Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:479

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
200.194.097_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:3194
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onrechtmatige betrokkenheid bij delicten, art. 6:166 BW en 6:162 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 166
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.194.097/01

arrest van 6 februari 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. L.A.M. van den Eeden te Eindhoven,

tegen

1. de besloten vennootschap [Cargo] CARGO B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
niet verschenen,

2. de besloten vennootschap [districenters] DISTRICTCENTERS B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. de besloten vennootschap FLEXTRONICS LOGISTICS B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. de besloten vennootschap [internationaal transport] INTERNATIONAAL TRANSPORT B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
niet verschenen,

5. de besloten vennootschap ACI ADAM B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
niet verschenen,

6. de besloten vennootschap VMT LOGISTICS B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

7. de besloten vennootschap [transport & logistics] TRANSPORT & LOGISTICS B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

8. de besloten vennootschap [logistics] LOGISTICS B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

9. de besloten vennootschap [Europe holdings] EUROPE HOLDINGS B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

10. de besloten vennootschap [distri logistics] DISTRI LOGISTICS [vestigingsnaam] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

11. de besloten vennootschap GEODIS BM NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

12. de besloten vennootschap DSV SOLUTIONS NEDERLAND B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

13. de naamloze vennootschap FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
niet verschenen,

14. de naamloze vennootschap NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPIJ N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

15. de onderlinge waarborgmaatschappij TVM U.A.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
niet verschenen,

16. de vennootschap naar buitenlands recht CHARTIS EUROPE S.A.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , Frankrijk,
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

17. de vennootschap naar buitenlands recht AMERICAN HOME ASSURANCE COMPANY,
gevestigd te [vestigingsplaats] , USA,

geïntimeerden,

geïntimeerden 2, 3, 6 t/m 12, 14, 16, 17 hierna samen aan te duiden als NN c.s.,

advocaat: mr J.M. Wolfs, kantoorhoudende te Maastricht;

op het bij exploot van dagvaarding van 21 april 2016 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 24 april 2013 en 10 februari 2016, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en NN c.s. als eiseressen.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 143914/HAZA 09-1129)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het daaraan voorafgegane vonnis van 8 september 2010 in het incident tot tussenkomst.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het tegen geïntimeerden 1, 4, 5, 13 en 14 verleende verstek;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte uitlating/overlegging productie van [appellant] ;

  • -

    de antwoordakte van NN c.s.;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van het volgende.

a. a) [appellant] is, met een aantal andere verdachten, strafrechtelijk vervolgd voor (deelname aan) criminele activiteiten, onder meer bestaande uit een 18-tal delicten oplichting, ladingdiefstallen, heling, en verboden wapenbezit, gepleegd in de jaren 2006 – 2008.

b) Delict [delict 4] betreft de ontvreemding op 22 februari 2008 te [plaats] van een lading computeronderdelen van het merk Cisco ter waarde van US $ 999.916,66. Door deze diefstal heeft [districenters] Districenter B.V. schade geleden, welke schade is vergoed door haar verzekeraar Fortis Corporate Insurance N.V.

c) Delict [delict 1] betreft de ontvreemding op 27 februari 2008 te Venray van een lading Kodak fotoapparatuur ter waarde van € 250.747,=. Door deze diefstal heeft Flextronics B.V. schade geleden, welke schade is vergoed door haar verzekeraar Fortis Corporate Insurance N.V.

d) Delicten [delict 2] en [delict 3] betreffen de ontvreemding op 16 maart 2008 te [plaats] van een trekker en een oplegger en diverse colli met computerapparatuur van het merk Lenco. Door deze diefstal heeft [distri logistics] Distri Logistics [vestigingsnaam] B.V. schade geleden, welke schade is vergoed door haar verzekeraar Fortis Corporate Insurance N.V.

e) In de strafzaak is [appellant] vervolgd voor deelname aan een criminele organisatie en voor betrokkenheid bij een aantal concrete delicten, waaronder de onder d) hiervoor genoemde. Voor de onder b) en c) genoemde delicten is [appellant] niet afzonderlijk vervolgd. f) Bij vonnis van de rechtbank Den Bosch, sector strafrecht, d.d. 17 februari 2009 is [appellant] veroordeeld wegens deelname aan een criminele organisatie. In hoger beroep heeft dit oordeel bij de strafkamer van dit hof geen stand gehouden en is [appellant] bij arrest van 3 december 2009 alsnog vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie.

g) Bij hetzelfde strafvonnis is [appellant] ook veroordeeld voor betrokkenheid bij de delicten [delict 2] en [delict 3] . In het hoger beroep bij dit hof is [appellant] bij genoemd arrest veroordeeld voor het medeplegen van opzetheling van een trekker en een oplegger.

