Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4768

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
200.167.194_02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:8136
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:5593
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:1143
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:425, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenwerking voor financiering van aankopen in winkel. Uitleg overeenkomst. Bindend advies over financiële afwikkeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.167.194/02

arrest van 20 november 2018

in de zaak van

mr. Martinus Johannes Marie Franken,

mr. Bart Floris Louwerier,

beiden kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van Impact Retail B.V.,

appellanten in principaal appel, geïntimeerden in incidenteel appel,

advocaat: mr. N.W.M. van den Heuvel te Breda,

tegen

Qander Consumer Finance B.V., voorheen genaamd LaSer Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. F.E.C. Koopman te ’s-Hertogenbosch,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 20 december 2016 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch onder zaaknummer C/01/256617/HA ZA 12-1069 gewezen vonnissen van 21 mei 2014 en 17 december 2014.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 20 december 2016 in het incident;

  • -

    de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel;

  • -

    de akte van curatoren van 25 april 2017;

  • -

    de antwoordakte van LaSer van 23 mei 2017.

Het hof heeft vervolgens een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Het hof gaat uit van de vaststaande feiten, die kort samengevat neerkomen op het volgende.

  1. Impact Retail B.V. (hierna: Impact) hield zich bezig met de detailhandel in consumentenelektronica.

  2. LaSer verzorgt aankoopfinancieringen en creditcardovereenkomsten ten behoeve van consumenten.

  3. Impact en LaSer hebben in 2005 een samenwerkingsovereenkomst gesloten met ingang van 1 januari 2006 voor zeven jaar. Deze overeenkomst kwam er in de kern op neer dat LaSer onder voorwaarden aankopen van klanten bij Impact financierde:
    - de klant koopt een zaak bij Impact,
    - LaSer betaalt de prijs aan Impact,
    - de klant betaalt de lening in de loop van de tijd terug aan LaSer.
    LaSer betaalt in dat kader onder voorwaarden provisie aan Impact.

  4. Aan Impact is op 25 januari 2011 surséance van betaling verleend met benoeming van de curatoren als bewindvoerder. Impact is bij vonnis van 31 januari 2011 in staat van faillissement verklaard met benoeming van curatoren als zodanig.

  5. LaSer heeft bij brief van 1 februari 2011 de overeenkomst met Impact met onmiddellijke ingang opgezegd (art. 15.2 van die overeenkomst).

6.2.

Curatoren hebben in eerste aanleg kort samengevat gevorderd LaSer te veroordelen € 261.715,81 en € 7.983,-- aan hen te betalen, te vermeerderen met rente, met veroordeling van LaSer in de kosten van het geding.

Curatoren hebben aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat LaSer de hoofdsom heeft erkend, dat deze (voor zover niet erkend) verschuldigd is op grond van de samenwerkingsovereenkomst en dat LaSer een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten moet betalen.

LaSer heeft verweer gevoerd.

6.3.

De rechtbank heeft in het bestreden eindvonnis de vorderingen van curatoren afgewezen en curatoren in de proceskosten veroordeeld.

6.4.

Curatoren hebben in principaal appel zeven grieven aangevoerd en na eiswijziging geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen en LaSer te veroordelen:

- primair € 248.962,92, subsidiair € 102.867,81, aan hen te betalen, te vermeerderen met rente;

- subsidiair ook overlegging van een betaaloverzicht, op straffe van een dwangsom;

- primair en subsidiair € 7.983,- althans € 4.000,- aan hen te betalen, te vermeerderen met rente, alsmede eventueel uit hoofde van de bestreden vonnissen betaalde bedragen terug te betalen, te vermeerderen met rente;

met veroordeling van LaSer in de kosten van het geding.

De grondslag van het door curatoren gevorderde is in hoger beroep, naar het hof begrijpt, ongewijzigd.

LaSer heeft in principaal appel verweer gevoerd.

LaSer heeft in incidenteel appel twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen onder verbetering van gronden.

Curatoren hebben in incidenteel appel verweer gevoerd.

6.5.

Het hof zal eerst grief 1 in incidenteel appel behandelen. Deze grief moet gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep aan de orde komen indien een grief in principaal appel slaagt.

6.6.

