Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4691

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
200.243.684_01 en 200.243.684_02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling van 17-jarige vernietigd met ingang datum beschikking hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Uitspraak : 15 november 2018

Zaaknummer : 200.243.684/01 en 200.243.684/02

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/334304 / JE RK 18-731

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

en

[appellante] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat: mr. M.A.P.J. van den Biggelaar,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

Regio [regio] ,

Locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende wordt door het hof aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

De zaak heeft betrekking op de minderjarige:

[minderjarige] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 juni 2018, gewezen onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 augustus 2018, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de verzoeken van de raad om [minderjarige] onder toezicht te stellen en een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, af te wijzen (geregistreerd onder zaaknummer 200.243.684/01). Tevens hebben de ouders verzocht om de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen (geregistreerd onder zaaknummer 200.243.684/02).

2.2.

De raad heeft geen verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 augustus 2018, heeft de GI verzocht het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. Van den Biggelaar;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

2.5.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier van de zijde van de ouders, ingekomen ter griffie op 27 augustus 2018, met als bijlagen het verleningsbesluit van de gemeente [gemeente] d.d. 6 juni 2018 en het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg d.d. 11 juni 2018;

  • -

    het V6-formulier van de zijde van de ouders, ingekomen ter griffie op 19 oktober 2018, met als bijlagen de gedoogbeschikking van de gemeente [gemeente] d.d. 20 augustus 2018, de arbeidsovereenkomst, een verklaring van de werkgever en eindrapportages taakstraf in verband met schoolverzuim.

3 De beoordeling

3.1.

[minderjarige] is geboren uit het huwelijk van de vader en de moeder. Hij is thans 17 jaar oud.

3.2.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 11 juni 2018 tot [geboortedatum] 2019, zijnde de datum van het bereiken van de meerderjarigheid, en machtiging verleend aan de GI om [minderjarige] met ingang van 11 juni 2018 tot uiterlijk [geboortedatum] 2019 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3.3.

De GI heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] niet ten uitvoer gelegd.

3.4.

De ouders kunnen zich met de bestreden beschikking niet verenigen en zij hebben in hun beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat het volgende aangevoerd.

De ouders hebben in het verleden veel hulpverleningsinstanties voor [minderjarige] geraadpleegd. Dit is begonnen toen bij [minderjarige] op 7-jarige leeftijd een disharmonisch intelligentieprofiel, dyslexie en auditieve informatieverwerkingsproblemen werden geconstateerd. Na de basisschool is er veel geïnvesteerd om [minderjarige] op passend middelbaar onderwijs te krijgen, met wisselende resultaten en periodes van schoolverzuim. Buiten school zoals met sport, scouting en andere vrijetijdsbesteding, waren er geen problemen met [minderjarige] .

Vanaf het schooljaar 2016/2017 – [minderjarige] volgde inmiddels een opleiding tot automonteur op het [college] – ging het slechter, doordat de stagebegeleider langdurig arbeidsongeschikt werd en er geen klik was met de vervanger. Het schoolverzuim nam toe en dat leidde tot een traject van leerplichtambtenaar, taakstraffen en jeugdreclassering. [minderjarige] uitte in die tijd ook depressieve gevoelens en trok zich steeds meer terug. De verhoudingen binnen het gezin ( [minderjarige] , zus [zus] en ouders) belandden op een dieptepunt eind 2017 / begin 2018. De vader heeft vervolgens, onder meer om verdere escalaties te voorkomen, tijdelijk zijn intrek genomen in een caravan op een camping.

Sinds het voorjaar van 2018 is er echter een duidelijk positieve kentering. [minderjarige] werkt sinds omstreeks het voorjaar van 2018 op basis van een vast contract bij een stukadoorsbedrijf voor 32-35 uur per week. Zijn werkgever is tevreden over hem. [minderjarige] zit beter in zijn vel sinds hij deze baan heeft. Hij accepteert nu adviezen en aanwijzingen van de ouders. De verhoudingen zijn de afgelopen maanden verbeterd, al realiseren de ouders zich dat ze er nog lang niet zijn en dat [minderjarige] een jongen blijft met een gebruiksaanwijzing. Ze willen samen met [minderjarige] kijken welke hulp hij nog kan gebruiken voor zijn emotieregulatie, maar dat moet niet gedwongen zijn.

Het Bureau Leerplicht van de gemeente [gemeente] heeft een gedoogbeschikking afgegeven op 20 augustus 2018, inhoudende dat zolang [minderjarige] voor minimaal 24 uur per week werkt bij zijn huidige werkgever en hij bij wijzigingen met de leerplichtambtenaar contact opneemt, de situatie dat hij zich niet houdt aan de kwalificatieplicht, zal worden gedoogd.

[minderjarige] heeft de in het kader van het schoolverzuim opgelegde taakstraffen met een positief resultaat afgesloten.

De eerste grief van de ouders is specifiek gericht tegen de ondertoezichtstelling. De ouders hebben in dit kader, in aanvulling op hun hiervoor vermelde betoog, – kort samengevat – nog het volgende aangevoerd.

Een ondertoezichtstelling zal opnieuw druk op [minderjarige] leggen en dat is, zeker nu hij ouder wordt, niet in zijn belang. De ouders hebben er geen vertrouwen in dat een ondertoezichtstelling voor de korte periode dat deze nog te gelden heeft, in positieve zin zal bijdragen aan het welzijn van [minderjarige] .

