Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:469

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
09-02-2018
Zaaknummer
200.184.770_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:5830, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burenzaak. Hinder door hoge bomen in de tuin (schaduw, bladafval, gevaarzetting).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.184.770/01

arrest van 6 februari 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

verder: [appellante] ,

advocaat: mr. J.A.M.G. Vogels te Roermond,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

verder: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.T.J. Gorissen te Heerlen,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 15 maart 2016 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer 530120 CV EXPL 13-4853 tussen partijen gewezen vonnissen van 26 februari 2014, 4 juni 2014, 1 oktober 2014 en 8 juli 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 15 maart 2016;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 12 april 2016;

  • -

    de memorie van grieven van [appellante] van 21 juni 2016 met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel appel van [geïntimeerde] van 30 augustus 2016 met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel appel van [appellante] van 11 oktober 2016 met producties;

  • -

    de akte van [geïntimeerde] van 22 november 2016 met een productie;

  • -

    de antwoordakte van [appellante] van 17 januari 2017.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De gronden van het hoger beroep

In het principaal appel en in het incidenteel appel

Voor de tekst van de drie grieven van [appellante] in het principaal appel en de grief van [geïntimeerde] in het incidenteel appel wordt verwezen naar de memories van grieven.

7 De verdere beoordeling

In het principaal appel en in het incidenteel appel

7.1

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

Partijen zijn buren. [appellante] is sinds 1959 eigenares van de vrijstaande woning met tuin aan de [adres 1] te [plaats] . [geïntimeerde] is sinds 2001 samen met zijn echtgenote eigenaar van de vrijstaande woning met tuin aan de [adres 2] te [plaats] . De erven van partijen grenzen aan de zijkant aan elkaar. De [weg] bevindt zich in het bebouwde gedeelte van het dorp [plaats] , dat deel uitmaakt van de gemeente [plaats] .

Tussen partijen bestaan sinds 2008 geschillen over de bomen in de tuin van [appellante] en de overlast die [geïntimeerde] daarvan zegt te ondervinden. Correspondentie tussen de advocaten van partijen begin 2013 heeft niet tot een oplossing geleid.

7.2

Bij dagvaarding van 7 juni 2013 heeft [geïntimeerde] de onderhavige procedure tegen [appellante] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt [geïntimeerde] dat hij overlast ondervindt van de bomen in de tuin van [appellante] doordat hierdoor de lichtinval in zijn tuin aanzienlijk wordt beperkt, sprake is van overvloedige bladval die met name hinderlijk is voor het zwembad in zijn tuin, de begroeiing in zijn eigen tuin wordt belemmerd en gevaarzetting optreedt. Volgens [geïntimeerde] is door dit alles sprake van onrechtmatige hinder van de kant van [appellante] . Op grond hiervan vorder [geïntimeerde] , samengevat, veroordeling van [appellante] om de bomen in haar tuin te snoeien en te knotten, op verbeurte van een dwangsom. [appellante] heeft de vordering van [geïntimeerde] bestreden. Volgens haar veroorzaken de bomen in haar tuin geen onrechtmatige hinder aan [geïntimeerde] . Ook beroept [appellante] zich op verjaring en stelt zij subsidiair dat de situatie hoogstens zou moeten worden teruggebracht tot die in 2001 of 2013.

7.3

De kantonrechter heeft een comparitie van partijen bepaald die op 21 oktober 2013 heeft plaatsgevonden.

Bij tussenvonnis van 26 februari 2014 heeft de kantonrechter [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld te reageren op een door [appellante] overgelegde expertiserapport van [beheer] van 9 december 2013. In dit rapport worden de relevante bomen aangeduid met de nummers 1 tot en met 12.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 4 juni 2014 het uitbrengen van een deskundigenbericht over de situatie ter plaatse noodzakelijk geoordeeld en partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.

Bij tussenvonnis van 1 oktober 2014 heeft de kantonrechter Angeline Mette van Groenvisie Mette tuinarchitectuur, boomveiligheidscontrole en boomtaxatie te [plaats 2] tot deskundige benoemd. Deze deskundige heeft op 18 november 2014 rapport uitgebracht. Hierin wordt eerdergenoemde nummering van de bomen gevolgd.

Bij eindvonnis van 8 juli 2015 heeft de kantonrechter de bevindingen van het rapport van deskundige Mette tot uitgangspunt genomen en aan de hand daarvan als volgt beslist.

