Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4664

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
15-11-2018
Zaaknummer
200.205.599_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:8222, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

financiële afwikkeling tussen samenwoners na verbreking van die samenwoning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.205.599/01

arrest van 13 november 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. M.E. Cuppen te Wittem,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. D.M.A. Oud te Rotterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 december 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 14 september 2016, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie en de man als gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/203583 / HA ZA 15-146)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties.

2.2.

De vrouw vorderde in haar appeldagvaarding de vernietiging van zowel het tussenvonnis van de rechtbank d.d. 9 maart 2016 als van het eindvonnis d.d. 14 september 2016. In haar memorie van grieven beperkt de vrouw haar hoger beroep tot het eindvonnis dat door haar – kennelijk per abuis – is aangeduid met de datum 12 mei 2016. Het hof leest deze datum verbeterd als 14 september 2016 en gaat ervan uit dat het hoger beroep uitsluitend tegen het eindvonnis is gericht.

2.3.

De vrouw heeft in haar memorie van antwoord in incidenteel appel (onder de randnummers 5 tot en met 25) een nadere toelichting gegeven op haar grieven, dit naar aanleiding van hetgeen door de man in zijn memorie van antwoord was aangevoerd. Met hetgeen onder de randnummers 5 tot en met 25 is aangevoerd heeft de vrouw in strijd gehandeld met de tweeconclusieregel die is vervat in artikel 347 Rv. De man heeft hier terecht bezwaar tegen gemaakt. Het hof laat om die reden het hier bedoelde gedeelte van de memorie van antwoord in incidenteel appel buiten beschouwing.

2.4.

Het hof heeft na de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zij hebben vanaf medio 2009 tot op of omstreeks 8 oktober 2013 samengewoond en een gezamenlijke huishouding gevoerd in de woning van de vrouw aan de [adres] te [plaats] .

3.1.2.

Partijen hadden geen samenlevingsovereenkomst gesloten.

3.1.3.

Partijen hebben na de beëindiging van hun relatie overleg gevoerd over de vermogensrechtelijke afwikkeling van de relatie, waarbij de heer [bemiddelaar] als bemiddelaar is opgetreden.

Partijen hebben op 19 december 2013 een schikkingsovereenkomst ondertekend, dit ter financiële afwikkeling van hun relatie. Deze overeenkomst (overgelegd als productie 16 bij inleidende dagvaarding en als productie 9 bij conclusie van antwoord) houdt in: “ [roepnaam van de vrouw] (de vrouw, opm. hof) betaalt aan [voornaam van de man] (de man, opm. hof) nog 20.000 €. Dit zal in 2 gedeeltes gebeuren van 10.000 €. Het 1e gedeelte in december 2013. Het 2e gedeelte eind februari 2014.”

Het eerste gedeelte ad € 10.000,- is door de vrouw betaald; het tweede gedeelte ad € 10.000,- is onbetaald gebleven.

3.2.

De onderhavige procedure betreft de (financiële) afwikkeling van de samenlevingsrelatie van partijen.

De vrouw vorderde in eerste aanleg (na wijziging van haar eis):

  • -

    voor recht te verklaren dat de man ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van de vrouw;

  • -

    voor recht te verklaren dat de man wanprestatie heeft gepleegd ten aanzien van de door hem ten behoeve van de vrouw uitgevoerde administratie;

  • -

    de man te veroordelen om aan de vrouw een bedrag van € 42.693,51 te betalen uit hoofde van door de man ten onrechte ontvangen betalingen;

  • -

    het beroep van de vrouw op dwaling ter zake van de onderlinge overeenkomst ad

€ 20.000,- toe te wijzen;

  • -

    de man te veroordelen om de € 10.000,- die hij in het kader van de onderlinge overeenkomst van de vrouw heeft ontvangen, terug te betalen aan de vrouw;

  • -

    de man te veroordelen om € 3.000,- aan de vrouw terug te betalen ter zake van onterecht ontvangen vergoedingen voor administratieve werkzaamheden;