Er is op dit moment geen sprake van vernielingen, het niet accepteren van grenzen en gezag, agressie, suïcidale uitspraken en wegloopgedrag zoals door de rechtbank in de bestreden beschikking geschetst.

[minderjarige] is nooit met politie en justitie in aanraking geweest behalve op grond van de leerplichtwet.

De ouders betwisten nadrukkelijk dat zij geen hulp zouden willen accepteren. Ze zijn juist jaren bezig geweest met het zoeken van de juiste hulp voor [minderjarige] . Zij zijn inmiddels tot de bevinding gekomen dat [minderjarige] beter functioneert en zijn verantwoordelijkheid meer neemt, als hem meer ruimte wordt gegeven en hij minder onder druk wordt gezet.

Ter zitting hebben de ouders het in hun beroepschrift gedane verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling in zoverre gewijzigd, dat zij het hof verzoeken het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling af te wijzen uitsluitend voor zover het betreft de periode vanaf de datum van de beschikking van het hof.

De tweede grief van de ouders is gericht tegen de verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De ouders hebben evenwel ter zitting het in hun beroepschrift gedane verzoek met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing ingetrokken, omdat die machtiging op 11 september 2018 is vervallen wegens het niet uitvoeren daarvan door de GI binnen de wettelijk voorgeschreven termijn.

3.5.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat het volgende aan.

De GI heeft besloten geen gebruik te maken van de machtiging tot uithuisplaatsing vanwege de weerstand bij [minderjarige] en zijn ouders, de positieve dagbesteding die [minderjarige] nu heeft en de te geringe kans op effect van de plaatsing. Wel blijven er zorgen bestaan over zijn emotionele ontwikkeling. Als dingen niet gaan zoals [minderjarige] wil, kan hij met agressie reageren. Daarin moet hij meer vaardigheden leren. De ouders staan daarvoor open. Professionele begeleiding acht de GI hierin noodzakelijk. Inmiddels zijn er afspraken gemaakt voor een kennismakingsgesprek van de ouders en [minderjarige] bij Stichting [stichting] in [plaats] . De GI vindt het belangrijk dat [minderjarige] geboden wordt wat hij nodig heeft. Dat kan echter ook in een vrijwillig kader zonder ondertoezichtstelling. Van belang daarbij is dat [minderjarige] een goede klik met de behandelaar heeft.

3.6.

De raad heeft ter zitting verklaard dat ten tijde van het raadsonderzoek en de indiening van het inleidende verzoek tot ondertoezichtstelling, een ondertoezichtstelling noodzakelijk was. De raad acht echter een voorzetting van de ondertoezichtstelling thans niet meer nodig, gelet op de huidige positieve ontwikkelingen. De raad stemt in met een beëindiging per datum van de beschikking van het hof.

3.7.

Het hof overweegt als volgt.

3.7.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.7.2.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting oordeelt het hof dat thans geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW. Het gaat inmiddels goed met [minderjarige] . [minderjarige] is aan het werk, hij heeft een vast arbeidscontract voor 32-35 uur per week en is gemotiveerd in zijn werk. Zijn werkgever blijkt tevreden over hem. [minderjarige] brengt zijn vrije tijd op zinvolle wijze door met onder meer sporten en het volgen van rijlessen. Zijn taakstraffen wegens schoolverzuim heeft hij met een positief resultaat afgesloten en er ligt inmiddels een officiële gedoogbeschikking vanuit het Bureau Leerplicht. De eerder door [minderjarige] veroorzaakte spanningen in het gezin zijn, zo begrijpt het hof, zodanig naar de achtergrond verdwenen dat het gezin weer als een hecht gezin functioneert. De vader woont inmiddels weer thuis. [minderjarige] en zijn ouders zijn van ver gekomen en zijn er uiteindelijk in geslaagd elkaar in een positiever klimaat terug te vinden. Zaak is wel dat [minderjarige] , nu hij in rustiger vaarwater is gekomen, gaat werken aan de verbetering van zijn emotieregulatie en zich daarin professioneel laat bijstaan.

3.7.3.

Het hof zal, gelet op het voorgaande en gezien het gewijzigde verzoek van de ouders ter zitting, de bestreden beschikking wat betreft de ondertoezichtstelling vernietigen met ingang van de datum van deze beschikking van het hof.

3.7.4.

Zoals hiervoor in 3.4 overwogen, hebben de ouders het in hun beroepschrift gedane verzoek betreffende de machtiging uithuisplaatsing ingetrokken. Daaruit maakt het hof op dat de daartegen gerichte grief niet wordt gehandhaafd, hetgeen met zich brengt dat de ouders in hun verzoek op dat punt niet-ontvankelijk zullen worden verklaard.

3.8.

Nu het hof een eindbeschikking in deze zaak geeft, hebben de ouders geen belang meer bij schorsing van de werking van de bestreden beschikking, zodat zij in het schorsingsverzoek eveneens niet-ontvankelijk zullen worden verklaard.

4 De beslissing

Het hof:

in de zaak met nummer 200.243.684/01:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 juni 2018, zaaknummer C/01/334304 /JE RK 18-731, met ingang van 15 november 2018, en in zoverre opnieuw recht doende:

wijst alsnog af het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor zover het betreft de periode met ingang van 15 november 2018;

verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun verzoek tot afwijzing van het inleidend verzoek van de raad tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] ;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak met nummer 200.243.684/02:

verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun verzoek tot schorsing van de werking van voormelde beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, C.N.M. Antens en

M.L.F.J. Schyns, en is door mr. C.N.M. Antens op 15 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.