[appellante] is veroordeeld om, samengevat:

  • -

    de kroon van boom 5 rondom met 20% in te korten;

  • -

    boom 6 te verwijderen dan wel in te korten tot minimaal één meter boven de spanband, welke aan de stam bevestigd is op enkele meters hoogte;

  • -

    de bomen 7 en 8 in te korten met ca. 100 cm;

  • -

    van de bomen 9 en 10 de (overhangende) takken met 100 cm in te korten;

  • -

    de bomen 11 en 12 met 500 cm in te korten;

met bepaling dat [appellante] deze werkzaamheden uiterlijk 30 november 2015 volledig moet hebben uitgevoerd, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,= per dag met een maximum van € 25.000,=,

en om, nadat de bomen 5 tot en met 12 zijn ingekort als hiervoor aangegeven, de bomen periodiek terug te snoeien tot die hoogte, de bomen 5 tot en met 10 om de vijf jaar, de bomen 11 en 12 om de drie jaar,

een en ander uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten met nakosten en met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

7.4

De grief van [geïntimeerde] in het incidenteel appel betreft het niet verbinden van een dwangsom van € 1.000,= per dag met een maximum van € 25.000,= aan de verplichting tot periodiek terugsnoeien. Voor het overige heeft [geïntimeerde] geen grieven aangevoerd tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn vorderingen (met name ten aanzien van de bomen 1 tot en met 4), zodat afgezien van deze dwangsom in dit hoger beroep de vorderingen van [geïntimeerde] alleen aan de orde zijn voor zover zij door de kantonrechter zijn toegewezen. De grief van [geïntimeerde] komt aan de orde na de bespreking van het principaal appel.

7.5

In haar memorie van grieven heeft [appellante] een aantal stellingen vermeld over het karakter van de omgeving van de woningen van partijen, over het onderhoud aan de bomen en over de afwezigheid van gevaarzetting. Grief 1 van [appellante] in het principaal appel richt zich ertegen ‘voor zover de door de kantonrechter in zijn vonnissen gerelateerde feiten hiermee in strijd zijn of hiermee niet overeenkomen’. Door [appellante] wordt niet aangegeven op welke passages en/of vermeldingen in welke vonnissen zij doelt, zodat het hof aan deze grief voorbijgaat. De feiten waar het hof van uitgaat, zijn hiervoor in 7.1 weergegeven.

Grief 1 wordt verworpen.

7.6

Dat geldt ook voor grief 3 die zich richt tegen alle vonnissen van de kantonrechter zonder aan te geven welk oordeel daarin door [appellante] wordt bestreden.

7.7

Wat het principaal appel betreft resteert grief 2 die zich richt tegen het eindvonnis van 8 juli 2015. Met deze grief betoogt [appellante] primair dat de bomen 5 tot en met 12 in haar tuin geen onrechtmatige hinder veroorzaken. Subsidiair beroept [appellante] zich op verjaring. Meer subsidiair stelt [appellante] dat pas vanaf rond 16 januari 2013 sprake is van hinder en nog meer subsidiair dat dit pas vanaf oktober 2001 het geval is. [geïntimeerde] heeft een en ander bestreden. De verschillende onderdelen van deze grief lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

7.8

Het hof overweegt hierover het volgende. Bij de bespreking van de inhoud en de consequenties van het deskundigenbericht heeft de kantonrechter tot uitgangspunt genomen dat het een eigenaar van een woonhuis met tuin vrijstaat zijn eigendom naar eigen goeddunken te gebruiken, mits dit gebruik niet strijdt met de rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen. Dat betekent, aldus de kantonrechter, dat [appellante] in beginsel het recht heeft haar tuin in te richten en te onderhouden zoals zij dat zelf wil, maar dat dit recht wordt begrensd in die zin dat zij anderen, onder wie [geïntimeerde] , geen onrechtmatige hinder mag toebrengen waarbij het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder afhangt van de aard, ernst en duur van de hinder en van de verdere omstandigheden van het geval. Dit uitgangspunt is door partijen niet bestreden en zal ook door het hof worden gehanteerd.

7.9

Om in dit geval te kunnen beoordelen of en in hoeverre door de bomen in de tuin van [appellante] hinder wordt toegebracht aan [geïntimeerde] is een onafhankelijke beschrijving van de situatie ter plaatste onontbeerlijk. Daartoe dient het deskundigenbericht dat in eerste aanleg is uitgebracht. Aan deskundige Mette zijn de volgende vragen voorgelegd:

  1. Hoe oud zijn de onderwerpelijke bomen die in productie 17 bij dupliek (rapport [beheer] ) met boomnummer 1 tot en met 12 worden aangeduid?