3.2.

N.N. c.s. hebben de in eerste aanleg voor voornoemde criminele activiteiten veroordeelden, waaronder [appellant] , in rechte betrokken en op de grondslag onrechtmatige daad (art. 6:166 en 6:162 BW) gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad:

- gedaagden te veroordelen tot vergoeding van de schade geleden als gevolg van de 18 delicten, althans tot in goede justitie te bepalen bedragen, te vermeerderen met wettelijke rente, hoofdelijk, aldus dat zover één betaalt, alle anderen zullen zijn bevrijd, in het geval meerdere gedaagden aansprakelijk zijn voor dezelfde schade;

- gedaagden, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om binnen twee dagen aan eiseressen mee te delen voor elk van de in het tussenvonnis genoemde delicten van wie de gestolen zaken in ontvangst zijn genomen en aan wie deze zaken zijn afgegeven, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag of gedeelte daarvan wanneer gedaagden in gebreke blijven aan die veroordeling te voldoen, met een maximum van € 2.000.000,-; waarbij de veroordeling de gedaagden zal verplichten van de bekend te maken personen de voornaam, de achternaam en het adres op te geven, alsmede – in het geval van een onderneming – het BTW-nummer;

- gedaagden, althans gedaagden [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] , te veroordelen om binnen twee dagen aan eiseressen mee te delen wie aan de gedaagden de door de gedaagden gebruikte codes, althans één van beide codes van [transport & logistics] B.V. voor het inloggen op Teleroute heeft verstrekt, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag of gedeelte daarvan wanneer gedaagden in gebreke blijven aan die veroordeling te voldoen, met een maximum van € 2.000.000,-;

- veroordeling van gedaagden tot betaling van € 3.780,- wegens buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de gehele voldoening, evenals in de proceskosten, daaronder kosten van beslag en nakosten ad € 131,- van elke gedaagde respectievelijk € 199,- indien betekening van het vonnis plaats zal vinden, als ook tot betaling van de proceskosten binnen veertien dagen althans tot betaling daarvan vermeerderd met de wettelijke rente indien aan de veroordeling niet binnen deze termijn wordt voldaan, waarbij de kosten advocaat te begroten zijn op basis van werkelijke kosten.

3.3.

In het bestreden tussenvonnis heeft de rechtbank het beroep op art. 6:166 BW verworpen als onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de verweten betrokkenheid ex art. 6:162 BW bij de verschillende afzonderlijke delicten is de rechtbank gekomen tot het oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat [appellant] onrechtmatig betrokken is geweest bij de delicten [delict 4] en [delict 1] . Ten aanzien van de delicten [delict 2] en [delict 3] kwam de rechtbank tot het voorshands oordeel dat [appellant] onrechtmatig betrokken is geweest bij de ontvreemding/heling van een trekker kenteken [kenteken 1] en een oplegger kenteken [kenteken 2] in de periode 16-17 maart 2008. Aan [appellant] is de gelegenheid geboden tegenbewijs te leveren.

3.4.

In het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank geconstateerd dat [appellant] heeft afgezien van het leveren van tegenbewijs en dat daarmee ook de onrechtmatige betrokkenheid bij laatstgenoemde delicten vast staat. [appellant] is samen met [hoofdelijk veroordeelde] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van resp. € 330.000 en € 2.065,88 aan Nationale Nederlanden, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf resp. 22 en 27 februari 2008. Ook is [appellant] met [hoofdelijk veroordeelde] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 1.529,03 aan Fortis Corporate Insurance N.V. te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 16 maart 2008.