  • -

    de man te veroordelen om € 1.724,27 aan de vrouw te betalen ter zake van vergoeding van de door de vrouw geleden gevolgschade van de door de man gepleegde wanprestatie bij de door hem verrichte administratieve werkzaamheden;

  • -

    de man te veroordelen om de HP-laptop, de Nikon spiegelreflexcamera en de bijbehorende lens en de sleutels van een Audi en een Jeep, eigendommen van de vrouw, die de man in bezit heeft, aan de vrouw terug te bezorgen;

  • -

    de man te veroordelen om het bankstel en het op hout geschilderde schilderij, eigendommen van de vrouw, die de man in zijn bezit heeft, aan de vrouw terug te bezorgen;

  • -

    de man te veroordelen om aan de vrouw haar ski’s en haar grasmaaier terug te bezorgen;

  • -

    de man te veroordelen in de proceskosten.

De man vorderde in reconventie – voorwaardelijk, namelijk voor het geval het beroep van de vrouw op dwaling met betrekking tot de schikkingsovereenkomst ad € 20.000,- zou worden gehonoreerd – de veroordeling van de vrouw tot betaling aan hem van een bedrag van

€ 68.753,- in verband met de financiële afwikkeling van de samenlevingsrelatie, alsmede de veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

3.3.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep in conventie de man veroordeeld tot afgifte aan de vrouw van;

- de Nikon 5000-SD spiegelreflexcamera met bijbehorende lens;

- de sleutels behorende bij de Audi en de Jeep Cherokee;

- het op hout geschilderde schilderij;

- één paar ski’s.

De rechtbank heeft de vorderingen in conventie voor het overige afgewezen.

Omdat de rechtbank in conventie het beroep van de vrouw op dwaling ten aanzien van de schikkingsovereenkomst ad € 20.000,- had verworpen, heeft de rechtbank met betrekking tot de voorwaardelijke vordering in reconventie geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder de vordering was ingesteld zodat een beoordeling van de reconventionele vordering achterwege kan blijven.

De rechtbank heeft de proceskosten, zowel in conventie als in (voorwaardelijke) reconventie gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten moet dragen.

3.4.

De vrouw kan zich niet verenigen met het eindvonnis van de rechtbank in conventie en heeft daartegen zeven grieven aangevoerd. In haar memorie van grieven concludeert zij tot vernietiging van het eindvonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

3.5.1.

De man heeft in het principaal appel geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de vrouw in haar hoger beroep, althans tot het afwijzen van de gronden van haar beroep.

In het incidenteel appel heeft hij zijn reconventionele eis vermeerderd in die zin dat hij die reconventionele vordering in hoger beroep onvoorwaardelijk instelt en verhoogt tot een bedrag van € 80.168,-.

De man heeft tevens geconcludeerd tot veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

3.5.2.

Tegen de voormelde eisvermeerdering zijn door de vrouw geen bezwaren aangevoerd. De eisvermeerdering is toelaatbaar. Het hof zal recht doen op de in hoger beroep vermeerderde eis in reconventie van de man.

3.6.1.

Het hof stelt vast dat partijen op 19 december 2013, na de beëindiging van hun samenlevingsrelatie, een overeenkomst hebben gesloten ter financiële afwikkeling van die samenleving. De overeenkomst hield in dat de vrouw aan de man een bedrag van € 20.000,- zou betalen.

De man heeft gesteld dat de betaling van dat bedrag ter finale kwijting over en weer was, met dien verstande dat de man zijn persoonlijke goederen nog mocht komen ophalen (randnummer 14 conclusie van antwoord). De vrouw heeft deze stelling van de man niet weersproken; het hof gaat er daarom van uit dat partijen inderdaad aldus zijn overeengekomen.

3.6.2.

De vrouw stelt zich in de onderhavige procedure op het standpunt dat zij niet gebonden is aan de voormelde schikkingsovereenkomst omdat zij bij de sluiting ervan in dwaling verkeerde, welke dwaling hierin bestond dat zij er ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst niet van op de hoogte was dat inkomsten van haar waren gestort op bankrekeningen van de vennootschap respectievelijk de eenmanszaak van de man.