  2. Op welke afstand van de erfgrens bevinden zich de onderwerpelijke bomen?

  3. In welke conditie bevinden die bomen zich momenteel?

  4. Hoe is de stabiliteit van die bomen?

  5. Wat is de groeisnelheid van die bomen?

  6. Zijn de betreffende bomen sinds oktober 2001 in omvang toegenomen, en zo ja, in welke mate?

  7. Zijn er sinds oktober 2001 nog bomen op of nabij de erfgrens geplaatst?

  8. Is de schaduw in de tuin van eiser toegenomen sinds oktober 2001 en zo ja, in welke mate?

  9. Is de bladafval in de tuin van eiser toegenomen sinds oktober 2001 en zo ja, in welke mate?

  10. Kunt u aangeven of en zo ja, op welke wijze, de bomen die zich rond de erfgrens bevinden, kunnen worden gesnoeid en ingekort?

  11. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn?

Aangezien het hoger beroep geen betrekking heeft op de bomen 1 tot en met 4, is het deskundigenbericht thans alleen van belang voor zover het betrekking heeft op de bomen 5 tot en met 12.

7.10

De deskundige heeft in haar rapport bij de eerste vijf vragen per boom de desbetreffende feitelijke gegevens vermeld. Bij vraag f) heeft de deskundige op basis van die gegevens de volgende berekening opgenomen (blz. 27):

boom 5: het totale kroonvolume is met circa 260 cm toegenomen

boom 6: deze boom is afgestorven, het totale kroonvolume was met circa 300

cm toegenomen

boom 7 tot en met 10: het totale kroonvolume is met circa 90 cm toegenomen

boom 11 en 12: de hoogte is met circa 260 cm toegenomen, deze bomen groeien

zuilvormig, hierdoor is er nauwelijks breedtegroei van de kroon.

Vraag g) is ontkennend beantwoord. Bij vraag h) heeft de deskundige geantwoord dat de schaduw in de tuin van [geïntimeerde] sinds oktober 2001 bij benadering met 25 tot 30% is toegenomen. Wat het bladafval betreft, vraag i), komt het antwoord van de deskundige erop neer dat bij boom 5 het bladafval sinds oktober 2001 bij zuidwestenwind met circa 30% zal zijn toegenomen en bij de bomen 11 en 12 met 10 tot 15%. Bij vraag j) heeft de deskundige vermeld: van boom 5 kan de kroon rondom met 20% worden ingekort, boom 6 kan worden verwijderd dan wel ingekort tot minimaal één meter boven de spanband aan de stam, de bomen 7 en 8 kunnen worden ingekort met ca. 100 cm, de (overhangende) takken van de bomen 9 en 10 met 100 cm kunnen worden ingekort en de bomen 11 en 12 kunnen met 500 cm worden ingekort. Als antwoord op de laatste vraag heeft de deskundige onder meer vermeld dat er een verhoogd risico is op het uitbreken van de top bij de bomen 11 en 12 en dat daarom uit veiligheidsoverwegingen raadzaam is deze populieren in te korten en dat de door haar aangegeven snoeimaatregelen geen vervroegde afschrijving van de bomen tot gevolg hebben en bij de bomen 5, 11 en 12 een levensverlengend effect. De deskundige heeft haar rapport nader onderbouwd met een aantal foto’s die de situatie verduidelijken.

7.11

Beide partijen hebben in eerste aanleg zowel naar aanleiding van het conceptrapport als naar aanleiding van het definitieve rapport op de bevindingen en conclusies van de deskundige gereageerd. In het definitieve rapport heeft de deskundige het door haar ontvangen commentaar weergegeven, waar nodig een correctie toegepast en voor het overige het commentaar van partijen adequaat weerlegd. Het commentaar dat nadien is geleverd, komt neer op een herhaling van de reactie op het conceptrapport en is met de bespreking daarvan door de deskundige reeds voldoende besproken. Naar het oordeel van het hof voldoet het deskundigenrapport aan de eisen die daaraan zowel naar inhoud als naar de wijze van tot stand komen kunnen en moeten worden gesteld, zodat het tot uitgangspunt genomen dient te worden bij de beoordeling van de vordering zoals deze (na eiswijzigingen) door [geïntimeerde] is ingesteld en het verweer daartegen van de kant van [appellante] .