Grief 1 in incidenteel appel is gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat de bepaling in de overeenkomst over bindend advies (art. 16.8), bezien in het licht van de

forumkeuze (art. 16.11), niet in de weg staat aan de behandeling van het door de curatoren gevorderde.

6.7.

De tekst van art. 16.8 en art. 16.11 van de overeenkomst is niet in geschil. In art. 16.8 is bepaald: “Indien na beëindiging van deze overeenkomst geen onderlinge regeling met betrekking tot de financiële afwikkeling is bereikt, zullen Partijen een onafhankelijke derde aanwijzen, die vervolgens voor beide Partijen een bindend advies zal uitbrengen.” In art. 16.11 is bepaald: “Alle geschillen die naar aanleiding van deze Overeenkomst of de daaruit voortvloeiende overeenkomsten mochten ontstaan, zullen worden voorgelegd aan de bevoegde rechter te ’s-Hertogenbosch.”

6.8.

Partijen zijn het erover eens dat zij bij de totstandkoming van de overeenkomst niet hebben gesproken over deze bepalingen.

6.9.

LaSer heeft naar het oordeel van het hof bij het aangaan van de overeenkomst uit art. 16.8 en art. 16.11 redelijkerwijs mogen begrijpen dat Impact alle kwesties die betrekking hebben op de financiële afwikkeling aan een bindend adviseur voorlegt. Art. 16.8 en art. 16.11 zijn, anders dan de rechtbank heeft beslist, niet nevengeschikt. Deze artikelen zijn ook niet onduidelijk. De kwestie van de financiële afwikkeling moet worden voorgelegd aan de bindend adviseur. Andere kwesties zullen aan de rechter worden voorgelegd. De stelling van curatoren, dat het bij art. 16.8 alleen gaat om een geschil over bijvoorbeeld de omvang van de jaarlijkse provisie en de verklaring van de accountant van LaSer in dat kader (pln. 13 maart 2014, 3), vindt geen steun in de tekst van art. 16.8 en is ook overigens onvoldoende toegelicht. De stelling van curatoren dat het in dit geding gaat om juridische vraagstukken die aan de rechter kunnen worden voorgelegd, klopt niet (pln. 13 maart 2014, 9). Het is juist dat juridische aspecten (zoals de verrekening van de gestelde tegenvordering van LaSer) een rol kunnen spelen, maar dat neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat het in dit geding gaat om de financiële afwikkeling, in de zin waarin LaSer deze term redelijkerwijs heeft mogen opvatten bij het aangaan van de overeenkomst (6.1-6.4 hiervoor). Het hof overweegt dat er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die maken dat de keuze van partijen voor bindend advies op dit terrein, in de zakelijke context die zich voordoet, niet zou moeten worden gerespecteerd. Partijen kunnen als bindend adviseur bijvoorbeeld een accountant of andere deskundige benoemen, die de boeken en administratie zo nodig grondig onderzoekt, alle documentatie en posten bekijkt en op grond daarvan vaststelt welke verplichtingen partijen over en weer hebben. Partijen hebben daarvoor gekozen.

6.10.

Curatoren hebben gesteld dat LaSer afstand heeft gedaan van bindend advies. Curatoren wijzen op twee e-mails: van 24 mei 2012 (van de advocaat van LaSer) en van 1 juni 2012 (van curatoren).

In de e-mail van 24 mei 2012 staat: “(…) Anders gezegd: mocht ter zake de tegenvordering geen overeenstemming worden bereikt, dan heeft het geen zin over een deel-onderwerp overeenstemming trachten te bereiken. U zult in dat geval namelijk tot dagvaarding moeten overgaan en in het kader van de procedure kunnen wij het verschil – ook al is dat niet bijzonder groot – net zo eenvoudig ter beslechting aan de rechter voorleggen.”

In de e-mail van 1 juni 2012 staat: “Curatoren hebben geen behoefte aan een bindend advies. Ingeval u daar wel behoefte aan heeft, verzoek ik u mij binnen tien dagen na heden de namen van een drietal onafhankelijke derden te geven (…). Ingeval ik binnen die termijn geen namen van u heb ontvangen, ga ik er vanuit dat u evenmin behoefte hebt aan een bindend advies. In dat geval zal ik zo spoedig mogelijk tot dagvaarden overgaan. (…) Het is onduidelijk in hoeverre deze bepaling [art. 16.11, hof] zich verhoudt tot die van art. 16.8 ter zake het bindend advies. Ik ontvang daar graag uw antwoord op ingeval u kiest voor een bindend adviseur.”

