Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4689

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
200.243.535_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 15 november 2018

Zaaknummer : 200.243.535/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/250985/JE RK 18-1263

C/03/250986/JE RK 18-1264

C/03/250987/JE RK 18-1265

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

en

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat: mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 7 juni 2018, 20 juni 2018 en 18 september 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 augustus 2018, hebben de ouders verzocht om voornoemde beschikkingen van 7 juni 2018 en 20 juni 2018 te vernietigen als zijnde ongegrond, onbewezen, dan wel in strijd met de wet en alsnog de verzoeken van de GI af te wijzen.

2.2.

De GI heeft op 3 september 2018 een verweerschrift met producties ingediend.

2.3.

Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is vastgesteld dat de ouders het hoger beroep ook willen richten tegen de beslissing van de kinderrechter van 17 september 2018. Bij deze beschikking is de uithuisplaatsing zoals bepaald in de beschikking van 20 juni 2018 verlengd. Alle belanghebbenden hebben zich er ter zitting mee akkoord verklaard dat het beroep van de ouders en het verweerschrift van de GI zich ook richten tegen de beschikking van 17 september 2018. Het hof heeft zal derhalve de beschikking van 18 september 2018 mede bij de beoordeling betrekken.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. Bergmans-Jeurissen;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] , [vertegenwoordiger van de GI 2] en [vertegenwoordiger van de GI 3] ;

De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, met voorafgaand bericht d.d. 3 oktober 2018, ter griffie van het hof ingekomen op 4 oktober 2018, niet verschenen.

Ter zitting heeft de GI de verslagen van Rubicon d.d. 30 augustus 2018 van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] overgelegd.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het V-formulier van de advocaat van de ouders d.d. 8 oktober 2018 met bijlagen, ter griffie van het hof ingekomen op 9 oktober 2018;

- het V-formulier van de advocaat van de ouders d.d. 11 oktober 2018 met bijlagen, ter griffie van het hof ingekomen op diezelfde datum.

3 De beoordeling

3.1.

De moeder en de vader zijn ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] );

- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ).

3.2.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kinderen uit.

3.3.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn bij beschikking van 8 februari 2018 onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, tot 8 februari 2019.

3.4.

Bij de bestreden beschikking van 7 juni 2018 is een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een crisispleeggezin voor de duur van 4 weken en is de beslissing voor het overige aangehouden.

Bij de bestreden beschikking van 20 juni 2018 heeft de rechtbank machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] in een crisispleegezin en aansluitend in een netwerkpleeggezin tot uiterlijk 8 oktober 2018 en is iedere verdere beslissing aangehouden.

Bij de bestreden beschikking van 17 september 2018 is machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 8 oktober 2018 tot uiterlijk 8 februari 2019.

3.5.

De kinderen zijn op 7 juni 2018 uit huis geplaatst in twee verschillende crisispleeggezinnen. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven inmiddels samen bij de grootouders vaderszijde.

3.6.

De ouders kunnen zich niet verenigen met de onder 3.4. genoemde beschikkingen.

3.7.

De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.

De uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is niet noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen en voldoet niet aan de eisen die het EHRM hieraan stelt. De ondertoezichtstelling is toereikend om de bedreigde ontwikkeling van de kinderen te keren. De door de GI in het verzoekschrift gestelde zorgen zijn uitvergroot en voor een deel niet juist. Een uithuisplaatsing is een ultimum remedium en alternatieve mogelijkheden zijn onvoldoende onderzocht. Er hebben slechts enkele gesprekken/observaties plaatsgevonden en er is geen plan van aanpak met doelstellingen voor de ouders opgesteld. De prioriteit moet liggen bij het ondersteunen van de opvoedcapaciteiten van de ouders, hetgeen de ouders ook graag willen. Echter, sinds de ondertoezichtstelling is de hulpverlening door het stopzetten van de thuisbegeleiding afgenomen en de vervangende, door de raad geadviseerde hulpverlening is niet tot stand gekomen. Bovendien is de opvoedingsonbekwaamheid van de moeder niet onderbouwd.

