingskamer de tipgever niet horen over de vraag of de tipgever gevaar loopt als hij of zij als getuige wordt gehoord. De geheimhoudingskamer kan daarom niet verifiëren of de tipgever inderdaad gevaar loopt. Op deze manier wordt door de ‘leiding’ van de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën de identiteit van de tipgever buiten elke rechterlijke toetsing om geheim gehouden. Dit is in strijd met het in artikel 6 van het EVRM verankerde recht op gelijke proceskansen (equality of arms) en het daarmee verbonden recht op openbaarmaking van bewijs (right to disclosure of evidence) (vgl. ABRvS 30 november 2011, 201010838/1/H3, ECLI:NL:RVS:2011:BU6382). In de strafzaak van belanghebbende heeft de strafrechter het Openbaar Ministerie inmiddels bevolen de identiteit van de tipgever te openbaren aan de strafrechter en de belanghebbende (verdachte).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-11-2018
FutD 2018-3084 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2018/2598
NLF 2018/2669 met annotatie van Lisa van Esdonk-Bongaarts
NTFR 2018/2897 met annotatie van Mr. M.H.W.N. Lammers
V-N 2018/67.18 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige belastingkamer, optredende, en hierna aangeduid, als ‘geheimhoudingskamer’

Kenmerken: 17/00301-GHK tot en met 17/00323-GHK

Tussenuitspraak ingevolge artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende,

en het incidenteel hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de tussenuitspraken van 4 februari 2016, nummers BRE 15/2273 tot en met 15/2287, en de (eind)uitspraken van de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant (hierna: de Rechtbank) van 30 maart 2017, nummers BRE 15/2273 tot en met 15/2284, 15/2286, 15/2287 en 16/8604 tot en met 16/8612, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende de volgende aan belanghebbende opgelegde (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en vermogensbelasting (hierna: VB):

Aanslag

Soort

Jaar

[aanslagnummer]

Dagtekening

Nummer Rechtbank

Kenmerk Hof

Navorderingsaanslag

IB/PVV

1998

H.88

31-12-2010

15/2273

17/00301

Navorderingsaanslag

IB/PVV

1999

H.97

25-03-2011

15/2274

17/00302

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2000

H.07

25-03-2011

15/2275

17/00303

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2001

H.17

25-03-2011

15/2276

17/00304

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2002

H.27

25-03-2011

15/2277

17/00305

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2003

H.37

25-03-2011

15/2278

17/00306

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2004

H.47

25-03-2011

15/2279

17/00307

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2005

H.57

25-03-2011

15/2280

17/00308

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2006

H.67

19-03-2011

15/2281

17/00309

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2007

H.77

19-03-2011

15/2282

17/00310

Aanslag

IB/PVV

2008

H.86

07-01-2012

15/2283

17/00311

Aanslag

IB/PVV

2009

H.96

04-04-2012

15/2284

17/00312

Navorderingsaanslag

VB

1999

K.98

31-12-2010

15/2286

17/00313

Navorderingsaanslag

VB

2000

K.07

25-03-2011

15/2287

17/00314

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2001

H.18

04-02-2013

16/8604

17/00315

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2002

H.28

04-02-2013

16/8605

17/00316

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2003

H.38

04-02-2013

16/8606

17/00317

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2004

H.48

04-02-2013

16/8607

17/00318

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2005

H.58

04-02-2013

16/8608

17/00319

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2006

H.68

04-02-2013

16/8609

17/00320

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2007

H.78

04-02-2013

16/8610

17/00321

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2008

H.87

04-02-2013

16/8611

17/00322

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2009

H.97

04-02-2013

16/8612

17/00323

Het beroep met nummer Rechtbank 15/2285 is in de beroepsfase ingetrokken en tegen de tussenuitspraak in die zaak richt het hoger beroep zich daarom niet.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn genoemde (navorderings)aanslagen opgelegd. Daarbij zijn boetebeschikkingen gegeven en is heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Het door belanghebbende gemaakte bezwaar tegen de (navorderings)aanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente is bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard door de Inspecteur.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij een verzoek om geheimhouding ex artikel 8:29 van de Awb gedaan van een deel van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Van de stukken waarop dit verzoek betrekking heeft, heeft de Inspecteur een geschoonde en ‘ongeschoonde’ versie aan de geheimhoudingskamer van de Rechtbank (hierna: de geheimhoudingskamer van de Rechtbank) overgelegd. In de ‘ongeschoonde’ versie zijn de gegevens die naar de identiteit van de tipgever leiden (naam en persoonsgegevens) nog steeds geschoond gebleven. Verder heeft de Inspecteur van de stukken D60 tot en met D88 slechts een ongeschoonde versie aan de geheimhoudingskamer van de Rechtbank overgelegd. De geschoonde versies van de stukken zijn doorgestuurd aan belanghebbende, de ongeschoonde versies niet.

1.4.

De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 4 februari 2016 in de beroepen met de nummers 15/2273 tot en met 15/2287 als volgt beslist:

- de stukken die zijn aangeduid met D60 tot en met D88 zijn niet aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb;

- het verzoek van de Inspecteur om beperkte kennisneming van de diverse stukken voor zover het de naam en de directe personalia-gegevens van de tipgever betreft is toegewezen;

- het verzoek van de Inspecteur om beperkte kennisneming van de verklaring van de tipgever (bijlage 4E) is toegewezen;

- het verzoek van de Inspecteur om beperkte kennisneming van het memo ‘Tipgever Luxemburg’ (bijlage 4A) en het plan van aanpak is toegewezen;

- het verzoek van de Inspecteur om beperkte kennisneming van het proces-verbaal FIOD-ECD (bijlage 4C) is toegewezen;

- het verzoek van de Inspecteur om beperkte kennisneming van de overeenkomst met de tipgever (bijlage 4B) is afgewezen, met uitzondering van de naam van de ambtenaar van de FIOD‑ECD en artikel 4, tweede lid, van de overeenkomst met de tipgever;

- het verzoek van de Inspecteur om beperkte kennisneming van de ambtsedige verklaring G1-01 (bijlage 4D) is toegewezen, met uitzondering van de gegevens vermeld in 4.18, eerste alinea van de tussenuitspraak;

- het verzoek van de Inspecteur om beperkte kennisneming van de ambtsedige verklaring AH-3 (bijlage 4H) is toegewezen, met uitzondering van de gegevens vermeld op pagina 2 (aangeduid met A2) en de eerste zin van pagina 7;

- het verzoek van de Inspecteur om beperkte kennisneming van de ambtsedige verklaring van 16 maart 2012 met bijlagen (bijlage 4I) is toegewezen;

- het verzoek van de Inspecteur om beperkte kennisneming van de memo’s (bijlage 4F en 4G) is toegewezen;

- het verzoek van de Inspecteur om beperkte kennisneming van de door de tipgever aangeleverde stukken D-28 tot en met D-59 is toegewezen;

- de Inspecteur wordt in de gelegenheid gesteld om binnen 4 weken na de verzenddatum van deze uitspraak de geschoonde stukken over te leggen met uitzondering van de passages in de stukken ter zake waarvan het verzoek om beperkte kennisneming is toegewezen.

1.5.

Bij brief met dagtekening 26 februari 2016 heeft de Inspecteur het stuk AH-3, G1-01 en de overeenkomst met de tipgever overgelegd, waarbij in het document AH-3 de passage aangeduid met A2 niet is vrijgegeven en waarbij in het document G1-01 het merendeel alsnog niet is vrijgegeven. Van de overeenkomst met de tipgever zijn van artikel 4, de leden 2, 3, 4 en 5 niet volledig vrijgegeven.

1.6.

De (hoofdkamer van de) Rechtbank heeft in de beroepen met de nummers 15/2273 tot en met 15/2284 en 15/2286 en 15/2287 en 16/8604 tot en met 16/8612 uitspraak gedaan op 30 maart 2017. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld:

- de beroepen zijn gegrond;

- de uitspraken op bezwaar worden vernietigd;

- de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraken op bezwaar blijven in stand, voor zover deze zien op de (navorderings)aanslagen en de aan belanghebbende in rekening gebrachte heffingsrente;

- de boetebeschikkingen worden verminderd;

- belanghebbende ontvangt van de Inspecteur een vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade.

1.7.

Aan het feit dat de Inspecteur niet volledig heeft voldaan aan het verzoek van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank, heeft de Rechtbank geen gevolgen verbonden.

1.8.

Tegen de uitspraak van de Rechtbank en tegen de tussenuitspraak van 4 februari 2016 van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.9.

De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Dat incidenteel hoger beroep richt zich tegen de beslissing van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank in haar tussenuitspraak van 4 februari 2016 en ziet op de beslissing om de volgende stukken ongeschoond in het geding te moeten brengen:

- Artikel 4, lid 3, 4 en 5 van de overeenkomst met de tipgever: de exacte details ten aanzien van de beloning;

- AH-3: de passage op bladzijde 2 welke volgens r.o. 4.19 van de tussenuitspraak moest worden vrijgegeven, maar niet is vrijgegeven; en

- G1-01 (bijlage 4D): de passages welke volgens r.o. 4.18 van de tussenuitspraak moesten worden vrijgegeven, maar niet zijn vrijgegeven.

1.10.

De Inspecteur heeft van de stukken ten aanzien waarvan hij een beroep op geheimhouding doet, een ‘ongeschoonde’ versie aan de geheimhoudingskamer overgelegd. In de ‘ongeschoonde’ versie zijn de gegevens die naar de identiteit van de tipgever leiden (naam en persoonsgegevens) nog steeds geschoond gebleven.

1.11.

Belanghebbende heeft bij brief van 15 augustus 2017 zijn zienswijze gegeven op het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur. Deze zienswijze is in afschrift aan de Inspecteur verstrekt.

1.12.

Vervolgens is het dossier in handen gesteld van de geheimhoudingskamer.

1.13.

De geheimhoudingskamer heeft op 16 januari 2018 een brief aan belanghebbende gestuurd, waarin onder meer het volgende is vermeld:

‘De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep verwezen naar zijn verweerschrift in eerste aanleg, waarin is uiteengezet welke gewichtige redenen er zijn om met name de identiteit van de tipgever en gegevens die tot onthulling van zijn identiteit kunnen leiden niet bekend te maken (onderdeel 7.0 en bijlage 4J bij het verweerschrift in eerste aanleg).

De onderstaande stukken zijn door de Inspecteur in (grotendeels) ongeschoonde vorm aan de geheimhoudingskamer overgelegd en hierop richt zich het verzoek om geheimhouding van de Inspecteur:

  1. memo “Tipgever Luxemburg” van 2 juli 2009 (Bijlage 4A);

  2. overeenkomst met de tipgever van 16 september 2009 (Bijlage 4B);

  3. proces-verbaal FIOD-ECD, AH-4 van 1 oktober 2009 (Bijlage 4C);

  4. ambtsedige verklaring ambtenaren FIOD-ECD, Gespreksverslag, Algemeen gedeelte, G1-01 van 1 oktober 2009 (Bijlage 4D);

  5. verklaring tipgever van 1 oktober 2009 (Bijlage 4E);

  6. memo toerekening vermogensbestanddelen en gevolgen voor vergrijpboete van 11 november 2009 (Bijlage 4F);

  7. memo omkering bewijslast en matiging boete van 24 november 2009 (Bijlage 4G);

  8. ambtsedige verklaring ambtenaren FIOD-ECD, Ambtsedige Verklaring, Gespreksverslag, AH‑3 van 1 oktober 2009 (Bijlage 4H);

  9. ambtsedige verklaring ambtenaren Belastingdienst/Holland Noord/kantoor [plaats 1] van 16 maart 2012 (Bijlage 4I);

  10. legenda: toelichting op de aangevoerde gewichtige redenen (Bijlage 4J);

  11. systeemuitdraaien BVR van 19 oktober 2009, selectie raadplegen adres (Bijlage 4K);

  12. visitekaartjes van belanghebbende en derden (Bijlage 4L);

  13. equity order note (Bijlage 4M);

  14. rekeningoverzicht van 12 januari 1998 (Bijlage 4N);

  15. stuk van 14 oktober 1998 (bijlage 4O);

  16. stuk van 19 januari 1998 (bijlage 4P);

  17. stuk van 8 oktober 1997 (bijlage 4Q);

  18. D28 tot en met D59 (Bijlage 4R), uitgezonderd de Bijlagen 4M tot en met 4Q;

  19. D60 tot en met D88 (Bijlage 4S);

  20. plan van aanpak van 5 oktober 2009 (‘project Derde categorie’) (ongenummerd: hierna aangeduid als Bijlage 4T).

In bovenstaande aan de geheimhoudingskamer gerichte “ongeschoonde” stukken zijn (enkel) de naam en de persoonsgegevens van de tipgever onleesbaar gemaakt.

U heeft in de geheimhoudingskamerprocedure in de beroepsfase een geschoonde variant van de stukken Bijlagen 4A tot en met 4T ontvangen, behoudens Bijlage 4S, waarvan de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat deze niet tot de zaken betrekking hebbende stukken moet worden gerekend. In het verweerschrift in de beroepsfase heeft u kennis genomen van de gewichtige redenen voor het schonen van deze stukken; in het verweerschrift in hoger beroep verwijst de Inspecteur naar de in de beroepsfase gegeven onderbouwing voor het geheimhouden van de stukken.