De rechtbank heeft verder overwogen dat de dwangsomvorderingen niet zijn weersproken. [appellant] is, samen met andere gedaagden, veroordeeld om binnen twee dagen na datum vonnis aan NN c.s. per delict mee te delen van wie de gestolen zaken in ontvangst zijn genomen en aan wie de gestolen zaken zijn afgegeven, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,= per dag of gedeelte daarvan wanneer zij in gebreke blijven aan die veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 2.000.000,=, als ook om binnen twee dagen na datum vonnis aan NN c.s. mee te delen wie aan hen de door hen gebruikte codes, althans één van beide codes van [transport & logistics] B.V. voor het inloggen op Teleroute heeft verstrekt, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,= per dag of gedeelte daarvan wanneer zij in gebreke blijven aan die veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 2.000.000,=.

[appellant] is in conventie naast andere gedaagden hoofdelijk in de proceskosten en de nakosten veroordeeld.

3.5.

[appellant] heeft vijf grieven aangevoerd tegen de bestreden vonnissen en geconcludeerd tot vernietiging en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van NN c.s.

NN c.s. hebben verweer gevoerd.

Preliminair verweer

3.6.

Bij wijze van preliminair verweer hebben NN c.s. aangevoerd dat [appellant] in het hoger beroep tegen de niet verschenen geïntimeerden 1, 4, 5, 13 en 15 niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat deze partijen ten tijde van het aanwenden van het hoger beroep niet meer bestonden. Geïntimeerden 1, 4 en 5 zijn failliet, geïntimeerde 13 bestaat niet meer als gevolg van een fusie en bij geïntimeerde 15 is de onderlinge waarborgmaatschappij gewijzigd in een coöperatie.

Dit verweer passeert het hof. Nog afgezien van de vraag of de stelling dat deze partijen niet meer bestonden juist is, zijn de betreffende geïntimeerden cq rechtsopvolgers daarvan in dit hoger beroep niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend en zonder dat te zuiveren kunnen zij geen verweer voeren, noch kunnen NN c.s. dit verweer namens hen voeren.

Betrokkenheid delicten [delict 4] en [delict 1]

3.7.

Met de grieven 1 en 2 klaagt [appellant] dat de rechtbank in het tussenvonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat het ervoor moet worden gehouden dat [appellant] onrechtmatig betrokken is geweest bij de delicten [delict 4] en [delict 1] .

3.8.

Bij de beoordeling van deze grief stelt het hof het volgende voorop.

N.N. c.s. hebben hun vorderingen in eerste aanleg gebaseerd op art. 6:166 BW, althans op art. 6:162 BW. In rechtsoverweging 3.2.2. van het bestreden tussenvonnis heeft de rechtbank het beroep op art. 6:166 BW voor alle gedaagden in deze zaak verworpen, onder meer overwegende dat de enkele stelling dat een gedaagde lid was van een criminele organisatie niet voldoende is voor civielrechtelijke aansprakelijkheid in de zin van genoemd artikel. In dit hoger beroep zijn NN c.s. niet meer op die grondslag teruggekomen. Het hof merkt hier vast devolutief op dat het hof dit oordeel van de rechtbank deelt en het tot het zijne maakt.

3.9.

Voor wat betreft de grondslag onrechtmatige daad ex art. 6:162 BW geldt dat – zoals [appellant] terecht heeft aangevoerd - op NN c.s. de last rust voldoende concrete feiten aan te voeren op grond waarvan tot de conclusie kan worden gekomen dat er sprake is geweest van onrechtmatig handelen, waarvan [appellant] een verwijt gemaakt kan worden en waardoor de schade die wordt gevorderd is veroorzaakt.

Het hof deelt het standpunt van [appellant] dat NN c.s. – mede in het licht van het door [appellant] gevoerde verweer – onvoldoende concreet onderbouwde feiten hebben aangevoerd, waaruit de conclusie onrechtmatige handelen kan volgen. Tot dat oordeel komt het hof op grond van het volgende.

3.10.

Beide delicten zijn in de strafzaak niet als afzonderlijk delict aan [appellant] tenlastegelegd en – anders dan NN c.s. aanvoeren – is [appellant] ook in hoger beroep niet voor betrokkenheid bij een van deze delicten veroordeeld.

