Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4756

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
17/00585
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:4548, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen (artikel 7.8 van de Wet IB). Belanghebbende en zijn echtgenote zijn niet woonachtig in één van de genoemde landen en komen daarom per 1 januari 2015 niet (meer) in aanmerking voor de behandeling als binnenlandse belastingplichtige. Geen schending van artikel 1 EP op regelgevingsniveau. Geen sprake van een individuele en buitensporige last.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-03-2019
FutD 2019-0591
V-N Vandaag 2019/480
V-N 2019/15.1.2
NTFR 2019/917 met annotatie van mr. dr. J. Gooijer
NLF 2019/0546 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00585

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] (Brazilië),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 24 juli 2017, nummer BRE 16/9617n het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te vermelden aanslag en beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.321. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 64. De aanslag en beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het Hof heeft belanghebbende bij brief van 9 juli 2018 een tweetal vragen gesteld. Belanghebbende heeft deze vragen bij brief van 11 juli 2018 beantwoord. De Inspecteur heeft bij brief van 6 augustus 2018 gereageerd op de brief van belanghebbende.

1.5.

Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2 Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1.

Belanghebbende en zijn echtgenote, [echtgenote] (hierna: de echtgenote) wonen sinds 2006 in Brazilië in een eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB). Beiden hebben in de aangiften IB/PVV voor de jaren tot en met 2014 gekozen voor de behandeling als binnenlandse belastingplichtige op grond van het toen geldende artikel 2.5 van de Wet IB.

2.2.

Per 1 januari 2015 is de keuzeregeling voor behandeling als binnenlandse belastingplichtigen vervangen door de regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen, zoals opgenomen in artikel 7.8 van de Wet IB (hierna: de wetswijziging). Omdat belanghebbende en de echtgenote niet woonachtig zijn in één van de landen zoals opgenomen in het zesde lid van die regeling, komen zij niet (meer) in aanmerking voor de behandeling als binnenlandse belastingplichtige.

2.3.

Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 als buitenlandse belastingplichtige in Nederland een verzamelinkomen van € 57.321 aangegeven, bestaande uit AOW en pensioenuitkeringen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft, naar het Hof begrijpt, het antwoord op de vraag of de regeling van artikel 7.8 van de Wet IB, zoals deze luidt per 1 januari 2015, in strijd is met

(1) artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EP), omdat een redelijke en proportionele verhouding (‘fair balance’) op het niveau van de wettelijke regeling ontbreekt;

(2) artikel 1 EP, omdat sprake is van een individuele en buitensporige last.

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur en vermindering van de aanslag. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Belanghebbende stelt dat hij gedupeerd is door de wetswijziging per 1 januari 2015, omdat het hem niet langer is toegestaan te kiezen voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige. Het Hof verstaat dit als een beroep op het recht op ongestoord genot van eigendom als bedoeld in artikel 1 EP.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat het vaste rechtspraak is van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) dat belastingheffing is te beschouwen als aantasting van het eigendomsrecht in de zin van artikel 1 EP. Dat artikel houdt in, aldus eveneens vaste jurisprudentie van het EHRM, dat elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon in overeenstemming met het nationale recht dient te zijn (‘lawfulness’) en een legitiem doel van algemeen belang (‘legitimate aim’) moet dienen. Bij de keuze van de middelen om het algemene belang te dienen, komt aan de wetgever een zeer ruime beoordelingsmarge toe (‘an exceptionally wide margin of appreciation’). Verder vereist het bepaalde in artikel 1 EP dat het toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar is in de uitoefening en aldus een waarborg biedt tegen willekeur (‘arbitrariness’). De vereisten van precisie en voorzienbaarheid brengen mee dat een wet zodanig duidelijk is dat de burger redelijkerwijs in staat is om de daaruit voortvloeiende gevolgen van zijn handelen te voorzien, zodat hij zijn gedrag op de wet kan afstemmen. Ten slotte brengt de door artikel 1 EP beoogde bescherming mee dat een redelijke mate van evenredigheid moet bestaan tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist dat een redelijke en proportionele verhouding (‘fair balance’) bestaat tussen het – legitieme – doel in het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten, en dat betrokkenen als gevolg daarvan niet worden getroffen met een individuele en buitensporige last. Dit een en ander houdt ook in dat burgers niet in redelijkheid erop mogen vertrouwen dat wettelijk geregelde vrijstellingen ongewijzigd zullen blijven (Hoge Raad 23 december 2016, nr. 15/02137, ECLI:NL.HR:2016:2829). Hetzelfde heeft naar het oordeel van het Hof te gelden voor wettelijk geregelde faciliteiten als de mogelijkheid om te kiezen voor binnenlandse belastingplicht.