De Inspecteur heeft zich overigens in zijn incidenteel hoger beroepschrift op het standpunt gesteld dat de geheimhoudingskamer van de Rechtbank ten onrechte het beroep op gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb voor een aantal passages niet heeft gehonoreerd. Het betreft de volgende passages:

a. Artikel 4, derde, vierde en vijfde lid van de overeenkomst met de tipgever: de exacte details ten aanzien van de beloning (uit: Bijlage 4B);

b. G1-01. De passages welke volgens r.o. 4.18 van de tussenuitspraak van de Rechtbank moesten worden vrijgegeven, maar niet zijn vrijgegeven (uit: Bijlage 4D).

c. AH-3. De passage op bladzijde 2 (A2), welke volgens rechtsoverweging 4.19 van de tussenuitspraak van de Rechtbank moest worden vrijgegeven (uit: Bijlage 4H).

De Inspecteur verwijst naar zijn brief van 26 februari 2016 in het kader van de uitvoering van de tussenuitspraak alsmede (wederom) naar het verweerschrift in eerste aanleg (onderdeel 7.0 en bijlage 4J) ter onderbouwing van zijn standpunt dat ook deze passages geheimgehouden mogen worden.

De geheimhoudingskamer verzoekt u zich uit te laten over het door de Inspecteur gedane beroep op geheimhouding voor wat betreft de hierboven aangeduide op de zaak betrekking hebbende stukken.’

1.14.

Belanghebbende heeft bij brief van 12 februari 2018 op de brief van de geheimhoudingskamer gereageerd.

1.15.

De reactie van belanghebbende is in afschrift aan de Inspecteur verstrekt. In de begeleidende brief heeft de geheimhoudingskamer aangegeven dat inmiddels op 20 februari 2018 in gelijksoortige zaken als de onderhavige, waarin eveneens sprake was van een anonieme tipgever, uitspraak is gedaan door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2018:515). De geheimhoudingskamer heeft hierom besloten om met partijen een regiezitting te houden om het verdere verloop van de procedure te bespreken.

1.16.

Partijen zijn bij brief van 16 maart 2018 op de voet van artikel 8:44 van de Awb opgeroepen voor een regiezitting van de geheimhoudingskamer, in overleg met partijen te houden op 19 juni 2018.

1.17.

Naar aanleiding van deze oproeping heeft de Inspecteur bij brief van 8 mei 2018 aan de geheimhoudingskamer stukken doen toekomen. Het gaat om een aantal al eerder ingebrachte geschoonde stukken, waarvan de Inspecteur heeft besloten meer passages vrij te geven. Als gevolg daarvan wordt, zoals de Inspecteur dat heeft verwoord, het bij het verweerschrift ingestelde incidenteel hoger beroep gedeeltelijk door de Inspecteur ingetrokken en nog maar voor één stuk gehandhaafd (bijlage 4D).

1.18.

Daarnaast is door de Inspecteur een drietal stukken (bijlagen U tot en met W) ingebracht die, gelet op de uitspraak van het Hof met ECLI:NL:GHSHE:2018:515, voor het oordeel van het Hof in de hoofdzaak van belang zouden kunnen zijn. Bijlage U is een verklaring van de tipgever van 15 juni 2017, bijlage V betreft de gegevens van het project Bank zonder Naam en bijlage W betreft de memo ‘Voorbereiding project Derde Categorie’ van 11 april 2011. Twee van deze stukken (bijlagen V en W) zijn gedeeltelijk geschoond ingebracht, daarvoor doet de Inspecteur ook een beroep op geheimhouding. De Inspecteur heeft de ‘ongeschoonde’ stukken in een gesloten envelop aan de geheimhoudingskamer overgelegd. In de ‘ongeschoonde’ versie zijn de gegevens die naar de identiteit van de tipgever leiden (naam en persoonsgegevens) nog steeds geschoond gebleven.

1.19.

De brief van de Inspecteur van 8 mei 2018 is met de geschoonde bijlagen in afschrift aan belanghebbende verstrekt.

1.20.

De regiezitting ten overstaan van de geheimhoudingskamer heeft plaatsgevonden op 19 juni 2018 te ’s‑Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw [B] en mevrouw [C] . Van deze zitting is een proces‑verbaal verstrekken van inlichtingen opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verstrekt.

1.21.

De Inspecteur heeft bij brief van 26 juli 2018 op dit proces-verbaal gereageerd. Een afschrift van deze brief is aan belanghebbende verstrekt.

1.22.

Belanghebbende heeft bij brief van 23 augustus 2018 op de brief van de Inspecteur gereageerd. De brief van belanghebbende is in afschrift aan de Inspecteur verstrekt. Als bijlage bij zijn brief heeft belanghebbende een beschikking ingevolge artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering van de rechter-commissaris in strafzaken overgelegd van 20 augustus 2018 in een strafzaak tegen belanghebbende (parketnummer: [nummer 1] ).

1.23.

Na het houden van de regiezitting en ontvangst van de reacties van partijen, heeft de geheimhoudingskamer, die tot dan toe een enkelvoudige samenstelling had, beslist om de zaak naar een meervoudige geheimhoudingskamer te verwijzen. De meervoudige geheimhoudingskamer heeft, alvorens tot een oordeel in de tussenuitspraak te komen, kennis genomen van de volledige procesdossiers, inclusief de in de gesloten enveloppen aan de geheimhoudingskamer overgelegde ‘ongeschoonde’ stukken.

1.24.

Bij raadpleging van de in de gesloten enveloppen aan de geheimhoudingskamer overgelegde ‘ongeschoonde’ stukken heeft de geheimhoudingskamer geconstateerd dat bij bijlage 4R tussen stuk D56 en D57 zich een vel bevindt met de tekst:

‘Opm.

24 originele visitekaartjes in de kluisdossier’.

1.25.

Bij brief van 19 september 2018 heeft de geheimhoudingskamer verzocht deze visitekaartjes in kopie over te leggen aan de geheimhoudingskamer. Bij brief van 1 oktober 2018 heeft de Inspecteur aan dit verzoek voldaan door het overleggen in een gesloten envelop van kopieën van de visitekaartjes.

2 Verzoek

Het verzoek van de Inspecteur betreft voor een aantal stukken de vraag of deze stukken geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, zodat de Inspecteur - reeds om die reden - deze stukken niet aan belanghebbende en de Kamer van het Hof, die de hoofdzaak zal beslissen, hoeft te overleggen.

Het verzoek van de Inspecteur betreft overigens de vraag of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, die rechtvaardigen dat de Inspecteur weigert de stukken (in ongeschoonde vorm) te overleggen aan belanghebbende en de Kamer van het Hof, die de hoofdzaak zal beslissen.

3 Beoordeling van het verzoek

Algemeen juridisch kader

3.1.

De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de Inspecteur op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Hof te zenden. Uit de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008, nrs. 43448 en 43791, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en ECLI:NL:HR:2008:BB5868, van 15 november 2013, nr. 12/0606, ECLI:NL:HR:2013:1129 en van 10 april 2015, nr. 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874, volgt dat dit stukken zijn die in belanghebbendes zaak van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur dan wel die van enig belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 oktober 2014, nr. 13/00842-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:4205 en Hoge Raad 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2, onder ii).

3.2.

De omstandigheid dat een stuk behoort tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb, brengt in beginsel met zich dat dit stuk in zijn geheel en ongeschoond dient te worden overgelegd (vgl. Hoge Raad 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2 onder iv). Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt evenwel aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of het Hof mede te delen dat uitsluitend de Kamer van het Hof, die de hoofdzaak zal beslissen, kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming). Ook biedt het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid stukken niet volledig (dat wil zeggen stukken waarin delen onleesbaar zijn gemaakt) aan de andere partij ter kennis te brengen en aan de Kamer van het Hof, die de hoofdzaak zal beslissen, te overleggen.

3.3.

Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om geheimhouding en het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming is als volgt:

a. Geheimhouding: (delen van de) stukken mogen door de Inspecteur worden onthouden aan de rechter die in de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die in de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing .

b. Beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die in de hoofdzaak beslist.

In artikel 8:29, lid 5, Awb is bepaald, dat variant b alleen is toegestaan met toestemming van belanghebbende (vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 juni 2014, 13/00377-GHK en 13/00471-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:1944, r.o. 3.5).

3.4.

Aangezien uit de stukken niet volgt dat belanghebbende deze in artikel 8:29, lid 5, Awb bedoelde toestemming wil verlenen, vat de geheimhoudingskamer, mede uit het oogpunt van een doelmatige procesgang, het verzoek van de Inspecteur op als een verzoek om toepassing van variant a (geheimhouding).

3.5.

Aan belanghebbende zijn belastingaanslagen met boetes opgelegd. Zo dit al niet voortvloeit uit de artikelen 8:42 en 8:29 van de Awb, brengt in ieder geval het (vanwege de opgelegde boetes) van toepassing zijn van artikel 6, eerste lid, van het van het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) mee dat bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken voor de Kamer van het Hof, die de hoofdzaak zal beslissen (hierna: de hoofdkamer), en voor belanghebbende de grootst mogelijke terughoudendheid dient te worden betracht.

3.6.

Beslissend bij de vraag of de Inspecteur zich terecht op deze geheimhouding beroept is niet of op de zaak betrekking hebbende stukken of onleesbaar gemaakte delen daarvan en/of bekendmaking van de identiteit van personen, voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel zijn en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn (Hoge Raad 23 mei 2014, nr. 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182, r.o. 3.3.3). Slechts indien de door de Inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken - dat houdt in: het belang van belanghebbende bij kennisneming van alle op de zaak betrekking hebbende stukken in ongeschoonde vorm - is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.

3.7.

De omstandigheid dat in dezen mede sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM leidt niet tot een ander oordeel. Het recht op kennisneming van de stukken dat besloten ligt in het in voormeld artikellid verwoorde recht op een eerlijke behandeling, is immers geen absoluut recht. In zijn arrest van 16 februari 2000, nr. 28901/95, BNB 2000/259, overwoog het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM):

‘-61. However, (…) the entitlement to disclosure (…) is not an absolute right (…) there may be competing interests (…) which must be weighed against the right of the accused (…). In some cases it may be necessary to withhold certain evidence from the defence so as to preserve the fundamental rights of another individual or to safeguard an important public interest.’

3.8.

Geheimhouding van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken op grond van gewichtige redenen is niet in strijd met het uit artikel 6 van het EVRM voortvloeiende recht op een eerlijk proces, omdat een eerlijke behandeling en berechting door de regeling in artikel 8:29 van de Awb voldoende is gewaarborgd. Zo al sprake is van een inbreuk op een door belanghebbende aan het EVRM te ontlenen recht door (het toelaten van) de geheimhouding, is die inbreuk dan ook gerechtvaardigd.

3.9.

De geheimhoudingskamer wijst er in dit verband voorts nog op dat indien de belangenafweging ertoe leidt dat bepaalde gegevens voor belanghebbende geheim dienen te blijven, hieruit voortvloeiende problemen voor belanghebbende in de door de rechter toegepaste procedure moeten worden gecompenseerd (vgl. het hiervoor aangehaalde arrest van het EHRM, paragraaf 61):

‘(…) any difficulties caused to the defence by a limitation on its rights must be sufficiently counterbalanced by the procedures followed by the judicial authorities’

Dit kan bijvoorbeeld en onder omstandigheden tot uitdrukking komen in de bewijslastverdeling.

3.10.

De onder 3.6 genoemde belangenafweging moet plaats vinden in de concrete aan de geheimhoudingskamer voorgelegde zaak en na kennisneming door de geheimhoudingskamer, die de afweging moet maken, van het gehele dossier.

Beoordeling van het verzoek

Op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:42 van de Awb)

3.11.

De geheimhoudingskamer stelt voorop, dat als uitgangspunt geldt dat de beoordeling van de vraag of stukken op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb, moet plaatsvinden aan de hand van de ongeschoonde stukken. Immers, als door de belastingrechter geen kennis wordt genomen van de inhoud van de ongeschoonde stukken weet hij niet wat daarin staat en kan hij - in de regel - ook niet beoordelen of de stukken op de zaak betrekking hebben (vgl. Hoge Raad 15 november 2013, nr. 12/00606, ECLI:NL:HR:2013:1129, r.o. 3.2.2 en Hoge Raad 10 april 2015, nr. 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874, r.o. 2.3.2).

3.12.

In de onderhavige procedures heeft belanghebbende ten aanzien van alle bijlagen, behalve bijlage 4S, voldoende gemotiveerd gesteld dat deze stukken van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in de onderhavige zaak. De Inspecteur heeft dit op zich niet bestreden, behalve voor wat betreft bijlagen 4L (de visitekaartjes) en 4S. Aldus is tussen partijen niet in geschil dat in ieder geval de bijlagen 4A tot en met 4K, 4M tot en met 4R en 4T tot en met 4W tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren, welk standpunt de geheimhoudingskamer onderschrijft. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer betreft bijlage 4L eveneens een op de zaak betrekking hebbend stuk, nu het visitekaartje van belanghebbende onderdeel is van de visitekaartjes, die als één geheel dienen te worden beschouwd. Het voorgaande brengt met zich dat de bijlagen, behalve bijlage 4S, in beginsel ongeschoond door de Inspecteur aan belanghebbende dienen te worden geopenbaard en aan (de hoofdkamer van) het Hof dienen te worden overgelegd.

3.13.

Ten aanzien van bijlage 4S is de geheimhoudingskamer van oordeel dat de daaronder vallende stukken niet behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. De stukken hebben allen betrekking op andere belastingplichtigen dan belanghebbende en zijn in belanghebbendes zaken niet van belang geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur en zijn ook niet van belang voor de besluitvorming in deze procedures door de belastingrechter.