Ten aanzien van delict [delict 4] verwijten NN c.s. [appellant] de onrechtmatige betrokkenheid op basis van het enkele feit dat er in een telefoongesprek tussen [appellant] en [hoofdelijk veroordeelde] op 12 maart 2008 de naam Cisco gevallen is en is gesproken over een lijst en iemand die het misschien gaat kopen. Wat er ook zij van de (door [appellant] opgeworpen en door NN c.s. te bewijzen aangeboden) vraag of de gespreksweergave zoals die zich tussen de stukken bevindt een juiste weergave is, naar het oordeel van het hof rechtvaardigt wat uit die weergave blijkt niet de conclusie dat [appellant] onrechtmatig betrokken is geweest bij de ontvreemding op 22 februari 2008 te [plaats] van een lading computeronderdelen van het merk Cisco ter waarde van US $ 999.916,66.

Ten aanzien van delict [delict 1] verwijten NN c.s. [appellant] de onrechtmatige betrokkenheid op basis van het enkele feit dat [appellant] en [hoofdelijk veroordeelde] op 14 maart 2008 een telefoongesprek hebben gevoerd waarin [appellant] spreekt over het ophalen van “die batterijopladers” en het vaststaande feit dat bij [hoofdelijk veroordeelde] Kodak fotoapparatuur afkomstig uit de betreffende diefstal zijn aangetroffen. Naar het oordeel van het hof volgt uit deze feiten ook niet zondermeer de conclusie dat [appellant] bij deze diefstal betrokken is geweest.

Nu geen andere feiten zijn aangevoerd, waaruit – indien bewezen – onrechtmatige betrokkenheid bij deze twee delicten zou kunnen blijken, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

De beide grieven slagen.

Schade delicten [delict 2] en [delict 3]

3.11.

Grief 3 betreft de hoogte van de, als gevolg van onrechtmatige betrokkenheid van [appellant] bij het onder 3.1.g) hiervoor beschreven delict, toegewezen schade. [appellant] betwist niet het oordeel dat hij onrechtmatig betrokken is geweest bij genoemd delict. [appellant] bestrijdt met deze grief dat er grond is voor toewijzing van de (als onweersproken en voldoende onderbouwde) toegewezen posten omdat deze zien op gemaakte expertise- en bergingskosten nu er volgens hem geen schade is geleden omdat de lading in zijn geheel terug is gevonden.

Deze grief faalt. Genoemde kosten zijn redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte en komen als zodanig voor vergoeding door de aansprakelijke partij in aanmerking.

Wegwijsplichten

3.14.

Grief 4 richt zich tegen de (mede) aan [appellant] opgelegde plicht om per delict mee te delen van wie de gestolen zaken in ontvangst zijn genomen en aan wie de gestolen zaken zijn afgegeven en de veroordeling om mee te delen wie de bij de (zogenaamde) Teleroute delicten gebruikte code(s) voor het inloggen op Teleroute heeft verstrekt (zogenaamde wegwijsplichten), beide op straffe van verbeurte van een dwangsom. In eerste aanleg zijn die vorderingen als niet weersproken toegewezen. [appellant] voert aan dat hij wel degelijk verweer heeft gevoerd tegen deze vorderingen.

Hij voert aan dat hij geen kennis heeft en ook niet geacht kan worden te hebben van de bij de Teleroute delicten gebruikte codes, nu hij niet bij dergelijke zaken betrokken is geweest en ook gesteld noch gebleken is dat hij enige kennis op dat punt heeft. Voor hem zou in beginsel slechts een wegwijsplicht kunnen gelden voor de gestolen zaken en dan slechts in die zaken waarin zijn betrokkenheid kan worden aangenomen. [appellant] maakt verder bezwaar tegen de hoogte van de dwangsom als excessief en bepleit matiging.

3.15.

Dat betoog volgt het hof. Strafrechtelijk en civielrechtelijk (zo volgt uit het voorgaande) is [appellant] uitsluitend veroordeeld voor betrokkenheid bij opzetheling bij de delicten [delict 2] en [delict 3] . In die zaken kan van hem dan ook verlangd worden dat hij op straffe van verbeurte van een dwangsom meedeelt van wie de gestolen zaken in ontvangst zijn genomen en aan wie de gestolen zaken zijn afgegeven. NN c.s. hebben (met uitzondering van de hiervoor behandelde telefoongesprekken) geen concrete feiten aangevoerd op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat [appellant] daarnaast betrokken is geweest bij de feitelijke ontvreemding en verdere verwerking en/of vervreemding van de andere gestolen waar, laat staan dat [appellant] is aan te merken als verkrijger als bedoeld in artikel 3:87 BW, waarnaar NN c.s. verwijzen. Dat [appellant] geacht kan worden gevorderde kennis te hebben, zodat op straffe van een dwangsom van hem kan worden verlangd die aan NN c.s. mee te delen, is dan ook niet vast komen te staan.