7.12

Uit het deskundigenbericht blijkt dat het verweer van [appellante] dat de situatie in haar tuin niet anders is dan toen [geïntimeerde] het huis ernaast betrok, niet houdbaar is. Tevens blijkt uit het deskundigenbericht dat sindsdien sprake is van toename van schaduw en bladval en, wat de bomen 11 en 12 betreft, van gevaarzetting. Deze bevindingen rechtvaardigen de conclusie dat sprake is van hinder en wel in zodanige mate dat onder de gegeven omstandigheden gesproken kan worden van onrechtmatige hinder die de maatregelen als door de deskundige voorgesteld rechtvaardigen. Het verweer van [appellante] , waarvan de kern is weergegeven in rechtsoverweging 3.7 van het tussenvonnis van 26 februari 2014, wordt door het deskundigenbericht ontkracht, zodat het eindvonnis van 8 juli 2015 ten aanzien van die maatregelen in stand dient te blijven. De subsidiaire verweren van [appellante] (beroep op verjaring en aanvang hinder) worden door haar onderbouwd met de stelling dat de bomen altijd goed zijn onderhouden. Ook indien dat juist zou zijn, betekent dat niet dat de vordering van [geïntimeerde] daarop zou stranden, terwijl uit het deskundigenbericht blijkt dat de voorgestelde snoeiwerkzaamheden niet alleen wenselijk zijn, maar ook noodzakelijk teneinde hinder en gevaarzetting te beëindigen.

7.13

Een en ander brengt het hof tot de conclusie dat grief 2 in het principaal appel dient te worden verworpen.

7.14

Thans resteert de grief van [geïntimeerde] in het incidenteel appel inzake zijn vordering tot oplegging van een dwangsom voor de verplichting tot periodiek terugsnoeien. Volgens [geïntimeerde] heeft de kantonrechter nagelaten op deze vordering te beslissen. Volgens hem blijkt uit de wijze waarop [appellante] uitvoering heeft gegeven aan haar verplichting om de bomen 5 tot en met 12 te snoeien dat een dwangsom voor [appellante] een noodzakelijke prikkel is om aan het vonnis te voldoen. Volgens [appellante] is dat niet het geval en heeft zij, zonder dat [geïntimeerde] tot tenuitvoerlegging van het eindvonnis van 8 juli 2015 was overgegaan, volledig aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen voldaan.

7.15

Het hof overweegt hierover het volgende. De kantonrechter heeft geen afzonderlijke overwegingen gewijd aan de dwangsom waar het hier om gaat, maar doordat die dwangsom niet is toegewezen en het meer of anders gevorderde is afgewezen, is wel op de vordering beslist in die zin dat deze is afgewezen. Naar het oordeel van het hof is er vooralsnog onvoldoende reden om te veronderstellen dat [appellante] niet aan de verplichting tot periodiek terugsnoeien zal voldoen. Het ligt voor de hand dat zij niet dan met een zekere mate van tegenzin aan de verplichting tot snoeien zal hebben voldaan en het ligt evenzeer voor de hand dat dit ten aanzien van het periodiek terugsnoeien niet anders zal zijn. In de loop van de procedure heeft [appellante] geregeld benadrukt dat zij het onderhoud van de bomen zeer serieus neemt en daarvoor ook geregeld, zelfs wekelijks, werkzaamheden doet uitvoeren. Door het eindvonnis van 8 juli 2015, dat in dit hoger beroep in stand blijft, is het haar duidelijk welke eisen aan het initiële en het daarop volgende periodiek terugsnoeien worden gesteld. Bij deze stand van zaken mag ervan worden uitgegaan dat [appellante] haar verplichting tot periodiek terugsnoeien zal nakomen, ook zonder dat daaraan een dwangsom is verbonden. Het opleggen van een dwangsom kan in een situatie als deze eerder voor nieuwe problemen zorgen dan dat het bijdraagt aan een oplossing ervan. De grief van [geïntimeerde] in het incidenteel appel wordt verworpen.

7.16

Nu alle grieven zijn verworpen, worden de tussenvonnissen van 26 februari 2014, 4 juni 2014 en 1 oktober 2014 en het eindvonnis van 8 juli 2015 bekrachtigd met veroordeling van [appellante] in de kosten van het principaal appel en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel.

8 De uitspraak

Het hof:

in het principaal appel en in het incidenteel appel

bekrachtigt de tussenvonnissen van 26 februari 2014, 4 juni 2014 en 1 oktober 2014 en het eindvonnis van 8 juli 2015, waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het principaal appel, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 311,= aan griffierecht en op € 2.235,= aan salaris advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel, tot op deze uitspraak aan de zijde van [appellante] begroot op € 1.117,50 aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 februari 2018.

griffier rolraadsheer