De rechtbank heeft dit beroep op dwaling van de vrouw verworpen. Allereerst omdat de vrouw aan haar beroep op dwaling geen rechtsgevolg heeft verbonden: vernietiging van de overeenkomst is immers niet door haar gevorderd. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de vrouw op 15 november 2013, dus vóór de schikkingsovereenkomst van 19 december 2013, op de hoogte moet zijn geweest van de stortingen op de rekeningen van de vennootschap en van de eenmanszaak van de man, aangezien de vrouw ten behoeve van de heer [bemiddelaar] op de genoemde datum 15 november 2013 een overzicht heeft opgesteld (productie 2 bij conclusie van dupliek in conventie) van de bij haar opdrachtgevers gefactureerde bedragen wegens door haar verrichte werkzaamheden, onder vermelding van de bankrekeningen waarop die bedragen zijn gestort, waaronder de bankrekeningen van de vennootschap en de eenmanszaak van de man. De rechtbank overwoog dat, gelet hierop, de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij ten tijde van het sluiten van de schikkingsovereenkomst d.d. 19 december 2013 uit is gegaan van een onjuiste voorstelling van zaken.

Naar het oordeel van het hof faalt de vijfde grief van de vrouw die tegen dit oordeel is gericht. Niet alleen heeft de vrouw ook in hoger beroep geen vernietiging van de overeenkomst gevorderd (de vordering tot terugbetaling van het bedrag van € 10.000,- kan in redelijkheid niet als een vordering tot vernietiging van de overeenkomst worden aangemerkt) maar bovendien is door haar niet gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat door haar ontoereikend is onderbouwd dat de schikkingsovereenkomst door haar zou zijn aangegaan onder een onjuiste voorstelling van zaken.

3.6.3.

Naar het oordeel van het hof betekent het voorgaande niet zonder meer dat de vrouw nog gebonden is aan de schriftelijke overeenkomst d.d. 19 december 2013. Immers: de man vordert thans in hoger beroep – anders dan in eerste aanleg – onvoorwaardelijk een integrale vermogensrechtelijke afwikkeling van de samenlevingsrelatie van partijen. Hij heeft echter niet gesteld dat hij de vrouw niet langer gebonden acht aan de schikkingsovereenkomst d.d. 19 december 2013. Het hof is vooralsnog van oordeel dat beide standpunten onverenigbaar zijn: de man kan niet de vrouw gebonden achten aan de schikkingsovereenkomst van 19 december 2013 en daarnaast een vordering instellen ter integrale vermogensrechtelijke afwikkeling van de samenlevingsrelatie van partijen.

De man dient zich op dit punt nader uit te laten. De vrouw zal hierop kunnen reageren.

3.7.1.

De vrouw heeft tijdens de samenleving van partijen, in de jaren 2012 en 2013, als zzp’er gewerkt in de zorg, onder meer voor de organisaties “ [organisatie 1] ” en “ [organisatie 2] ”. De voor haar werkzaamheden gefactureerde bedragen werden - wat betreft [organisatie 1] – gestort op de bedrijfsrekening van de vennootschap van de man met rekeningnummer [rekeningnummer 1] ; wat betreft [organisatie 2] werden de gefactureerde bedragen gestort op de bedrijfsrekening van de eenmanszaak van de man met rekeningnummer [rekeningnummer 2] .

De vrouw stelt zich in de onderhavige procedure op het standpunt dat de man de bedragen die op voormelde bankrekeningen zijn gestort (respectievelijk in totaal € 3.595,- en

€ 39.098,51) aan haar moet vergoeden; de man heeft dit bestreden. De rechtbank heeft de vordering van de vrouw op dit punt afgewezen. Haar grieven 1 en 2 zijn tegen deze beslissing gericht.

3.7.2.

Het hof gaat er vooralsnog van uit dat een eventuele vergoedingsaanspraak van de vrouw in verband met de stortingen op de voormelde bankrekeningen van de vennootschap en de eenmanszaak van de man, zijn verdisconteerd in de schikkingsovereenkomst d.d. 19 december 2013. Het hof vindt hiervoor aanwijzingen in de e-mailwisselingen met de heer [bemiddelaar] (productie 15 bij inleidende dagvaarding en productie 3 bij conclusie van dupliek in conventie/conclusie van repliek in reconventie) én in het feit dat als onbetwist vast staat dat partijen met de schikkingsovereenkomst d.d. 19 december 2013 finale kwijting hebben beoogd.