Dat zelfde geldt voor de gevorderde kennis omtrent de gebruikte Teleroute codes. De enkele stelling van NN c.s. dat er veelvuldig contact was tussen [gedaagde 2] en [hoofdelijk veroordeelde] en tussen [hoofdelijk veroordeelde] en [appellant] is daarvoor in elk geval onvoldoende.

Slotsom

3.16.

De slotsom van al het voorgaande is dat de grieven 1, 2, 4 deels en ook 5 (waarmee de proceskostenveroordeling wordt bestreden) deels slagen. De bestreden vonnissen dienen te worden vernietigd:

- voor zover daarin is geoordeeld dat [appellant] onrechtmatig betrokken is geweest bij de delicten [delict 4] en [delict 1] ,

- voor zover [appellant] in het eindvonnis onder 3.1. en 3.3. van het dictum (hoofdelijk) is veroordeeld tot betaling van de aldaar genoemde bedragen aan NN,

- en voor zover hij in het eindvonnis onder 3.14. en 3.15 van het dictum is veroordeeld tot het verstrekken van inlichtingen op straffe van een dwangsom,

- alsook voor zover hij in het eindvonnis onder 3.16 tot en met 3.20 en 3.26 (hoofdelijk) is veroordeeld in de proceskosten.

Opnieuw rechtdoende wordt de vordering tot het verstrekken van informatie over van wie de gestolen zaken in ontvangst zijn genomen en aan wie de gestolen zaken zijn afgegeven in de delicten [delict 2] en [delict 3] toegewezen. Daaraan zal het hof voor [appellant] een dwangsom van € 500,= per dag met een maximum van € 15.000,= verbinden. De overige bij dit arrest ongegrond verklaarde vorderingen van NN c.s. jegens [appellant] worden geacht onder 3.29 van het dictum van het bestreden eindvonnis alsnog te zijn afgewezen. In het feit dat (slechts) een enkele vordering op [appellant] is toegewezen ziet het hof aanleiding [appellant] wel te veroordelen in de proceskosten van NN c.s. in zowel eerste aanleg hoofdelijk als in dit hoger beroep, maar tot maximaal het liquidatietarief dat geldt voor het toegewezen bedrag.

Op verzoek van NN c.s. zal [appellant] ook worden veroordeeld in de nakosten en de rente over de kosten, en zal dit arrest uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Voor het overige zullen de bestreden vonnissen voor zover deze aan het oordeel van het hof zijn onderworpen worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het tussenvonnis van 24 april 2013 voor zover daarin is geoordeeld dat voorshands bewezen moet worden geacht dat [appellant] onrechtmatig betrokken is geweest bij de delicten [delict 4] en [delict 1] ;

vernietigt het eindvonnis van 10 februari 2016 voor zover daarin de vordering van N.N. c.s. jegens [appellant] onder de nummers 3.1, 3.3, 3.14 tot en met 3.20 en 3.26 van het dictum zijn toegewezen,

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om binnen twee dagen na heden aan NN c.s. mee te delen van wie de gestolen zaken in ontvangst zijn genomen en aan wie de gestolen zaken van de delicten [delict 2] en [delict 3] zijn afgegeven, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,= per dag of gedeelte daarvan wanneer hij in gebreke blijft aan die veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 15.000,=;

veroordeelt [appellant] (hoofdelijk) in de proceskosten van NN c.s. van de eerste aanleg tot een bedrag van € 1.836,= aan griffierecht en € 768,= aan salaris advocaat;

bekrachtigt de bestreden vonnissen voor zover deze aan het hof zijn onderworpen voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van NN c.s. van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van NN c.s. op € 716,= aan griffierecht en op € 632,= aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, J.C.J. van Craaikamp en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 februari 2018.

griffier rolraadsheer