3.14.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of ten aanzien van de bijlagen 4A tot en met 4R en 4T tot en met 4W sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, die rechtvaardigen dat de Inspecteur weigert deze stukken (ongeschoond) in het geding te brengen.

Door de Inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding (artikel 8:29 van de Awb)

3.15.

De Inspecteur heeft de in de stukken geschoonde passages zwart gemaakt en voorzien van een letter. De betreffende letter verwijst naar een van toepassing zijnde ‘gewichtige reden’. Als gewichtige redenen heeft de Inspecteur genoemd:

‘A1. De privacy van de tipgever direct

A2. De privacy van de tipgever indirect

B. De privacy van derden

C. De privacy van (groepen) ambtenaren

D1. (Controle-)strategische overwegingen, beschrijving aard info

D2. (Controle-)strategische overwegingen, beschrijving werkproces

E. Voorkomen calculerend gedrag

F. Staatsbelang, voorkoming onevenredige benadeling/bevoordeling

G. Intern advies’

3.16.

De Inspecteur heeft daarbij de volgende toelichting verstrekt:

A1 en A2 Het belang van de privacy van de tipgever

(…)

De passages geduid met A1 geven de identiteit van de tipgever direct prijs omdat daarin de persoonsgegevens staan vermeld. De passages geduid met A2 bevatten informatie die indirect naar de tipgever verwijst omdat ze, al dan niet in samenhang met andere passages, informatie bevatten aan de hand waarvan de identiteit van de tipgever mogelijk kan worden herleid.

Het belang in deze zaak strekt zich verder uit dan een algemene motivering van het beginsel dat de privacy van de burger en/of de ambtenaar dient te worden beschermd. Hier gaat het om een tipgever waarvan de identiteit niet kan worden prijs gegeven omdat rekening moet worden gehouden met represaillemaatregelen tegen hem / haar. Er is een aanmerkelijke kans aanwezig dat bedreigingen en represailles zich zullen voordoen tegen zijn of haar persoon en/of gezins- en familieleden.

In het kader van de belangenafweging merk ik op dat de identiteit van de tipgever niet relevant is aangezien het niet gaat om de betrouwbaarheid van de tipgever, maar om de betrouwbaarheid van de door hem / haar verstrekte informatie aan de Belastingdienst. Wie de informatie aan de Belastingdienst heeft verstrekt is niet relevant. De betrouwbaarheid van de informatie is door de FIOD/ECD aan een uitgebreid onderzoek onderworpen mede gegeven het vooruitzicht op een met de tipgever te sluiten overeenkomst van financiële aard.

Op grond van het vorenvermelde ben ik van mening dat in het kader van de belangenafweging ex artikel 8:29 Awb het belang van de tipgever bij de bescherming van zijn/haar persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het mogelijke belang dat belanghebbende heeft bij de kennisneming van die identiteit. Belanghebbende wordt niet in zijn procespositie geschaad als hij de identiteit van de tipgever niet kent. De passages met de persoonsgegevens van belanghebbende (A1) en de passages met de informatie aan de hand waarvan diens identiteit mogelijk kan worden herleid (A2) dienen dan ook niet te worden vrijgegeven.

B Het belang van privacy van derden

(…)

In het algemeen kan worden gesteld dat de privacy van derden dient te worden gewaarborgd. Dit volgt onder meer uit de geheimhoudingsplicht op grond van artikel 67 Awr. In de hieronder genoemde stukken zijn vele gegevens van derden, zoals namen, adressen, telefoon- en faxnummers, sofi-nummers, rekeningnummers, saldo-informatie, namen van adviseurs en namen van bankmedewerkers vermeld. Het belang van deze derden hun gegevens niet openbaar te maken weegt in het onderhavige geval zeer zwaar. Openbaarmaking van deze gegevens van derden zou er toe kunnen leiden dat derden door belanghebbende, gemachtigde of andere belanghebbenden of gemachtigden in dit project zouden kunnen worden benaderd, bijvoorbeeld met het doel vragen te stellen omtrent hun belastingheffing of hun rekeninghouderschap bij een buitenlandse bank, hetgeen een ernstige inbreuk zou inhouden op hun persoonlijke levenssfeer. Op zichzelf beschouwd kan belanghebbende er belang bij hebben genoemde gegevens tot zijn beschikking te hebben, bijvoorbeeld ter controle van de juistheid van de namen zoals vermeld op de rekeningstandenlijst. Een en ander leidt echter direct tot een ernstige inbreuk op de privacy van genoemde derden. Afweging van het belang van de privacy van derden tegenover het belang van belanghebbende deze gegevens openbaar te maken heeft er dan ook toe geleid het eerstgenoemde belang als zeer zwaarwegend te laten prevaleren. De gegevens van derden worden derhalve niet aan belanghebbende verstrekt.

(…)

C Het belang van privacy van individuele of groepen ambtenaren

Op diverse plaatsen in de op de zaak betrekking hebbende stukken staat informatie over individuele of groepen ambtenaren. (…). De namen zijn vervangen door "NN" met een getal.

Om redenen van privacy zijn persoonsnamen en andere persoonlijke (identiteits)gegevens, alsmede directe telefoonnummers en e-mailadressen van belastingambtenaren niet prijsgegeven. Afweging van het belang van de privacy van deze personen tegenover het belang van belanghebbende deze gegevens openbaar te maken heeft er toe geleid het eerstgenoemde belang te laten prevaleren. De persoonlijke (identiteits-)gegevens van genoemde ambtenaren worden derhalve niet aan belanghebbende verstrekt.

D1, D2 en E Het belang van de Belastingdienst bij een effectieve controle en controlestrategie, waaronder begrepen een effectieve en efficiënte interne werkwijze

Op diverse plaatsen in de op de zaak betrekking hebbende stukken staat informatie over methoden, systematiek en/of werkwijzen van de Belastingdienst. De betreffende passages zijn gemarkeerd met de letter-cijfercombinaties D1 en D2.

Het gaat om passages aan welke belanghebbende (alsmede iedere belastingplichtige) inzichten kan ontlenen over de wijze waarop de Belastingdienst de feiten achterhaalt en onderzoekt, dan wel - mede in dit verband - haar werkprocessen inricht en logistiek organiseert. Deze ten behoeve van het toezicht en de controle(-strategie) geheim te houden informatie omvat bijvoorbeeld scenario's betreffende de opsporing van belastingplichtigen en klantbehandeling, voorschriften en tips over de toe te passen tactiek en methodiek om aangiften en verklaringen van belastingplichtigen te toetsen, alsmede informatie betreffende dossiervorming en automatiseringssystemen. Deze strategieën en werkwijzen zijn in beginsel toepasbaar op alle buitenlands-vermogenprojecten, terwijl voorts voor de hand liggend is te achten dat zij ook daadwerkelijk worden gebruikt in andere, al dan niet vergelijkbare projecten en/of individuele gevallen.

Voorts betreft het gegevens over de verificatie van de ontvangen gegevens. Daarnaast gaat het om passages waarin staan vermeld de interne afweging van de inspecteur over welke informatie op welk moment aan belanghebbenden dient te worden verstrekt, het bepalen van een effectieve en efficiënte interne werkwijze en het bepalen van een bepaalde (proces-)positie.

Met de letter E zijn gemarkeerd de passages die inzicht verschaffen in de aard en omvang van de broninformatie, een en ander indien en voorzover deze geen betrekking hebben op belanghebbende. Het vrijgeven van deze informatie zou er toe kunnen leiden dat een andere rekeninghouder, al dan niet met enig statistisch onderzoek, een kansberekening zou kunnen maken van wat zijn pakkans is.

In het kader van de belangenafweging ex artikel 8:29 Awb zal het belang van belanghebbende bij de kennisneming van de informatie over de methoden, systematiek en/of werkwijzen van de Belastingdienst moeten worden gesteld tegenover het belang dat de Belastingdienst heeft bij het niet verder prijsgeven van deze informatie.

Het risico van frustratie van (de uitvoering en handhaving van) de belastingwet zou manifest kunnen worden doordat belastingplichtigen op grond van deze informatie zouden kunnen anticiperen op de controlestrategieën en werkwijzen van de Belastingdienst. Het algemene publieke belang van een - ook op het terrein van het toezicht en de controle - adequaat functionerende Belastingdienst is van een groter gewicht dan het individuele belang van belanghebbende.

De betreffende passages kunnen dan ook niet worden vrijgegeven.

F Staatsbelang, voorkoming onevenredige benadeling / bevoordeling

Op enkele plaatsen in de op de zaak betrekking hebbende stukken staat informatie over de economische of financiële belangen van de Staat. (…)

Het staatsbelang is er niet mee gediend wanneer bekend zou worden wat de vergoeding is die de tipgever voor de door hem verstrekte informatie heeft ontvangen. Het is zeker ook niet denkbeeldig dat, indien dit algemeen bekend zou worden, dit een aanzuigende werking op premiejagers kan hebben. In de afweging tussen geheimhouding en openbaarmaking van dit gegeven is het zwaarwegende staatsbelang dusdanig van doorslaggevende aard dat een beroep op 8:29 Awb alleszins gerechtvaardigd is.

G Intern advies

In een aantal op de zaak betrekking hebbende stukken staat informatie die kan worden gekwalificeerd als 'intern advies'. (…)

De inspecteur heeft recht op vrijheid en vertrouwelijkheid van juridisch beraad. Ik verwijs naar de conclusie van AG Wattel van 3 april 2007, nr. 43449, BNB 2008/161, waarin deze opmerkt:

4.21

De strekking van art. 8:42 Awb is niet om de belastingplichtige van juridische munitie te voorzien om de hem onwelgevallige aanslag of boete te beschieten, maar om hem in staat te stellen kennis te nemen van alle - mogelijk - relevante feiten, belangenafwegingen en beleidvoering die zijn zaak - kunnen - betreffen en aldus mede kennisongelijkheid te compenseren. Bij verplichte overlegging van sterkte/zwakte-analyses die het bestuursorgaan vraagt van interne adviseurs (kennisgroepen) of externe adviseurs (lands- of Rijksadvocaat) dreigt overcompensatie.

In casu weegt naar mijn mening het belang van de inspecteur bij geheimhouding zwaarder dan een eventueel belang dat aan de zijde van belanghebbende kan worden onderkend ter zake van de kennisneming van de inhoud van de betreffende stukken.’

De identiteit van de tipgever

3.17.

Ten aanzien van de door de Inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding, aangeduid met en omschreven onder A1 en A2, overweegt de geheimhoudingskamer als volgt.

Beschikt de Inspecteur over de gegevens omtrent de identiteit van de tipgever (naam- en persoonsgegevens)?

3.18.

De geheimhoudingskamer hecht eraan nogmaals te benadrukken dat ook aan haar slechts stukken zijn overgelegd, waarin de identiteit van de tipgever is geschoond. De geheimhoudingskamer stelt vast dat daarvoor geen wettelijke basis is. De Inspecteur dient aan de geheimhoudingskamer de ongeschoonde stukken te verstrekken.

3.19.

De Inspecteur heeft echter gesteld, dat de namens hem optredende ambtenaren niet beschikken over de gegevens omtrent de identiteit van de tipgever (naam- en persoonsgegevens). De Inspecteur kan aan de geheimhoudingskamer geen ongeschoonde stukken overleggen, waarin de gegevens omtrent de identiteit van de tipgever niet zijn geschoond.

3.20.

De Inspecteur is op grond van artikel 8:42, lid 1, van de Awb niet verplicht buiten de hem reeds ter beschikking staande of gestaan hebbende stukken, alsnog nadere gegevens te vergaren en over te leggen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling door de rechter van het aan hem voorgelegde geschil (Hoge Raad 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.5).

3.21.

De Inspecteur heeft toegelicht, dat het ongeschoonde exemplaar van de overeenkomst met de tipgever van 15/16 september 2009 gedeponeerd is in een verzegelde envelop in de kluis van de Directeur-Generaal van de Belastingdienst. De Inspecteur stelt, voor zover hem bekend, dat de identiteit van de tipgever slechts bekend is bij:

- de Directeur-Generaal van de Belastingdienst die de overeenkomst met de tipgever heeft ondertekend;

- de landsadvocaat die bij het opmaken van de overeenkomst met de tipgever heeft geassisteerd;

- een ambtenaar van het Ministerie van Financiën, die inmiddels is gepensioneerd;

- de aangewezen aanslagregelaar van de tipgever.

Voorts heeft de Inspecteur toegelicht dat de ‘leiding’ van de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën niet wensen dat de identiteit van de tipgever bekend wordt bij andere ambtenaren van de Belastingdienst.

3.22.

De geheimhoudingskamer leidt uit het vorengaande af dat de identiteit van de tipgever geheim moet blijven voor ambtenaren van de Belastingdienst, inclusief de ambtenaren die optreden voor de Inspecteur, om te vermijden dat de identiteit van de tipgever ‘uitlekt’.

3.23.