Partijen dienen zich ook hieromtrent nader uit te laten.

3.7.3.

Voor zover de voormelde bankstortingen niet in de schikkingsovereenkomst d.d. 19 december begrepen zijn en/of indien geconcludeerd moet worden dat van gebondenheid aan die overeenkomst geen sprake (meer) is, dient het hof de hier bedoelde vorderingen van de vrouw te beoordelen. Uit proceseconomische overwegingen zal het hof die beoordeling thans reeds geven.

3.7.4.

Met betrekking tot de rekening van de vennootschap van de man met nummer [rekeningnummer 1] heeft de man onbetwist gesteld dat in zijn vennootschap geen activiteiten meer werden verricht en dat de bedrijfsrekening van de vennootschap niet meer werd gebruikt en dat er om die reden voor gekozen is (een deel van) de facturen van de vrouw te laten uitbetalen op deze rekening. In totaal gaat het om een bedrag van € 3.595,-.

Door de man is niet aangegeven wat er met dit bedrag is gebeurd. Omdat zijn vennootschap slechts een “lege huls” was, is, in het geval (een deel van) het geld niet is gebruikt ten behoeve van de vrouw of voor het doen van huishoudelijke uitgaven, aannemelijk dat het geld ten goede is gekomen aan de man. In zoverre zou de vrouw gelijk kunnen hebben met haar stelling dat de man ten koste van haar ongerechtvaardigd is verrijkt.

De man dient een overzicht te verstrekken van de bankmutaties met betrekking tot de hier bedoelde rekening gedurende de jaren 2012 en 2013. De vrouw zal op dat overzicht kunnen reageren.

3.7.5.

Wat betreft de bedrijfsrekening van de eenmanszaak van de man met nummer [rekeningnummer 2] is, als productie 3 bij de inleidende dagvaarding, een mutatie-overzicht met betrekking tot de jaren 2011 en 2012 in het geding gebracht. Een overzicht van de mutaties in het jaar 2013 ontbreekt echter. De man dient dat overzicht alsnog in het geding te brengen.

Uit het mutatieoverzicht met betrekking tot de jaren 2011 en 2012 blijkt dat per saldo meer van de hier bedoelde bankrekening is afgeschreven dan bijgeschreven. Voor het grootste deel hebben de uitgaven betrekking op huishoudelijke uitgaven. In zoverre kan van een vergoedingsrecht van de vrouw jegens de man geen sprake zijn. Immers: niet gesteld of gebleken is dat partijen een bepaalde verdeling van huishoudelijke kosten waren overeengekomen en dat de man zich niet aan die verdeling zou hebben gehouden. Dat de vrouw mogelijk méér aan de gemeenschappelijke huishouding heeft bijgedragen dan de man is naar het oordeel van het hof op zichzelf niet ongerechtvaardigd, gelet ook op het feit dat de vrouw in de desbetreffende jaren inkomen genoot en de man niet.

3.7.6.

In het mutatie-overzicht van de bedrijfsrekening met nummer [rekeningnummer 2] valt wel op dat een aantal malen bedragen zijn overgeboekt van de bedrijfsrekening naar een privérekening van de man. Naar zijn rekening met nummer [rekeningnummer 3] zijn overgeboekt:

- op 1 februari 2012: € 7.104,07

- op 14 maart 2012: € 2.500,--

- op 27 maart 2012: € 2.500,--

- op 26 april 2012: € 3.500,--.

Naar zijn rekening met nummer [rekeningnummer 4] zijn overgeboekt:

- op 2 mei 2012: € 584,--

- op 27 juli 2012: € 1.500,--

- op 31 oktober 2012: € 250,--

Hiertegenover staat een aantal overboekingen vanaf een privérekening van de man naar de bedrijfsrekening met nummer [rekeningnummer 2] , te weten:

- op 2 maart 2011: € 300,--

- op 12 april 2012: € 6.000,--

- op 12 juni 2012: € 1.230,25.