6.11.

Het hof verwerpt deze stellingen van curatoren. Het hof is van oordeel dat de e-mails moeten worden gelezen in de context van het (schikkings)overleg waarmee partijen – naar LaSer onweersproken stelt – destijds bezig waren. Uit niets blijkt dat de passages “tot dagvaarden moeten overgaan” en “aan de rechter voorleggen” in de e-mail van 24 mei 2012 zijn geschreven om een keuze te maken voor een gerechtelijke procedure en om afstand te doen van bindend advies. Het gaat in de context alleen om een beschrijving van een vervolgstap (het behandelen van openstaande kwesties in één procedure) indien het overleg niet zou leiden tot een minnelijke regeling. Curatoren hebben niets gesteld waaruit volgt dat er toen sprake was van het al dan niet vragen van een bindend advies of dat zij anderszins redelijkerwijs een keuze wat betreft het (afzien van) bindend advies hebben mogen afleiden uit de e-mail van 24 mei 2012. In de e-mail van 1 juni 2012 gaat het om uitlatingen van curatoren. Deze uitlatingen, in samenhang met de e-mail van 24 mei 2012 en het uitblijven van een reactie, zijn onvoldoende om aan te kunnen nemen dat partijen de overeenkomst op het punt van het bindend advies hebben gewijzigd of van art. 16.8 afstand hebben gedaan. Curatoren hebben dat redelijkerwijs niet mogen afleiden uit het uitblijven van een reactie van LaSer op de hierboven geciteerde uitlatingen in de e-mail van 1 juni 2012. Curatoren hebben ook overigens geen feiten of omstandigheden gesteld die ertoe leiden dat het beroep op art. 16.8 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

6.12.

Het voorgaande betekent dat grief 1 in incidenteel appel slaagt. Curatoren zijn gehouden de kwesties die betrekking hebben op de financiële afwikkeling voor te leggen aan de bindend adviseur.

6.13.

Het hof is van oordeel van de grieven in principaal appel in volle omvang betrekking hebben op de financiële afwikkeling. Curatoren moeten de kwesties, waarvoor zij in deze grieven de aandacht vragen, aan de bindend adviseur voorleggen. Het bestreden eindvonnis, waarbij het gevorderde is afgewezen, moet worden bekrachtigd.

6.14.

De beoordeling leidt tot de volgende conclusies. Grief 1 in incidenteel appel slaagt. Grief 2 in incidenteel appel behoeft geen behandeling meer, evenals de grieven in principaal appel. De bestreden vonnissen moeten worden bekrachtigd. Het door curatoren in hoger beroep gevorderde moet worden afgewezen. Curatoren zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld (voor salaris advocaat: antwoord incident 1, pleidooi incident 1, antwoord principaal appel 1, antwoordakte ½, totaal 3,5 punt, tarief VI € 3.919,--). Het incidenteel appel was niet noodzakelijk – LaSer is in eerste aanleg geheel in het gelijk gesteld – zodat het hof geen proceskostenveroordeling zal uitspreken in het incidenteel appel. Curatoren hebben verzocht LaSer in de proceskosten te veroordelen in verband met de e-mails en overige contacten in de aanloop naar de procedure bij de rechtbank (pln. 13 maart 2014, 10). Het hof honoreert dit verzoek niet. Curatoren waren in een vroeg stadium van de procedure in eerste aanleg op de hoogte van het standpunt van LaSer, maar curatoren hebben ervoor gekozen de procedure voort te zetten.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de bestreden vonnissen;

wijst af het door curatoren in hoger beroep gevorderde;

veroordeelt de curatoren in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van LaSer begroot op € 5.160,-- voor verschotten, € 13.716,50 voor salaris advocaat en € 157,--

voor nakosten indien dit arrest niet wordt betekend, dan wel € 239,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, P.M. Arnoldus-Smit en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 november 2018.

griffier rolraadsheer