De geheimhoudingskamer is van oordeel, dat de keuze om ambtenaren van de Belastingdienst, inclusief de ambtenaren die optreden voor de Inspecteur, niet bekend te maken met de identiteit van de tipgever niet zonder meer een gewichtige reden voor geheimhouding oplevert. Niet aanvaard kan worden, dat de Belastingdienst wel over gegevens en stukken beschikt, maar deze niet aan de uitvoerende ambtenaren ter beschikking stelt en aldus doende, de wederpartij in een belastingprocedure en de belastingrechter, voor de zaak relevante gegevens en (ongeschoonde) stukken onthoudt. Aangezien de identiteit van de tipgever bekend is bij de (leiding van de) Belastingdienst dient deze bekendheid aan de Inspecteur te worden toegerekend en moet voor deze geheimhoudingsprocedure ervan worden uitgegaan dat de Inspecteur beschikt over de gegevens omtrent de identiteit van de tipgever (naam- en persoonsgegevens). Vervolgens wordt relevant welke redenen de Inspecteur aanvoert om de identiteit niet te openbaren.

Redenen voor geheimhouding van de identiteit van de tipgever

3.24.

Als reden voor geheimhouding van de identiteit van de tipgever heeft de Inspecteur aangevoerd: de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de tipgever.

3.25.

De Inspecteur heeft gesteld dat er een aanmerkelijke kans is dat bedreigingen en represailles zich zullen voordoen tegen de persoon van de tipgever en/of zijn gezins- en familieleden. Voorts acht de Inspecteur, gelet op zijn brief van 26 juli 2018 als genoemd onder 1.21 hiervoor, het aannemelijk dat de tipgever zijn normale leven niet kan hervatten zonder dat hij hoeft te vrezen voor zijn leven, zijn gezondheid of zijn veiligheid dan wel voor de ontwrichting van zijn gezinsleven of zijn sociaaleconomisch bestaan, indien zijn identiteit bekend wordt.

3.26.

De Inspecteur heeft (als bijlage 4U) een afschrift van een notariële akte van 15 juni 2017 ingebracht, die, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

‘Heden, vijftien juni tweeduizend zeventien,

verscheen voor mij, mr [D] , notaris te [plaats 2] :

de heer enzovoorts;

hierna te noemen: de "Tipgever"

De Tipgever verklaart hierbij het volgende:

"Ik wil graag anoniem blijven. Ik ben de tipgever die in september tweeduizend negen (2009) een overeenkomst heeft gesloten met de Belastingdienst, omdat ik beschikte over informatie van Nederlandse belastingplichtigen met buitenlands vermogen dat mogelijk niet in de Nederlandse belastingheffing was betrokken.

Het is als volgt gegaan. Ik heb onder andere bij de Rabobank in Luxemburg gewerkt. Ik ben eind jaren negentig ('90) bij de Rabobank vertrokken. Jaren later, op enig moment in tweeduizend acht (2008), ruimde ik mijn zolder op. Ik kwam toen een verhuisdoos met papieren tegen die ik had gevuld toen ik bij de Rabobank vertrok. Ik heb deze doos uitgeruimd. Toen ik deze doos uitruimde, zag ik dat het vooral papieren betrof die ik in de tijd zelf voor mijn werk had verzameld. Ik trof in de doos, behalve mijn eigen papieren, ook een geprint Excelsheet aan met namen erop van individuen, verschillende bankrekeningnummers en informatie over overzeese vennootschappen en trustbedrijven. Deze lijst had ik daarvoor nog nooit gezien. Ik denk dat ik op enig moment bij het printen of kopiëren van mijn stukken per ongeluk die lijst van de gezamenlijke printer heb meegenomen, omdat deze lijst toen waarschijnlijk al op de printer lag, en dat hij toen tussen mijn spullen is geraakt. Alle medewerkers van alle afdelingen van Rabobank Luxemburg maakten gebruik van deze printer. Toen ik bij de Rabobank vertrok, heb ik alle papieren op mijn bureau en uit mijn bureaulades zonder enige selectie in deze verhuisdoos gedaan. Ik had ook nog dozen met informatie van andere banen die ik heb gehad. Ik heb daar vervolgens nooit meer naar gekeken. Tot toen, ergens in tweeduizend acht (2008) dus. In ieder geval bevond deze geprinte Excellijst zich in de verhuisdoos. Toen ik de lijst bekeek, dacht ik dat deze lijst afkomstig moest zijn van een collega. Ook trof ik in de doos een aantal andere papieren over bankrekeningen aan die waren voorzien van handgeschreven informatie. Waarom deze andere informatie zich in de doos bevond, weet ik niet. Het zou kunnen dat die informatie in die tijd in het kader van mijn werkzaamheden, bijvoorbeeld tijdens een vergadering, ter beschikking is gesteld. Eind tweeduizend acht (2008) denk ik, ontving ik een brief van de Belastingdienst met het verzoek informatie te verstrekken over mijn Luxemburgse bankrekening. Ik heb toen

telefonisch contact gehad met de Belastingdienst en ik legde aan de belastinginspecteur uit dat ik die bankrekening in die tijd heb gebruikt om mijn salaris te ontvangen. Hij vertelde mij dat ze die vraag stelden in het kader van onderzoeken naar niet gefiscaliseerd buitenlands vermogen. Ik vertelde de Belastingdienst dat ik dit soort buitenlands vermogen niet bezat, maar zei dat ik wel in het bezit was van informatie over Nederlanders met buitenlandse rekeningen en trustvermogen. Ik had deze informatie immers net gevonden in die verhuisdoos. De belastinginspecteur met wie ik sprak vond dat interessant en heeft mij gevraagd of ik het goed vond dat ik zou kunnen worden benaderd door de Belastingdienst/FIOD.

Er zijn vervolgens, ik denk dat het inmiddels tweeduizend negen (2009) was, twee man bij mij op bezoek geweest voor een eerste gesprek en ik ben ook nog bij hen op kantoor geweest. Ik kan me van deze gesprekken niet veel details meer herinneren, maar ik weet wel dat zij mij vervolgens in contact hebben gebracht met de heer [F] . Ik heb vervolgens een aantal gesprekken met de heer [F] gevoerd. De heer [F] wilde zien wat voor informatie ik in mijn bezit had en wilde weten hoe ik eraan was gekomen. Dit heb ik hem ook verteld. Ik heb hem ook een deel van de informatie gegeven, waaronder de geprinte Excellijst. Vervolgens heeft hij onderzocht of hij wat kon met de informatie die ik in mijn bezit had, mede nu deze informatie betrekking had op oude jaren. Dit bleek het geval te zijn. Ik heb met de landsadvocaat in het bijzijn van de heer [F] onderhandeld over een financiële regeling en de voorwaarden van de overeenkomst. Ik heb meerdere gesprekken met de heer [F] gehad en heb hem op meerdere momenten informatie of uitleg gegeven. Alle informatie die ik heb verstrekt, kwam uit mijn verhuisdozen. Het betrof fysieke stukken, geen digitale informatie. Ik heb niets aan de stukken veranderd of toegevoegd. Het waren stukken afkomstig van onder andere de Rabobank De documenten waren oud en zo zagen ze er ook uit. Op deze wijze is de informatie in de handen van de FIOD gekomen. Ik deed dit geheel vrijwillig en er is op geen enkele wijze misbruik van me gemaakt.

De redenen dat ik alleen maar anoniem wil getuigen zijn de volgende. Ik ben bang dat als mijn identiteit bekend wordt, dat de belastingplichtigen die door mijn informatie tegen de lamp zijn gelopen, er alles aan zullen doen om mij het leven en dat van mijn gezin zuur te maken. Voor deze angst is ook reden, omdat de historie leert dat in soortgelijke gevallen er inderdaad op alle mogelijke wijzen verhaal wordt gehaald bij de tipgever. En niet alleen via het voeren van allerlei juridische procedures. Over het algemeen loopt het nooit goed af met een klokkenluider. Ik heb het dan niet alleen over mijn/onze privacy, maar ook over mijn/onze veiligheid. In dit geval geldt specifiek dat over mij letterlijk in De Telegraaf heeft gestaan: 'Wat mij betreft mogen ze die tipgever­morgen afknallen '. Dit deed me veel. Ook zijn er tal van voorbeelden van tipgevers bekend die zijn gedwongen om een andere identiteit aan te nemen. En tipgevers/klokkenluiders die zijn bedreigd. Ook in mijn geval is die angst reëel. Het Excelsheet dat ik heb overhandigd bevat meer dan honderd bankrekeningnummers van personen waarvan ik het vermoeden heb dat er personen tussen zitten die betrokken zijn geweest of deel uitmaakten van de onderwereld. Ik heb daarvoor ook concrete aanwijzingen. De oud-collega waarvan ik vermoed dat hij het spreadsheet heeft opgemaakt, was iemand met een groot netwerk uit Brabant en er werd van hem gezegd dat hij contact had met personen die mogelijk crimineel zouden zijn. Ik herkende bovendien ook namen op de Excellijst.

Onder deze omstandigheden ben ik niet bereid, zonder dat mijn anonimiteit gegarandeerd is, als getuige te worden verhoord.

lk wil graag nog verklaren dat mijn gezondheid door de stress van deze zaak achteruit is gegaan. Ik merk dat ik er last van heb. Ik ben hartpatiënt. Ik heb hartritmestoornissen. Ik ben hiervoor onder behandeling van een arts en neem hiervoor dagelijks medicatie. Ik kan slecht tegen stress. De gedachte dat mijn identiteit bekend wordt en dat ik hierdoor op enigerlei wijze achterna gezeten zal worden door de rekeninghouders van wie ik de gegevens aan de Belastingdienst heb verstrekt, geeft mij veel stress. Ik ben gisteren bij de huisarts geweest en ook zijn advies is om stressmomenten zoveel mogelijk te vermijden.

lk hoop dat ik hiermee alle vragen heb beantwoord.’

De akte is beperkt voorgelezen door de notaris en onmiddellijk daarna ondertekend. In het afschrift van deze akte zijn de gegevens omtrent de identiteit van de tipgever door de notaris geschoond.

3.27.

Voorts heeft de Inspecteur erop gewezen dat uit een overgelegd artikel uit het NRC-Handelsblad van 17 maart 2015 volgt dat derden het Ministerie van Financiën gevraagd hebben om een verklaring dat zij niet de tipgever zijn. De Inspecteur leidt hieruit af, dat deze derden zich bedreigd voelen en dus wel degelijk sprake is van een concrete dreiging met de daaraan verbonden risico’s. Tevens heeft de Inspecteur opgemerkt, dat de advocaat van de tipgever heeft meegedeeld dat een particulier recherchebureau in contact probeerde te komen met de tipgever.

3.28.

Belanghebbende wenst de gegevens omtrent de identiteit van de tipgever te kunnen kennen, om aldus de mogelijkheid te hebben om de tipgever als getuige door (de hoofdkamer van) het Hof te doen horen. In het bijzonder wil belanghebbende de tipgever als getuige doen horen over:

1. de betrouwbaarheid van de tipgever,

2. de wijze waarop de tipgever de beschikking heeft gekregen over de documenten die hij vervolgens aan de Belastingdienst ter hand heeft gesteld, de rechtmatigheid van die verkrijging en de mogelijke rol die derden daarbij hebben gespeeld gegeven het feit dat de tipgever kennelijk over gedetailleerde informatie van drie verschillende banken kon beschikken,

3. de authenticiteit en betrouwbaarheid van de door de tipgever aangeleverde stukken, en

4. de wijze en de momenten waarop de tipgever in contact is gekomen en geweest met de Belastingdienst om te kunnen toetsen of is voldaan aan het zogenoemde voortvarendheidsvereiste (Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, ECLI:EU:C:2009:368).

3.29.

In het kader van deze geheimhoudingsprocedure ingevolge artikel 8:29 van de Awb is, zoals overwogen onder 3.6, overigens niet relevant of kennisneming van de gegevens omtrent de identiteit van de tipgever voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel zijn en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn (Hoge Raad 23 mei 2014, nr. 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182, r.o. 3.3.3). Ook is niet relevant of belanghebbende na de beslissing van de geheimhoudingskamer daadwerkelijk de tipgever als getuige oproept of laat oproepen. Aan de argumenten van de Inspecteur, dat het niet nodig is dat de tipgever als getuige wordt gehoord of dat belanghebbende geen belang zou hebben bij het horen van de tipgever als getuige gaat de geheimhoudingskamer dan ook voorbij. In het kader van deze geheimhoudingsprocedure is het dus niet belanghebbende, die moet uitleggen en onderbouwen waarom hij de gegevens omtrent de identiteit van de tipgever wil kennen, maar is het aan de Inspecteur om uit te leggen en te onderbouwen waarom hij op grond van gewichtige redenen de identiteit van de tipgever geheim zou mogen houden. Het Hof hecht eraan in dit kader te benadrukken dat uit de stukken van het geding volgt dat door de Inspecteur geen onderzoek is gedaan naar de betrouwbaarheid van de tipgever, noch door hem is onderzocht hoe de tipgever aan de informatie is gekomen.

3.30.

Dit is anders dan in de strafprocedure, waarin belanghebbende betrokken is (parketnr: [nummer 1] ). Ondanks de andere toets in het strafrecht is op een verzoek ingevolge artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering door de rechter-commissaris in strafzaken in de strafprocedure van belanghebbende het volgende, voor zover te dezen van belang, beslist:

‘Het verzoek strekt er - kort gezegd - toe om de in het dossier niet nader bij naam genoemde tipgever te horen die informatie over Nederlandse belastingplichtigen met buitenlands vermogen ter beschikking heeft gesteld waarvan de belastingdienst heeft gesteld dat deze juist, betrouwbaar en relevant is voor de belastingheffing van Nederlandse belastingplichtigen. De verdediging wil de tipgever horen teneinde zijn betrouwbaarheid en de betrouwbaarheid van de door hem gepresenteerde informatie te toetsen en voorts de herkomst van dit materiaal en daarmee de rechtmatigheid van het strafrechtelijk onderzoek te kunnen beoordelen.