De man dient een nadere toelichting te geven op de achtergrond van de voormelde overboekingen, voor zover mogelijk voorzien van bewijsstukken.

3.8.1.

Vanaf het moment dat de vrouw als zzp’er in de zorg is gaan werken, heeft de man administratieve werkzaamheden voor haar verricht. Hij heeft een paar maal voor die werkzaamheden bedragen bij de vrouw in rekening gebracht. De vrouw heeft ten bewijze hiervan als productie 11 bij de inleidende dagvaarding een factuur d.d. 2 oktober 2012 in het geding gebracht. Uit die factuur blijkt dat de man aan de vrouw voor “opstellen en verzenden van facturen en urenlijsten en overige boekhoudkundige werkzaamheden tijdvak juli – september 2012” een bedrag van € 1.250,- inclusief btw in rekening heeft gebracht.

In totaal heeft de man voor zijn werkzaamheden € 3.000,- in rekening gebracht, welk bedrag door de vrouw ook aan de man is betaald.

3.8.2.

In de onderhavige procedure stelt de vrouw zich op het standpunt dat partijen waren overeengekomen dat de man haar administratie zou verzorgen en dat de man is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen ingevolge die overeenkomst. Zij vordert een verklaring voor recht op dit punt, alsmede de terugbetaling van het door haar betaalde bedrag van € 3.000,- en de betaling van een bedrag van € 1.724,27 wegens door haar geleden schade als gevolg van de wanprestatie van de man.

De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De grieven 3 en 4 van de vrouw richten zich tegen deze beslissing van de rechtbank.

3.8.3.

Met betrekking tot deze grieven overweegt het hof het volgende.

De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat er alleen al geen plaats is voor terugbetaling van het bedrag van € 3.000,- aangezien de overeenkomst tussen partijen – indien deze al bestaat – niet buitengerechtelijk is ontbonden terwijl evenmin ontbinding in rechte is gevorderd. De rechtbank heeft – eveneens terecht – daarenboven overwogen dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat de man tekort zou zijn geschoten in de nakoming van de door haar gestelde overeenkomst. Het hof overweegt in dit verband het volgende.

Het tekortschieten van de man zou volgens de vrouw allereerst hierin hebben bestaan dat hij ten onrechte bedragen die aan de vrouw toekwamen wegens door haar verrichte werkzaamheden, heeft laten storten op zijn bedrijfsrekeningen. Hieromtrent overweegt het hof dat de vrouw heeft erkend (randnummer 22 conclusie van repliek in conventie/conclusie van antwoord in reconventie) dat zij zelf tenminste een deel van de facturen (met daarop vermeld dat de gefactureerde bedragen op een bedrijfsrekening van de man dienden te worden gestort) heeft ondertekend zodat alleen al daaruit moet worden geconcludeerd dat de gebruikmaking van de bedrijfsrekeningen van de man haar instemming had. Bovendien volgt naar het oordeel van het hof uit het enkele feit dat gebruik is gemaakt van bedrijfsrekeningen van de man nog niet dat de man is tekortgeschoten in de nakoming van de door de vrouw gestelde overeenkomst.

Het tekortschieten van de man zou volgens de vrouw voorts hierin hebben bestaan dat de man na het uiteengaan van partijen ten onrechte haar hele administratie zou hebben meegenomen. De man heeft hieromtrent gesteld dat hij de administratie van de vrouw heeft afgegeven aan de heer [bemiddelaar] met het oog op diens bemiddeling bij de totstandkoming van een schikking tussen partijen. Aanwijzingen voor de juistheid van deze stelling zijn naar het oordeel van het hof te vinden in de e-mailwisselingen met de heer [bemiddelaar] (productie 15 bij de inleidende dagvaarding en productie 3 bij de conclusie van dupliek in conventie/ conclusie van repliek in reconventie). Bovendien heeft de man gesteld dat de volledige administratie voor de vrouw beschikbaar was op haar computer. De vrouw heeft dit niet weersproken zodat het hof ervan uitgaat dat deze stelling van de man juist is. Een en ander betekent naar het oordeel van het hof dat ook de hier bedoelde stelling van de vrouw niet kan gelden als toereikende onderbouwing van de door haar gestelde wanprestatie van de man.