4.3

Een redelijke mate van evenredigheid tussen de daartoe in het algemeen belang gebruikte middelen en het legitieme doel dat daarmee wordt nagestreefd, vereist het bestaan van een redelijke verhouding (‘fair balance’) tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen, komt aan de wetgever op het terrein van het belastingrecht een ruime beoordelingsvrijheid toe.

4.4.

In de parlementaire geschiedenis is als belangrijke beweegreden voor invoering van de nieuwe regeling genoemd dat het kabinet niet (langer) fiscale voordelen aan niet-inwoners wil geven waar dit op grond van het recht van de Europese Unie niet noodzakelijk is. De wetgever heeft daarnaast aangegeven dat niet is gekozen voor overgangsrecht omdat het zeer complex is voor de uitvoering om twee regelingen naast elkaar uit te voeren en daarmee de besparing op de uitvoeringskosten en de budgettaire opbrengst voor een aantal jaren voor een groot deel teniet zouden worden gedaan. Als alternatief is ervoor gekozen om de voorgestelde regeling in het Belastingplan 2014 aan te kondigen, maar pas per 1 januari 2015 in werking te laten treden, zodat belastingplichtigen de kans zouden hebben van tevoren rekening te houden met de gevolgen van de wetswijziging. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat de wetswijziging slechts een kleine groep belastingplichtigen, te weten circa 3.200 personen, treft.

De keuze om niet langer fiscale voordelen te geven aan niet-inwoners op de grond dat het recht van de Europese Unie daartoe niet noopt en de keuze om van overgangsrecht af te zien uit doelmatigheids- en budgettaire overwegingen vallen naar het oordeel van het Hof binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever en zijn niet van redelijke grond ontbloot. Van een schending van artikel 1 EP op regelgevingsniveau is geen sprake.

4.5.

Voor de vraag of sprake is van een buitensporige last is beslissend de mate waarin de betrokkene in de gegeven omstandigheden getroffen wordt door de heffing van inkomstenbelasting na de invoering van artikel 7.8 van de Wet IB (vgl. HR 12 augustus 2011, nr. 10/02949, ECLI:NL:HR:2011:BR4868). Daarbij moet worden beoordeeld of die last zich in het geval van belanghebbende beduidend sterker laat voelen dan in het algemeen. Het Hof is van oordeel dat de onderhavige heffing van inkomstenbelasting niet kan worden gezien als een individuele en buitensporige last. Belanghebbende stelt dat hij in 2015 een belastingbedrag verschuldigd is van € 13.452, terwijl dit bedrag in 2014 € 10.674 bedroeg. Daarnaast ontving zijn echtgenote in 2014 de algemene heffingskorting van € 1.262. De wetswijziging heeft er aldus volgens belanghebbende toe geleid dat hij in het onderhavige jaar ten opzichte van het jaar 2014 € 4.040 meer belasting verschuldigd is.

Belanghebbende stelt dat hij nu niet langer in aanmerking komt voor belastingvoordelen in verband met de eigen woning, de heffingskorting van zijn echtgenote en de aftrek van bijzondere ziektekosten, maar heeft zijn stelling niet nader inzichtelijk gemaakt, ook niet in antwoord op daartoe strekkende schriftelijke vraag van het Hof. Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van zijn stelling stijgt weliswaar het bedrag van de door hem verschuldigde belasting met bijna 21%, maar die stijging geeft geen aanleiding om een individuele buitensporige last aan te nemen. De omstandigheid dat de wetgever in aanmerking heeft genomen dat door de wetswijziging een voordeel van gemiddeld € 940 per kiezende belastingplichtige vervalt en dit voordeel voor belanghebbende vijf maal hoger was, maakt evenmin dat sprake is van een buitensporige last. Ook belanghebbendes specifieke omstandigheden, waaronder zijn leeftijd en de zorgkosten die hij als gevolg daarvan verwacht, leiden niet tot het oordeel dat de belastingheffing in zijn geval moet worden beschouwd als een individuele en buitensporige last.

4.6.

Ten aanzien van het beroep van belanghebbende op het rechtzekerheidsbeginsel heeft de Rechtbank in rechtsoverweging 2.7 van de bestreden uitspraak op goede gronden een juiste beslissing genomen.

4.7.

Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 15 november 2018 door P.C. van der Vegt, voorzitter, A.J. Kromhout en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.