De officier van justitie heeft schriftelijk gereageerd. Deze reactie is per mail ontvangen op 29 mei 2018. De officier van justitie is van oordeel dat het verzoek om de tipgever te horen moet worden afgewezen. De officier van justitie is van oordeel dat het verzoek uitermate summier is gemotiveerd en verwijst voor het overige naar de afwijzende beslissingen van zowel de rechter‑commissaris als de raadkamer van deze rechtbank in de zaken Boekarest en Kopenhagen, waarin verzoeken van de verdediging om dezelfde tipgever te horen werden afgewezen.

Naar aanleiding van het standpunt van de officier van justitie heeft de verdediging het verzoek nader onderbouwd per brief van 1 juni 2018 en daarbij volhard in het verzoek om de tipgever te horen. De officier van justitie heeft andermaal gereageerd op 5 juni 2018 en gepersisteerd bij het eerder ingenomen standpunt.

Afschriften van het inleidend en nader verzoek alsook van het standpunt van de officier van justitie en diens nadere reactie zijn aan deze beschikking gehecht.

Beoordeling

Bij beoordeling aan te leggen maatstaf: verdedigingsbelang/relevantiecriterium:

Volgens ECLI:NL:HR:2014:1496 mag worden verlangd dat het belang van de verdediging wordt geëxpliciteerd door per getuige te motiveren waarom deze van belang is voor enige ingevolge de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing. De rechter-commissaris verstaat daaronder dat aannemelijk wordt gemaakt ten aanzien van welke te nemen beslissingen de getuige over wetenschap beschikt en dat redenen worden opgegeven die, in geval van getuigen à décharge, strekken tot staving van de betwisting van de tenlastelegging. In geval van eerder gehoorde getuigen à charge dienen redenen opgegeven te worden teneinde de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van deze personen c.q. de door hen afgelegde verklaringen te toetsen.

Ingevolge het hiervoor aangehaalde arrest dient de verdediging die zich beroept op een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, daarvan het rechtsgevolg genoemd in artikel 359a Wetboek van Strafvordering te duiden en duidelijk en gemotiveerd aan te geven waarom een of meer van de veronderstelde verzuimen dient/dienen te leiden tot het door de verdediging beoogde rechtsgevolg. In die motivering dient mede aandacht te worden besteed aan het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel.

Tegen verdachte is de verdenking gerezen dat hij (al dan niet in vereniging):

1. in de periode 29 juni 2010 tot en met 13 maart 2018 opzettelijk niet heeft voldaan aan zijn ingevolge de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen op hem rustende informatieplicht en voorts

2. over tijdvakken in de periode 10 augustus 2011 tot en met 17 juli 2017 opzettelijk onjuiste en/of onvolledige aangiften heeft gedaan.

Verdachte zou op buitenlandse bankrekeningen aangehouden vermogen hebben verzwegen en hebben nagelaten daarvan aangifte te doen.

Verdachte is in beeld gekomen van de Belastingdienst op basis van informatie die de Belastingdienst in de loop van 2009 heeft ontvangen van een - vooralsnog onbekend gebleven - tipgever. Volgens de door de tipgever aangeleverde documenten (genoemd, besproken en als bijlage gevoegd bij de ambtsedige verklaring van [G] van de Belastingdienst van 16 maart 2012, DOC-004) zou verdachte de beschikking hebben (gehad) over banktegoeden en effectenportefeuilles. Nadat de Belastingdienst zich - naar zij stelt - had vergewist van de betrouwbaarheid van de door de tipgever aangedragen informatie heeft zij met de tipgever een overeenkomst gesloten op grond waarvan de tipgever een geldelijke beloning in het vooruitzicht werd gesteld in ruil voor de door hem te verstrekken informatie waarvan de hoogte gerelateerd is aan de daadwerkelijk door de Belastingdienst op basis van de informatie van de tipgever opgelegde en geïncasseerde naheffingsaanslagen en heffingsrente.

Voor de beoordeling van het verzoek zijn onder meer van belang het Memo Tipgever van 2 juli 2009 (DOC-052), de overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en de tipgever van 16 september 2009 (DOC-053), de ambtsedige verklaring inzake een gespreksverslag (algemeen deel) van 1 oktober 2009 (DOC-055) alsmede de verklaring van de tipgever van 1 oktober 2009 (DOC-056). Voorts heeft de rechter-commissaris in het bijzonder acht geslagen op het arrest van de belastingkamer van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 februari 2018 waarin de rol en positie van deze tipgever (in de zaak van (de erven van) een andere belastingplichtige) nader wordt gesproken.

Hoewel het verzoek, ook nadat dit naar aanleiding van opmerkingen van de officier van justitie nader is aangevuld en toegelicht, getoetst aan de hiervoor aangehaalde maatstaf karig is gemotiveerd voor wat betreft het belang, meer in het bijzonder de aan de nadere onderzoeksbevindingen te verbinden rechtsgevolgen is de rechter-commissaris van oordeel dat gezien alle eerdere rechterlijke bemoeienissen (in deze en vergelijkbare zaken waarin deze tipgever een rol speelt) alsmede het dossier en de verdere stukken, voldoende duidelijk is welke doel de verdediging met het onderhavige verzoek beoogt na te streven.

De door de verdediging opgeworpen vragen betreffen de volgende aspecten:

1. de betrouwbaarheid van de tipgever,

2. de wijze waarop de tipgever de beschikking heeft gekregen over de documenten die hij vervolgens aan de Belastingdienst ter hand heeft gesteld, de rechtmatigheid van die verkrijging en de mogelijke rol die derden daarbij hebben gespeeld gegeven het feit dat de tipgever kennelijk over gedetailleerde informatie van drie verschillende banken kon beschikken en

3. de authenticiteit en betrouwbaarheid van de door de tipgever aangeleverde stukken

Op basis van het hiervoor aangehaalde arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch alsook gezien het arrest van de belastingkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 februari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:645) moet worden aangenomen dat er in het geheel geen onderzoek is uitgevoerd naar de betrouwbaarheid van de tipgever noch naar de wijze waarop de tipgever de beschikking heeft kunnen krijgen over de documenten die hij aan de belastingdienst ter beschikking heeft gesteld en die het fundament vormen van de verdenking tegen verdachte.

Uit voornoemd arrest blijkt dat het Hof sterke aanwijzingen ziet om aan te nemen dat deze verkrijging op strafrechtelijk laakbare wijze heeft plaatsgevonden terwijl aan de verdediging verder kan worden toegegeven dat derden daar mogelijk ook een rol bij hebben gespeeld, gezien het feit dat de tipgever kennelijk over de gedetailleerde gegevens van drie verschillende bankinstellingen kon beschikken. Alvorens iets kan worden gezegd over de aan een strafrechtelijk laakbare wijze van verkrijging te verbinden gevolgen zal inzicht moeten worden verkregen in de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de tipgever deze informatie heeft vergaard. In dit verband mag niet onvermeld blijven dat uit genoemd arrest blijkt dat de tipgever zich niet eigener beweging heeft gemeld bij de Belastingdienst (zoals in de stukken voortdurend tot uitgangspunt wordt genomen) maar dat de tipgever zijn informatie eerst aanbood nadat hij zelf (als voormalig houder van een buitenlandse bankrekening) in het vizier van de belastingdienst was gekomen als mogelijke zwartspaarder.

Uit de stukken blijkt evenmin dat onderzoek is gedaan naar de authenticiteit van de door de tipgever aangeleverde stukken. Daarbij is met name van belang de vraag of en in welke mate de tipgever in staat is geweest de informatie in de stukken die hij heeft aangeleverd heeft kunnen bewerken of anderszins manipuleren, gelet ook op zijn eigen financiële belang bij de op basis van die informatie op te leggen naheffingsaanslagen. Voor wat betreft de betrouwbaarheid van de informatie kan de rechter-commissaris niet beoordelen of in het hiervoor aangehaalde Memo Tipgever (DOC-052) op goede gronden is geconcludeerd dat de informatie (banksaldo en effectenportefeuille) ten aanzien van verdachte betrouwbaar is nu belangrijke delen van dit Memo onleesbaar zijn gemaakt. Ook op dit punt ligt het horen van de verstrekker van de onderliggende stukken in de rede teneinde die betrouwbaarheid te toetsen.

De door de verdediging opgeworpen vragen kunnen de zittingsrechter tot afwegingen nopen in verband met artikel 359a Wetboek van Strafvordering, waarbij zowel de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, de bruikbaarheid van het verkregen bewijs, de bewijswaarde van het bewijsmateriaal als de strafoplegging aan de orde kunnen komen.

Dit betreft ingevolge de artikelen 348/350 Wetboek van Strafvordering te beantwoorden vragen. Gelet op hetgeen overigens aangaande de door de verdediging aangesneden kwesties uit het dossier blijkt is de tipgever de eerst aangewezene om ter zake als getuige duidelijkheid te verschaffen.

Beslissing

De rechter-commissaris wijst het verzoek toe en zal de hierna omschreven handeling(en) van onderzoek verrichten:

het horen van de navolgende getuige:

De persoon die in het dossier wordt aangeduid als 'de tipgever'.

Bepaalt dat deze persoon als getuige zal worden opgeroepen nadat de officier van justitie aan de griffier van het kabinet van de rechter-commissaris opgave heeft gedaan van de persoons- en adresgegevens van de tipgever.’

Beoordeling door de geheimhoudingskamer (identiteit van de tipgever)

3.31.

Ten aanzien van de door de Inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding overweegt de geheimhoudingskamer als volgt. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat in algemene zin de omstandigheid dat bekendmaking van persoonsgegevens van een derde ertoe kan leiden dat belanghebbende hem of haar kan benaderen om bijvoorbeeld als getuige op te roepen, niet zonder meer een gewichtige reden is (vgl. Hoge Raad 3 april 2009, nr. 07/13014, ECLI:NL:HR:2009:BH9184, r.o. 3.3.4 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 januari 2016, nr. 13/00311-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2016:7). Weliswaar zal op de persoonlijke levenssfeer van die derde inderdaad een ernstige inbreuk worden gemaakt als hij of zij door belanghebbende wordt benaderd (om bijvoorbeeld als getuige te worden opgeroepen), maar dit doet er niet aan af dat bij de belangenafweging in het kader van artikel 8:29 van de Awb deze inbreuk gerechtvaardigd kan zijn, indien het belang van de Inspecteur bij bescherming van de persoonlijke levenssfeer niet aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende. Uit voornoemd arrest volgt, dat het Hof deze belangenafweging moet maken. Deze belangenafweging zal in onderhavige zaak door de geheimhoudingskamer worden gedaan.

3.32.

Bovendien kan uit het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2017, nr. 16/04810, ECLI:NL:HR:2017:2986, worden afgeleid, dat de rechter in belastingzaken – naar de letter genomen – niet de mogelijkheid heeft over te gaan tot een getuigenverhoor zonder dat partijen kennis kunnen nemen van de naam van de getuige, ook niet in gevallen waarin de getuige zich door het afleggen van een verklaring zou blootstellen aan gevaar. Hieruit volgt al dat, zelfs indien juist zou zijn de stelling van de Inspecteur dat door het openbaren van de identiteit van de tipgever deze moet vrezen voor het leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaaleconomische bestaan van hem of van een andere persoon, dit geen gewichtige reden voor geheimhouding oplevert.

3.33.

Bovenal is de geheimhoudingskamer echter van oordeel, dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de tipgever daadwerkelijk moet vrezen voor het leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaaleconomische bestaan van hem of van een andere persoon. Tijdens de regiezitting is de Inspecteur gevraagd of deze heeft onderzocht en geverifieerd of de tipgever terecht vreest voor, kort geformuleerd, gevaar. De Inspecteur is verzocht (schriftelijk) te onderbouwen dat de vrees voor represailles van de tipgever terecht zijn. De geheimhoudingskamer is van oordeel, dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de verklaring van de tipgever heeft onderzocht en geverifieerd. De Inspecteur heeft hetgeen de tipgever verklaart kennelijk voor waar aangenomen en bijvoorbeeld niet onderbouwd dat de verklaring van de tipgever, dat de personen op de Excellijst connecties hebben met of onderdeel hebben uitgemaakt van de onderwereld, juist zou zijn of dat zijn gezondheid in verband met de beweerdelijke stress inderdaad dermate in het geding zou zijn dat de tipgever niet als getuige zou kunnen worden gehoord.

3.34.