De vrouw heeft ook nog aangevoerd dat de man “administratieve wanorde” heeft doen ontstaan, hetgeen blijkt uit het feit dat de vrouw de jaarstukken 2012 en 2013 opnieuw heeft moeten laten opstellen. De man heeft betwist dat hij zich heeft bemoeid met het opstellen van de jaarstukken 2013. Het hof acht het niet erg voor de hand liggend dat de man de jaarstukken 2013 heeft opgesteld, gelet op het feit dat die stukken moeten zijn opgesteld ruim ná het uiteengaan van partijen. Wat de jaarstukken 2012 betreft zou volgens de vrouw uit productie 13 bij de inleidende dagvaarding blijken dat de man die ondeugdelijk had opgesteld, maar naar het oordeel van het hof valt – zonder een nadere toelichting, die ontbreekt - een dergelijke conclusie niet uit productie 13 te trekken. Dit betekent dat ook deze stelling van de vrouw onvoldoende onderbouwing biedt voor het door de vrouw gestelde tekortschieten van de man.

3.8.4.

De vrouw heeft in hoger beroep de grondslag van haar vordering (het hof begrijpt: tot betaling van respectievelijk € 3.000,- en € 1.724,27) gewijzigd in die zin dat zij die vordering subsidiair grondt op onrechtmatige daad.

Tegen deze wijziging in hoger beroep heeft de man geen bezwaar gemaakt. De wijziging is toelaatbaar.

Naar het oordeel van het hof is de hier bedoelde vordering van de vrouw ook niet toewijsbaar op de subsidiaire grondslag, aangezien, in het licht van hetgeen hiervoor onder 3.8.3 is overwogen, onvoldoende door de vrouw is onderbouwd dat de man onrechtmatig jegens haar zou hebben gehandeld. Andere feiten dat onder 3.8.3 zijn vermeld, heeft de vrouw niet aangevoerd.

3.8.5.

De conclusie uit het voorgaande is dat de grieven 3 en 4 van de vrouw falen.

3.9.1.

De vrouw vordert in de onderhavige procedure tevens dat de man wordt veroordeeld tot afgifte aan haar van een laptop, merk HP. De rechtbank heeft die vordering afgewezen omdat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat de laptop haar privé-eigendom is, dit gelet op het feit dat de aankoopfactuur van de laptop (productie 17 bij de inleidende dagvaarding) op naam is gesteld van de vennootschap van de vrouw, [de vennootschap] .

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen. Haar zesde grief heeft hierop betrekking.

3.9.2.

Deze grief faalt. Niet alleen uit de voormelde aankoopfactuur maar ook uit de eigen stellingen van de vrouw (haar toelichting op grief 6) blijkt dat zij de laptop heeft gekocht “ten behoeve van de vennootschap”. Dit betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat de laptop eigendom is geworden van de vennootschap. Een toereikende onderbouwing dat dit niet zo is en dat de laptop wel degelijk privé-eigendom is, ontbreekt.

Niet gesteld of gebleken is dat de vrouw in de onderhavige procedure namens de vennootschap afgifte van de laptop vordert. Evenmin is gesteld of gebleken dat de vordering ter zake van de laptop aan haar ter incasso is overgedragen.

Het voorgaande betekent dat de beslissing van de rechtbank op dit punt moet worden bekrachtigd.

3.10.

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen ter verkrijging van nadere informatie. In afwachting hiervan zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verwijst de zaak naar de rolzitting van 11 december 2018 voor het nemen van een memorie na tussenarrest aan de zijde van de man, dit met het oog op hetgeen hiervoor onder 3.6.3, 3.7.2, 3.7.4, 3.7.5 en 3.7.6 is overwogen;

bepaalt dat de vrouw vervolgens een antwoordmemorie na tussenarrest zal kunnen nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, L.S. Frakes en J.M.W. Werker en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 november 2018.

griffier rolraadsheer