Voorts heeft de GI in strijd met de belangen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gehandeld door hen eerst in twee verschillende crisispleeggezinnen te plaatsen in plaats van meteen binnen het netwerk van de ouders.

3.8.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan. Het verzoek om een spoeduithuisplaatsing is gedaan omdat de veiligheid van de kinderen in gevaar kwam. De zorgen in het gezin zijn groot en complex en de aangereikte informatie beklijft niet. De hulpverlening heeft geconcludeerd dat ambulante hulpverlening niet toereikend is om de veiligheid te kunnen garanderen. Bovendien gaf de vader aan dat hij ervan door zou gaan als de GI de kinderen zou komen halen.

De kinderen hebben ongeveer drie weken in een crisispleeggezin verbleven. In die periode is er intensief contact geweest met opa en oma (vaderszijde) bij wie de kinderen inmiddels verblijven in het kader van een netwerkplaatsing. Er is een ruime begeleide omgangsregeling met de ouders afgesproken. Op die manier kan zicht worden verkregen op de opvoedingsvaardigheden van de ouders en de interactie tussen de ouders en de kinderen. De problematiek en de leerbaarheid van de moeder zal verder worden onderzocht.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.9.2.

Ingevolge artikel 800 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan, voor zover hier van belang, een hiervoor onder 3.8.1. genoemde machtiging alleen dan aanstonds worden gegeven indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.

3.9.3.

Het hof is uit de stukken en het verhandelde ter zitting het volgende gebleken.

Er bestonden reeds lange tijd ernstige zorgen op het gebied van hygiƫne, basale zorg, (emotionele) veiligheid en ontwikkeling van de kinderen in de thuissituatie. Het gezinssysteem was overbelast. De moeder werd fysiek en mentaal gezien overvraagd. De vader was niet in staat om de moeder voldoende ondersteuning te bieden in de zorg en opvoeding van de kinderen. De kinderen lieten zorgelijk gedrag zien. Binnen het gezin is er hulpverlening geweest van Gespecialiseerde Thuishulp Begeleiding (GTB) en Pedagogisch Sociaal Werk (PSW). De hulpverlening van GTB is gestopt en PSW heeft aan de GI kenbaar gemaakt dat ambulante hulp niet langer afdoende was om de veiligheid van de kinderen te garanderen. Hoeve de Koalder zou de begeleiding op verzoek van de GI van PSW overnemen, maar ook deze instantie concludeerde na de observatie van de moeder in de thuissituatie dat zij de benodigde begeleiding niet kon bieden.

Gelet op deze ernstige zorgen, het feit dat er door een gebrek aan hulpverlening geen zicht meer was op het gezin en het feit dat de vader had aangegeven er vandoor te zullen gaan met de kinderen als de GI de kinderen zou komen halen, is het hof van oordeel dat ten tijde van de verleende spoedmachtiging sprake was van een onmiddellijk en ernstig gevaar voor de kinderen en dat een uithuisplaatsing ook noodzakelijk was in het belang van de kinderen. Dat de mogelijkheden voor een netwerkplaatsing op dat moment nog niet waren onderzocht valt achteraf bezien te betreuren, maar doet aan het bovenstaande niet af.

Voorts acht het hof een uithuisplaatsing op dit moment nog steeds noodzakelijk. Er is onvoldoende zicht of en in hoeverre de ouders kunnen aansluiten bij de behoeftes van de kinderen. In recent door MEE verricht onderzoek konden de door de GI in dit kader gestelde vragen niet alle worden beantwoord, ook omdat de kinderen en de ouders niet in de thuissituatie konden worden geobserveerd. Wel doet MEE een aantal aanbevelingen op het gebied van in te zetten hulpverlening.

Het hof gaat er van uit dat de GI deze aanbevelingen serieus zal nemen en geeft de GI in overweging om MEE een vervolgonderzoek te laten verrichten waarbij de ouders met de kinderen worden geobserveerd in de thuissituatie.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikkingen zullen worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 7 juni 2018, 20 juni 2018 en 17 september 2018;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, C.N.M. Antens en J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en is op 15 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.