Het voorstel van de Inspecteur om - overeenkomstig artikel 226a Wetboek van Strafvordering - de tipgever zelf - of via of met bijstand van zijn advocaat - de gevoelde dreiging en redenen daarvoor nader toe te laten lichten moet reeds worden afgewezen, omdat, mede gelet op eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad van 24 november 2017, 16/04810, ECLI:NL:HR:2017:2986, een dergelijke mogelijkheid in het belastingrecht niet bestaat. Zelfs indien ervan uit zou worden gegaan dat een toelichting door de tipgever met waarborgen voor geheimhouding van zijn identiteit zou kunnen plaatsvinden, constateert de geheimhoudingskamer dat dit voorstel kennelijk niet is gedaan aan de geheimhoudingskamer, maar aan de hoofdkamer, aangezien de Inspecteur opmerkt dat de vraag of de tipgever als getuige moet worden gehoord in deze procedure nog niet aan de orde is. Na een opmerking van de Inspecteur van gelijke strekking tijdens de regiezitting op 19 juni 2018 is de Inspecteur het volgende voorgehouden:

‘De Inspecteur dient nu (dat wil zeggen in de procedure voor de Geheimhoudingskamer) de gewichtige redenen voor geheimhouding te noemen. In dat kader is het voorgaande (vrees voor represailles, rol Inspecteur bij verkrijgen van de gegevens van de tipgever, de rol van de Inspecteur om het maximale te doen om de tipgever als getuige te laten verschijnen) van belang. De belangen van de Inspecteur dient de Geheimhoudingskamer nu af te wegen tegen het belang van belanghebbende om de tipgever als getuige te kunnen doen horen en dus het belang van belanghebbende om de tipgever als getuige op te roepen of door het Hof te laten oproepen. Deze belangenafweging is nu in deze geheimhoudingsprocedure aan de orde. Als de Geheimhoudingskamer een tussenoordeel heeft gegeven, is het voor de Inspecteur te laat om nog gewichtige redenen aan te voeren. De Inspecteur kan, als de Geheimhoudingskamer zou beslissen dat geheimhouding van identiteit van de tipgever niet gerechtvaardigd is, niet meer na de tussenuitspraak van de Geheimhoudingskamer nog proberen in de hoofdzaak bij de Kamer, die in de hoofdzaak beslist, redenen aan te voeren waarom zijn belang om de identiteit van de tipgever geheim te houden aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij het horen van tipgever. (…). Of belanghebbende na de tussenuitspraak daadwerkelijk de tipgever als getuige laat horen is overigens niet van belang. (…) Alle argumenten die vóór geheimhouding pleiten, dienen nu aangevoerd te worden en niet in de procedure voor de hoofdkamer. Als de Geheimhoudingskamer heeft beslist is de kans voor de Inspecteur voorbij: het is nu erop of eronder.’

Desalniettemin heeft de Inspecteur na de regiezitting gepersisteerd in zijn opvatting dat wat zal gebeuren als de hoofdkamer in de onderhavige zaak de tipgever daadwerkelijk wil horen dan zal blijken en nu nog niet is te voorzien; deze onvoorzienbaarheid brengt met zich dat de Inspecteur mogelijk pas dan zijn standpunt definitief kan bepalen en motiveren.

3.35.

De Inspecteur merkt voorts op, dat bij het verder motiveren van het beroep op gewichtige reden mogelijk gegevens vrij worden gegeven, die zouden kunnen leiden tot identificatie van de tipgever. Dit laatste wijst de geheimhoudingskamer als reden af, gelet op de in artikel 2.9, lid 5 in samenhang met artikel 2.8, lid 7 van de Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (niet-Kei-zaken) 2017 beschreven mogelijkheid om de (gedeeltelijke) motivering van het verzoek om geheimhouding geheim te houden voor de wederpartij (door dit gedeelte van de motivering in een gesloten envelop slechts aan de geheimhoudingskamer te overleggen) en beperkte kennisneming door de geheimhoudingskamer mogelijk te maken. In concreto had de Inspecteur bijvoorbeeld aan de geheimhoudingskamer kunnen openbaren ten aanzien van welke personen uit de onderwereld de tipgever informatie heeft verschaft en kunnen toelichten welke bedreiging van die personen zou uitgaan.

3.36.

De geheimhoudingskamer is niet in staat geweest de tipgever te bevragen over zijn vrees voor gevaar en aldus te verifiëren of die vrees gerechtvaardigd is. De Inspecteur heeft niet aan de geheimhoudingskamer aangeboden de tipgever te doen horen over de aangevoerde redenen voor geheimhouding van de identiteit van de tipgever. Gelet hierop en mede gelet op hetgeen is overwogen in Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20 februari 2018, nrs. 16/00009 tot en met 16/00021, ECLI:NL:GHSHE:2018:515, r.o. 4.13, heeft de geheimhoudingskamer niet zelf pogingen ondernomen om de tipgever te horen over de aangevoerde redenen voor geheimhouding van zijn identiteit. Evenmin is de geheimhoudingskamer in staat gesteld op andere wijze te verifiëren of de door de tipgever gevoelde dreiging realistisch is. Ook heeft de geheimhoudingskamer niet kunnen verifiëren - aan de hand van een medische verklaring o.i.d. - of de aangevoerde gezondheidsredenen aan het horen van de tipgever in de weg zouden staan.

3.37.

Al het voorgaande brengt de geheimhoudingskamer tot de conclusie, dat in dit geval niet aannemelijk is geworden dat de aangevoerde redenen onder A1 en/of A2 in dit geval aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van de identiteit van de tipgever (naam- en persoonsgegevens). Daarmee is in zoverre geen sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.

3.38.

Voorts heeft de Inspecteur inzake de identiteit van de tipgever aangevoerd dat geheimhouding hiervan het staatsbelang en/of de financiële en economische belangen van de Staat betreft. De Staat heeft er, aldus de Inspecteur, een belang bij dat ook in de toekomst tipgevers met waardevolle informatie zich vrij voelen zich te melden. Indien blijkt dat uiteindelijk de anonimiteit in fiscale zaken toch zal worden prijsgegeven zullen potentiële tipgevers zich wel twee keer bedenken voordat zij hun informatie aan de Staat willen verstrekken. Hierdoor kan een belangrijke bron om fiscale of financiële fraude op te sporen verloren gaan, zo betoogt de Inspecteur.

3.39.

De onder 3.38 vermelde reden komt overeen met de onder 3.16 vermelde reden F. De geheimhoudingskamer is van oordeel, dat het belang dat tipgevers ook in de toekomst met waardevolle informatie zich vrij voelen zich te melden niet aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, dat houdt in: het belang van belanghebbende bij kennisneming van alle op de zaak betrekking hebbende stukken in ongeschoonde vorm. In een rechterlijke procedure behoort uit het oogpunt van equality of arms een wederpartij kennis te kunnen nemen van het bewijs waarop de inspecteur de belastingaanslag baseert, moet de wederpartij in de gelegenheid zijn om dit bewijs gemotiveerd te betwisten en – bovenal – moet de (belasting)rechter dit bewijs kunnen toetsen. In algemene zin kan dan ook niet worden aanvaard, dat het financiële belang dat de Staat erbij heeft dat tipgevers informatie ten behoeve van de belastingheffing verstrekken en het belang dat de Staat erbij heeft dat fiscale of financiële fraude wordt opgespoord, tot geheimhouding van bewijs in een rechterlijke procedure leidt. In het kader van een belastingprocedure zullen deze belangen (in de geheimhoudingsprocedure ingevolge artikel 8:29 van de Awb) moeten worden geconcretiseerd en onderbouwd. De blote stelling van de Inspecteur dat er een staatsbelang en/of de financiële en economische belangen van de Staat in het geding zijn, is volstrekt onvoldoende om tot de conclusie te komen dat deze belangen aanzienlijk zwaarder wegen dan het verdedigingsbelang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken (met andere woorden: het verdedigingsbelang van belanghebbende bij kennisneming van stukken waarin de gegevens omtrent de identiteit van de tipgever niet zijn geschoond).

Geheim houden van bewijs buiten enige rechterlijke toetsing is in strijd met artikel 6 van het EVRM

3.40.

Uit het feit, dat de gegevens omtrent de identiteit van de tipgever (naam- en persoonsgegevens) zelfs niet aan de geheimhoudingskamer zijn verstrekt en de geheimhoudingskamer niet in staat is gesteld de door de tipgever voor de geheimhouding van zijn identiteit gegeven redenen te toetsen, volgt dat de Staat, en met hem de Inspecteur, de door hem beoogde geheimhouding in de belastingprocedure wenst te bereiken zonder dat de belastingrechter de redenen voor die geheimhouding toetst.

3.41.

De Inspecteur heeft geen inzicht geboden in de afweging, die de Staat moet maken, om bewijs voor de wederpartij geheim te houden en al helemaal niet in de afweging om bewijs zelfs voor de geheimhoudingskamer geheim te houden, terwijl deze laatste in de belastingprocedure de rol heeft om ingevolge artikel 8:29 van de Awb te toetsen of de Staat (de Inspecteur) zich op grond van gewichtige redenen terecht op geheimhouding beroept . Aldus wordt – omdat de ‘leiding’ van de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën dat wensen – bewijs geheim gehouden buiten elke rechterlijke toetsing om, hetgeen in strijd is met het in artikel 6 van het EVRM verankerde recht op gelijke proceskansen (equality of arms) en het daarmee verbonden recht op openbaarmaking van bewijs (right to disclosure of evidence) (ABRvS 30 november 2011, nr. 201010838/1/H3, ECLI:NL:RVS:2011:BU6382, r.o. 2.5.1 en zie onder 3.8).

3.42.

Het voorgaande brengt in deze zaak met zich dat alle passages in de bijlagen 4A tot en met 4R en 4T tot en met 4W, die uitsluitend zijn geschoond om reden A1 en/of A2, vrijgegeven dienen te worden. Om die reden behoeven de geschoonde passages, waarbij de Inspecteur slechts reden A heeft vermeld, bij de bespreking van de bijlagen geen afzonderlijke behandeling meer.

Schonen van stukken (anders dan de identiteit van de tipgever)

3.43.

Belanghebbende heeft verzocht om te kunnen beschikken over de ongeschoonde stukken, inclusief ongeschoonde versies van de bijlagen.

Bijlage 4A: Memo tipgever

3.44.

Ten aanzien van bijlage 4A heeft de Inspecteur zich, voor het geheimhouden van delen daarvan, op de volgende gewichtige redenen (de hiervóór genoemde redenen A tot en met G) beroepen (in deze tabel worden de geschoonde gegevens omtrent de identiteit van de tipgever niet vermeld aangezien daarover reeds hiervoor een oordeel is gegeven):

1

Pag. 1

De namen van negen ambtenaren en de (eventueel vermelde) naam van hun werkgever zijn geschoond

Aangevoerde reden: C

2

Pag. 2, reg. 20

Na de woorden ‘Daarnaast beschikt hij over’ en ‘van de Generale Bank.’ zijn passages geschoond tot aan het kopje Onderzoek

Aangevoerde reden: A, B, D

3

Pag. 3, onderaan

De passage na ‘het vermogen.’ is geschoond tot aan het einde van de pagina

Aangevoerde reden: B, D

4

Pag. 4, bovenaan

De eerste regel van de tekst is geschoond

Aangevoerde reden: B, D

5

Pag. 4, onderaan

De passage na ‘Spaanse klanten’ is geschoond

Aangevoerde reden: B

6

Pag. 6, bovenaan

Tussen ‘totaal om ruim’ en ‘personen’ is het aantal geschoond

E

7

Pag. 6, bovenaan

Tussen ‘vaststellingsovereenkomst, komt de’ en ‘niet voor’ zijn passages geschoond

D en E

8

Pag. 6, midden

De passage na ‘Het merendeel van de personen op deze lijst heeft’ en vóór ‘De lijst die geleverd is’ is geschoond

Aangevoerde reden: B, D

9

Pag. 6, midden

De passages na ‘2 op naam van een’ en na ‘voor ruim’ zijn geschoond

Aangevoerde reden: B

10

Pag. 6, onderaan

De drie paragrafen boven Conclusie zijn nagenoeg geheel geschoond

Aangevoerde reden: D

3.45.

Ten aanzien van de geschoonde namen van de negen ambtenaren en de naam van hun werkgever (bijlage 4A, tabelonderdeel 1) overweegt de geheimhoudingskamer als volgt. De Inspecteur heeft zich voor het geheimhouden van de namen beroepen op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (privacy). De Inspecteur is van mening, dat het belang bij bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft, namelijk het zoveel mogelijk kennis kunnen nemen van de ongeschoonde stukken. De geheimhoudingskamer is met betrekking tot de hiervóór omschreven belangenafweging van oordeel dat de in dit kader door de Inspecteur geschoonde gegevens voor de beslissing van de hoofdzaak niet direct van belang zijn. Gelet hierop, mede gelet op het in het algemeen zwaarwegende belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en mede gelet op de uit de op de uit de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), Pb L-119/1 voortvloeiende verregaande bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van de persoonsgegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Hierbij heeft de geheimhoudingskamer in aanmerking genomen dat duidelijk is op welke plek namen en overige gegevens zijn geschoond en de namen van de individuele namen in de bij de Rechtbank ingebrachte bijlage 4A zijn gecodeerd (met ‘NN’ en een getal), zodat belanghebbende er niet in wordt gehinderd bij de behandeling van de hoofdzaak door de Kamer, die in de hoofdzaak beslist, alsnog gericht zijn (processuele) standpunt te bepalen.

Hieruit volgt dat de Inspecteur de naam en tewerkstellingsgegevens van de ambtenaren op grond van gewichtige redenen heeft mogen schonen, zoals hij heeft gedaan.

3.46.

Ten aanzien van bijlage 4A, tabelonderdeel 2, ten aanzien waarvan de Inspecteur zich heeft beroepen op de redenen A, B en D, overweegt de geheimhoudingskamer als volgt.

De in tabelonderdeel 2 bedoelde geschoonde namen van derden (Van Lanschot en de Rabobank) zijn reeds openbaar gemaakt, zodat er geen reden meer is om deze namen te schonen. Ten aanzien van de andere in tabelonderdeel 2 bedoelde naam is de geheimhoudingskamer van oordeel dat deze naam zo gemakkelijk is te achterhalen op basis van de overige reeds openbare gegevens, dat het schonen daarvan reeds op die grond achterwege moet blijven. Hieruit volgt dat de Inspecteur de namen bedoeld in tabelonderdeel 2 dient vrij te geven, omdat er geen gewichtige redenen (B) zijn om deze namen te schonen.

Ten aanzien van het argument van de Inspecteur dat de in tabelonderdeel 2 bedoelde passage geheim gehouden dient te worden vanwege controlestrategie (D), overweegt de geheimhoudingskamer dat zij uit de ongeschoonde van de in tabelonderdeel 2 bedoelde inhoud afleidt dat het voor de hoofdkamer moeilijk wordt om de oorsprong van de informatie van de tipgever te achterhalen, indien deze in tabelonderdeel 2 bedoelde inhoud is geschoond. Gelet op het belang van zowel belanghebbende als de hoofdkamer om de betrouwbaarheid van het door de tipgever verstrekte materiaal te kunnen toetsen, acht de geheimhoudingskamer de reden van de Inspecteur om de in tabelonderdeel 2 bedoelde inhoud geheim te houden minder zwaarwegend dan het belang van belanghebbende en de hoofdkamer om van deze in tabelonderdeel 2 bedoelde inhoud kennis te kunnen nemen (in ongeschoonde vorm). Gelet op het voorgaande dient de Inspecteur de in tabelonderdeel 2 bedoelde inhoud geheel vrij te geven, omdat zijn beroep op controlestrategie (D) in dit geval ook niet aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende.

3.47.

Ten aanzien van bijlage 4A, tabelonderdeel 3 tot en met 5 en 8 en 10, waarbij de Inspecteur zich heeft beroepen op de redenen B en D, overweegt de geheimhoudingskamer als volgt. De geheimhoudingskamer is bij deze onderdelen van oordeel dat de privacy van derden (reden B) en het niet willen prijsgeven van de controlestrategie (reden D) aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende om over de ongeschoonde gegevens te kunnen beschikken. Bij reden D heeft de geheimhoudingskamer meegewogen dat het verstrekken van deze informatie er toe zou leiden dat na openbaring aan belanghebbende ook derden kennis kunnen nemen van deze informatie en daar een ongewenst voordeel van zouden kunnen hebben. De naam Generale Bank in de in bijlage 4A, tabelonderdeel 10 bedoelde inhoud dient echter ongeschoond te blijven, omdat deze naam reeds bekend is.

3.48.

In de in bijlage 4A, tabelonderdeel 6 bedoelde inhoud is een getal geschoond, dat reeds is af te leiden uit de andere op die pagina vermelde getallen. Er is hierom geen gewichtige reden om dit getal geheim te houden.

3.49.

Ten aanzien van bijlage 4A, tabelonderdeel 7 bedoelde inhoud is de geheimhoudingskamer van oordeel dat de daar vermelde namen (waaronder de Generale Bank) ongeschoond dienen te blijven (zie 3.46). Voor het overige is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het niet willen prijsgeven van de controlestrategie (reden D) en het voorkomen van calculerend gedrag (reden E) aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende om over de ongeschoonde gegevens te kunnen beschikken.

3.50.

De in bijlage 4A, tabelonderdeel 9 (‘De lijst’ (…)) bedoelde zin dient ongeschoond verstrekt te worden, omdat deze zin van belang is om de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie te toetsen. Het belang van de Inspecteur bij geheimhouding weegt hier niet aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende om over de ongeschoonde gegevens te kunnen beschikken.

3.51.

Op pagina 2, 3, 4, en 6 zijn gegevens geschoond die kunnen leiden naar de identiteit van de tipgever. Ten aanzien van de daarvoor aangevoerde redenen voor geheimhouding (A), verwijst de geheimhoudingskamer naar hetgeen daarover hiervóór is overwogen, waaruit volgt dat deze passages ongeschoond dienen te blijven zodat deze gegevens voor de hoofdkamer en belanghebbende kenbaar zijn.

Bijlage 4B: De overeenkomst met de tipgever

3.52.

In deze overeenkomst zijn (uitsluitend) de naam van de tipgever en overige gegevens die kunnen leiden naar de identiteit van de tipgever geschoond. Ten aanzien van de daarvoor aangevoerde redenen voor geheimhouding (A), verwijst de geheimhoudingskamer naar hetgeen daarover hiervóór is overwogen, waaruit volgt dat deze passages ongeschoond dienen te blijven zodat de identiteit van de tipgever voor de hoofdkamer en belanghebbende kenbaar is.

Bijlage 4C: Proces-verbaal Belastingdienst FIOD-ECD AH-4 (dossier [nummer 2] )

3.53.

In dit proces-verbaal zijn de naam, het pasnummer en de handtekening van de verbalisant geschoond, waarbij de Inspecteur zich heeft beroepen op reden C. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer mogen deze gegevens geheimgehouden worden, mits de betreffende verbalisant wordt aangeduid met een code met ‘NN’ en een getal, zodat deze verbalisant traceerbaar is en belanghebbende door het anonimiseren van de naam en persoonsgegevens van deze verbalisant niet wordt gehinderd bij de behandeling van de hoofdzaak.

3.54.

Verder zijn in dit proces-verbaal de naam van de tipgever en overige gegevens die kunnen leiden naar de identiteit van de tipgever geschoond. Ten aanzien van de daarvoor aangevoerde redenen voor geheimhouding (A), verwijst de geheimhoudingskamer naar hetgeen daarover hiervóór is overwogen, waaruit volgt dat deze passages ongeschoond dienen te blijven zodat de identiteit van de tipgever voor de hoofdkamer en belanghebbende kenbaar is.

Bijlage 4D: Ambtsedige verklaring Belastingdienst FIOD-ECD, G1-01 (dossier [nummer 3] )

3.55.

In deze ambtsedige verklaring zijn de naam, het pasnummer en de handtekening van de relatanten geschoond, waarbij de Inspecteur zich heeft beroepen op reden C. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer mogen de gegevens op zich geheimgehouden worden, mits de betreffende relatanten worden aangeduid met een code met ‘NN’ en een getal, zoals is gedaan in het geschoonde afschrift van Bijlage 4D dat aan de Rechtbank is overgelegd. Nu de naam van de heer A(…) echter reeds is prijsgegeven door de Inspecteur, ziet de geheimhoudingskamer geen reden meer deze naam geheim te houden.

3.56.

Verder zijn in dit proces-verbaal de functie van de tipgever en overige gegevens die kunnen leiden naar de identiteit van de tipgever geschoond. Ten aan

zien van de daarvoor aangevoerde redenen voor geheimhouding (A), verwijst de geheimhoudingskamer naar hetgeen daarover hiervóór is overwogen, waaruit volgt dat deze passages ongeschoond dienen te blijven zodat deze gegevens voor de hoofdkamer en belanghebbende kenbaar zijn.

Bijlage 4E: verklaring 1 oktober 2009

3.57.

In deze verklaring zijn (uitsluitend) de naam van de tipgever en overige gegevens die kunnen leiden naar de identiteit van de tipgever geschoond. Ten aanzien van de daarvoor aangevoerde redenen voor geheimhouding (A), verwijst de geheimhoudingskamer naar hetgeen daarover hiervóór is overwogen, waaruit volgt dat deze passages ongeschoond dienen te blijven zodat de identiteit van de tipgever voor de hoofdkamer en belanghebbende kenbaar is.

Bijlagen 4F en 4G: memo ‘toerekening vermogensbestanddelen en gevolgen voor de vergrijpboete’ van 11 november 2009 respectievelijk memo ‘omkering bewijslast en matiging boete’ van 24 november 2009

3.58.

In deze memo’s is de naam van de auteur geschoond, waarbij de Inspecteur zich heeft beroepen op reden C. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer mag deze naam geheimgehouden worden, aangezien de betreffende auteur is aangeduid met een code met ‘NN’ en een getal, zodat de auteur traceerbaar is en belanghebbende door het anonimiseren van de naam van deze auteur niet wordt gehinderd bij de behandeling van de hoofdzaak.

3.59.

Voor wat betreft de inhoud van de memo’s geldt dat de Inspecteur daarvan niets wil prijsgeven aan belanghebbende en de volledige inhoud van de documenten heeft geschoond, omdat het daarin gaat om een intern advies. De Inspecteur heeft zich voor de geheimhouding van de inhoud van de memo’s beroepen op reden G. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer weegt de door de Inspecteur aangevoerde gewichtige reden aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van de memo’s, omdat ook de Inspecteur recht heeft op vrijheid en vertrouwelijkheid van juridisch beraad. De inhoud van de memo’s hoeft daarom niet te worden prijsgegeven.

Bijlage 4H: Ambtsedige verklaring gespreksverslag Belastingdienst FIOD-ECD AH-3 (dossier [nummer 3] )

3.60.

In dit gespreksverslag zijn de namen, de aktenummers en de handtekeningen van de relatanten geschoond, waarbij de Inspecteur zich heeft beroepen op reden C. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer mogen deze gegevens op zich geheimgehouden worden, aangezien de betreffende relatanten worden aangeduid met een code met ‘NN’ en een getal, zodat deze ambtenaren traceerbaar zijn en belanghebbende door het anonimiseren van de namen en persoonsgegevens van deze ambtenaren niet wordt gehinderd bij de behandeling van de hoofdzaak. Nu de naam van de heer [F] echter reeds is prijsgegeven door de Inspecteur, ziet de geheimhoudingskamer geen reden meer deze naam geheim te houden.

3.61.

In het gespreksverslag is verder de naam van een derde geschoond met reden B. Gelet op de verregaande bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van deze persoonsgegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. De naam van de derde mag dan ook geheim blijven.

Bijlage 4I: Ambtsedige verklaring van [G] van 16 maart 2012 met bijlagen

Het hoofddocument van bijlage 4I () is ongeschoond aan belanghebbende vrijgegeven.

3.62.

In de daarna volgende bijlagen zijn de namen van derden, andere persoonsgegevens van derden en de visitekaartjes van derden geschoond met reden B. Gelet op de verregaande bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van deze persoonsgegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. De namen van de derden, de persoonsgegevens en de visitekaartjes van derden mogen geheim blijven. Dit geldt ook voor de persoonsgegevens van derden die dezelfde achternaam hebben als belanghebbende, dan wel een daarop gelijkende naam.

Voor wat betreft de bijlagen D30, D38, D40, D49 en de visitekaartjes geldt dat deze niet in geschoonde vorm bij het hoofddocument van bijlage 4I zijn gevoegd, maar bij de latere bijlagen 4N tot en met 4Q. Deze bijlagen komen verderop in deze tussenuitspraak (specifiek) aan de orde.

3.63.

Verder zijn in de bijlagen de gegevens die kunnen leiden naar de identiteit van de tipgever geschoond. Ten aanzien van de daarvoor aangevoerde redenen voor geheimhouding (A), verwijst de geheimhoudingskamer naar hetgeen daarover hiervóór is overwogen, waaruit volgt dat deze passages ongeschoond dienen te blijven zodat deze gegevens voor de hoofdkamer en belanghebbende kenbaar zijn.

Bijlage 4J: legenda

3.64.

De legenda, met daarin vermeld de redenen voor geheimhouding, is in ongeschoonde vorm aan belanghebbende verstrekt.

Bijlage 4K

3.65.

De systeemuitdraaien BVR zijn in ongeschoonde vorm aan belanghebbende verstrekt. Op de laatste pagina zijn handgeschreven aantekeningen geplaatst, die niet aan belanghebbende zijn vrijgegeven. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer betreft het hier interne aantekeningen met controle-strategische informatie, waardoor het belang van de Inspecteur bij geheimhouding aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende om kennis te nemen van de handgeschreven aantekeningen. Er is dus een gewichtige reden deze aantekeningen niet aan belanghebbende te openbaren.

Bijlage 4L

3.66.

De visitekaartjes van derden zijn door de Inspecteur geschoond met reden B. Gelet op de verregaande bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van deze persoonsgegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. De visitekaartjes van derden mogen geheim blijven.

Bijlage 4M: equity order note

3.67.

In deze equity order note zijn de namen van derden geschoond met reden B. Gelet op de verregaande bescherming van gegevens van derden, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van deze gegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. De gegevens van de derden mogen dan ook geheim blijven.

Bijlage 4N (D30)

3.68.

In dit rekeningoverzicht zijn de namen, rekeningnummers en overige gegevens van derden geschoond met reden B. Gelet op de verregaande bescherming van gegevens van derden, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van deze gegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. De gegevens van de derden mogen dan ook geheim blijven.

3.69.

Verder zijn in het rekeningoverzicht de gegevens die kunnen leiden naar de identiteit van de tipgever geschoond. Ten aanzien van de daarvoor aangevoerde redenen voor geheimhouding (A), verwijst de geheimhoudingskamer naar hetgeen daarover hiervóór is overwogen, waaruit volgt dat deze passages ongeschoond dienen te blijven zodat deze gegevens voor de hoofdkamer en belanghebbende kenbaar zijn.

Bijlage 4O (D38)

3.70.

In dit stuk van 14 oktober 1998 zijn de namen en nummers van derden geschoond met reden B. Gelet op de verregaande bescherming van gegevens van derden, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van deze gegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. De gegevens van de derden mogen geheim blijven.

3.71.

Verder zijn in dit stuk de gegevens die kunnen leiden naar de identiteit van de tipgever geschoond. Ten aanzien van de daarvoor aangevoerde redenen voor geheimhouding (A), verwijst de geheimhoudingskamer naar hetgeen daarover hiervóór is overwogen, waaruit volgt dat deze passages ongeschoond dienen te blijven zodat deze gegevens voor de hoofdkamer en belanghebbende kenbaar zijn.

3.72.

Ten aanzien van de gegevens in de balk bovenaan de tabel van het stuk van 14 oktober 1998 (beginnend met No, Clients enz.), merkt de geheimhoudingskamer op dat het niet de intentie van de Inspecteur was om de gegevens in deze balk zwart te maken aangezien geen reden voor geheimhouding wordt aangegeven, maar dat dit door het meermaals kopiëren wel is gebeurd. Om belanghebbende in de gelegenheid te stellen van de gegevens in de balk kennis te nemen, dient de Inspecteur een leesbare kopie over te leggen.

Bijlage 4P (D40)

3.73.

In dit stuk van 19 januari 1998 zijn de namen en nummers van derden geschoond met reden B. Gelet op de verregaande bescherming van gegevens van derden, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van deze gegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. De namen en nummers van de derden mogen geheim blijven.

3.74.

Verder zijn in dit stuk de gegevens die kunnen leiden naar de identiteit van de tipgever geschoond. Ten aanzien van de daarvoor aangevoerde redenen voor geheimhouding (A), verwijst de geheimhoudingskamer naar hetgeen daarover hiervóór is overwogen, waaruit volgt dat deze passages ongeschoond dienen te blijven zodat deze gegevens voor de hoofdkamer en belanghebbende kenbaar zijn.

Bijlage 4Q (D49)

3.75.

In dit stuk van 8 oktober 1997 zijn de namen en persoonsgegevens van derden geschoond met reden B. Gelet op de verregaande bescherming van gegevens van derden, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van deze gegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. De namen en andere gegevens van de derden mogen geheim blijven.

3.76.

Verder zijn in dit stuk de gegevens die kunnen leiden naar de identiteit van de tipgever geschoond. Ten aanzien van de daarvoor aangevoerde redenen voor geheimhouding (A), verwijst de geheimhoudingskamer naar hetgeen daarover hiervóór is overwogen, waaruit volgt dat deze passages ongeschoond dienen te blijven zodat deze gegevens voor de hoofdkamer en belanghebbende kenbaar zijn.

Bijlage 4R

3.77.

In de stukken D29, D31 t/m D37, D39, D41 t/m D48 en D50 t/m D59 zijn de namen en persoonsgegevens van derden geschoond met reden B. Gelet op de verregaande bescherming van gegevens van derden, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van deze gegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. De namen en andere gegevens van de derden mogen geheim blijven.

3.78.

Verder zijn in deze stukken de gegevens die kunnen leiden naar de identiteit van de tipgever geschoond. Ten aanzien van de daarvoor aangevoerde redenen voor geheimhouding (A), verwijst de geheimhoudingskamer naar hetgeen daarover hiervóór is overwogen, waaruit volgt dat deze passages ongeschoond dienen te blijven zodat deze gegevens voor de hoofdkamer en belanghebbende kenbaar zijn.

3.79.

Ten aanzien van de gegevens in de balk bovenaan de tabel van stuk D39, merkt de geheimhoudingskamer op dat het niet de intentie van de Inspecteur was om de gegevens in deze balk zwart te maken, maar dat dit door het meermaals kopiëren wel is gebeurd. Om belanghebbende in de gelegenheid te stellen van de gegevens in de balk kennis te nemen, dient de Inspecteur een leesbare kopie in te dienen.

3.80.

In stuk D57 is op het midden van de pagina de naam en vestigingsplaats van de inmiddels reeds bekende bank Van Lanschot geschoond. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is hier geen reden meer voor, aangezien deze gegevens reeds openbaar zijn geworden.

3.81.

Tussen stuk D56 en stuk D57 zit in de aan de geheimhoudingskamer overgelegde gesloten envelop een vel met de tekst:

‘Opm:

24 originele visitekaartjes in kluisdossier!’

Zoals vermeld onder 1.25 zijn kopieën van deze visitekaartjes aan de geheimhoudingskamer gezonden in een gesloten envelop. De Inspecteur beroept zich op geheimhouding met reden B. Gelet op de verregaande bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van deze persoonsgegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. De visitekaartjes, met uitzondering van die van belanghebbende, mogen geheim blijven. Het visitekaartje van belanghebbende is reeds overgelegd als bijlage bij bijlage 4L zodat de Inspecteur deze niet nogmaals behoeft over te leggen.

Bijlage 4S: Overzicht bijlagen bij Van Lanschot Luxembourg – nageleverde informatie

3.82.

Hiervoor is onder 3.13 overwogen dat bijlage 4S geen op de zaak betrekking hebbende stukken bevat.

Bijlage 4T

3.83.

Ten aanzien van bijlage 4T heeft de Inspecteur zich op de volgende gewichtige redenen beroepen:

1

Pag. 4, tweede paragraaf

Een passage is geschoond

Aangevoerde reden: D

2

Pag. 4, derde paragraaf

De naam van de projectleider is geschoond.

Aangevoerde reden: C

3

Pag. 6, schema

De ‘geplande uren’ in de laatste kolom zijn geschoond

Aangevoerde reden: D

4

Pag. 7, midden

De namen van de uitvoerenden/betrokkenen zijn geschoond

Aangevoerde reden: C

5

Pag. 8, bovenaan, midden en onderaan

De namen van de uitvoerenden/betrokkenen zijn geschoond

Aangevoerde reden: C

6

Pag. 9, midden

In de rij ‘Resultaat’ is een passage geschoond

Aangevoerde reden: C, D

7

Pag. 9, midden

In de rij ‘uitvoerenden/betrokkenen’ zijn hun namen geschoond

Aangevoerde reden: C

8

Pag. 9, onderaan

Idem

Aangevoerde reden: idem

9

Pag. 9, onderaan

De naam van de opdrachtgever en degene waarmee hij samenwerkt is geschoond

Aangevoerde reden: C

10

Pag. 10

Verspreid over de pagina zijn enkele namen geschoond

Aangevoerde reden: C

11

Pag. 11, schema

Een naam is geschoond

Aangevoerde reden: C

12

Pag. 11, overigens

Enkele passages zijn geschoond

Aangevoerde reden: D

13

Pag. 12, onder ‘Communicatie’, par. 1, 2 en 5

Enkele namen geschoond

Aangevoerde reden: C

14

Pag. 12, onder ‘Communicatie’, par. 4

Een passage is geschoond

Aangevoerde reden: D

3.84.

Ten aanzien van bijlage 4T, tabelonderdelen 1, 3, 6, 12 en 14 is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het niet willen prijsgeven van de controlestrategie (reden D) aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende om over de ongeschoonde gegevens te kunnen beschikken. Deze onderdelen mogen dan ook op grond van gewichtige redenen geschoond blijven.

3.85.

De naam die in bijlage 4T, tabelonderdeel 2, is geschoond, is in andere van de Inspecteur afkomstige stukken reeds prijsgegeven. De geheimhoudingskamer ziet dan ook geen reden deze naam in tabelonderdeel 2 te schonen.

3.86.

Ten aanzien van bijlage 4T, onderdelen 4 tot en met 11 en 13 is de geheimhoudingskamer van oordeel deze namen geheimgehouden mogen worden, mits de ambtenaren worden aangeduid met een code met ‘NN’ en een getal, zodat deze ambtenaren traceerbaar zijn en belanghebbende door het anonimiseren van de namen niet wordt gehinderd bij de behandeling van de hoofdzaak. Voor het geval de Inspecteur weet dat de naam van de betreffende ambtenaar inmiddels bij belanghebbende bekend is, ziet de geheimhoudingskamer geen reden voor geheimhouding van deze naam in dit proces-verbaal meer. Dit geldt in elk geval voor de namen van [H] en [J] .

Bijlage 4U: Notariële akte met verklaring van de tipgever van 15 juni 2017

3.87.

Deze bijlage is in ‘ongeschoonde’ vorm aan belanghebbende verstrekt (zij het dat het een afschrift van een notariële akte betreft waarin de gegevens omtrent de identiteit van tipgever door de notaris zijn geschoond). De Inspecteur heeft de hem ter beschikking staande versie verstrekt, zodat hij voldaan heeft aan zijn plicht om dit op de zaak betrekking hebbende stuk te overleggen.

Bijlage 4V: Gegevens project Bank zonder Naam

3.88.

In dit stuk zijn gegevens opgenomen van de tipgever. Hierin zijn (uitsluitend) de naam van de tipgever en overige persoonlijke gegevens die kunnen leiden naar de identiteit van de tipgever geschoond. Ten aanzien van de daarvoor aangevoerde redenen voor geheimhouding (A), verwijst de geheimhoudingskamer naar hetgeen daarover hiervóór is overwogen, waaruit volgt dat deze gegevens geopenbaard dienen te worden. Dit geldt niet ten aanzien van het fiscaalnummer, het ‘Dosnr’, de rekeningnummers en de bedragen die op deze rekeningen staan die in verband met de privacy van de tipgever geheim mogen worden gehouden en voor de identificatie van de tipgever niet van (doorslaggevend) belang zijn.

Bijlage 4W: Memo Voorbereiding Project Derde Categorie d.d. 11-04-2011

3.89.

In dit memo zijn uitsluitend de namen van ambtenaren geschoond met reden C. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer mogen deze namen geheimgehouden worden, mits de betreffende ambtenaren worden aangeduid met een code met ‘NN’ en een getal, zodat de ambtenaren traceerbaar zijn en belanghebbende door het anonimiseren van de naam van deze ambtenaren niet wordt gehinderd bij de behandeling van de hoofdzaak.

3.90.

De naam die onder ‘van’ in de kop is geschoond, is evenwel in andere van de Inspecteur afkomstige stukken reeds prijsgegeven. De geheimhoudingskamer ziet dan ook geen reden deze naam te schonen.

Slotsom

3.91.

Uit al vorenoverwogene volgt, dat het verzoek van de Inspecteur om geheimhouding van (delen van) stukken deels gerechtvaardigd is. Aangezien de onderhavige beslissing voor de Inspecteur de verplichting meebrengt, de genoemde stukken alsnog in te zenden op de manier als door de geheimhoudingskamer beschreven, wordt de Inspecteur in de gelegenheid gesteld schriftelijk mede te delen welke consequenties hij aan de beslissing van de geheimhoudingskamer verbindt.

3.92.

Dit houdt in, dat de Inspecteur de keuze moet maken de tussenuitspraak van de geheimhoudingskamer (geheel) na te leven of dat niet (geheel) te doen, in welk laatste geval hij de uit toepassing van artikel 8:31 Awb mogelijkerwijs voortvloeiende consequenties daarvan dient te aanvaarden (zie Hoge Raad 18 december 2015, 15/01348, ECLI:NL:HR:2015:3600)

3.93.

De geheimhoudingskamer wijst hierbij op het bepaalde in artikel 8:31 van de Awb, dat, voor zover te dezen van belang, als volgt luidt:

‘Indien een partij niet voldoet aan de verplichting (…) stukken over te leggen (…) kan de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.’.

3.94.

Nadat de Inspecteur op dit verzoek zal hebben gereageerd, zal de geheimhoudingskamer verifiëren of de Inspecteur (geheel) heeft voldaan aan de beslissing van de geheimhoudingskamer en daarover de meervoudige Kamer, die de hoofdzaak zal beslissen, op de hoogte brengen.

Het voorgaande leidt tot de hierna volgende beslissing.

4 Beslissing

De geheimhoudingskamer:

- bepaalt dat de documenten behorend bij bijlage 4S geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn;

- verstaat dat de door de Inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding van (delen van) de overige aan de geheimhoudingskamer overgelegde stukken deels gerechtvaardigd zijn;

- bepaalt dat het schonen van de bijlagen 4F, G, H, K (de aantekeningen), L en M, op de manier zoals gedaan door de Inspecteur, gerechtvaardigd is;

- bepaalt dat met het overleggen van bijlage 4U de Inspecteur voldaan heeft aan de plicht om dit op de zaak betrekking hebbende stuk te overleggen in de vorm waarin het hem ter beschikking staat;

- bepaalt dat de bijlagen 4A tot en met E, I, N, O tot en met R, T, V en W minder geschoond in het geding dienen te worden gebracht dan thans het geval is, verwijst voor de manier waarop deze bijlagen geschoond dienen te worden naar hetgeen daarover hiervóór is overwogen en wijst erop dat in het bijzonder de gegevens omtrent de identiteit van de tipgever ongeschoond dienen te blijven;

- verzoekt de Inspecteur binnen twee weken na verzending van deze uitspraak aan de geheimhoudingskamer te berichten of hij bereid is de vermelde stukken op de omschreven wijze te schonen en deze aldus geschoonde stukken alsnog in het geding te brengen en zo ja, dit te doen binnen de genoemde termijn van twee weken; en

- verwijst de zaak naar de meervoudige Kamer die de hoofdzaak behandelt nadat de Inspecteur de geheimhoudingskamer in vorenbedoelde zin heeft geïnformeerd en stelt het procesdossier, met uitzondering van de aan de geheimhoudingskamer in gesloten enveloppen overgelegde ‘ongeschoonde’ stukken, daarna ter beschikking van die Kamer.

Aldus gedaan op 23 november 2018 door P. Fortuin, voorzitter, M.J.C. Pieterse en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Rechtsmiddel

Tegen tussenbeslissingen stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie dan wel een ander rechtsmiddel open. Tegen dergelijke beslissingen van de rechtbank of het gerechtshof kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het hoger beroep respectievelijk het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 14 september 2007, nr. 43 294, ECLI:NL:HR:2007:BB3489).