Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4662

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
15-11-2018
Zaaknummer
200.213.898_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 7:658 BW; is werkgever aansprakelijk voor de gevolgen van een burn-out?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/306
AR-Updates.nl 2018-1285
PS-Updates.nl 2018-0972
JA 2019/12 met annotatie van Kenens, J.L.R.
RAV 2019/17
Jurisprudentie HSE 2019/15
Jurisprudentie HSE 2018/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.213.898/01

arrest van 13 november 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] , België,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. H. Weinans te Roosendaal,

tegen

Stichting [ziekenhuis] Ziekenhuis,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. D. den Heeten te Arnhem,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 februari 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 16 november 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5137156 CV EXPL 16-3216)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de akte van [appellante] van 8 augustus 2017;

  • -

    de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel;

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel appel.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Partijen hebben geen proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg (de comparitie van partijen) overgelegd. Het hof beschikt evenmin over de aantekeningen van de griffier die destijds zijn gemaakt. Wel behoren de brief met producties van 26 september 2016 van [appellante] en de pleitnota van [geïntimeerde] die destijds ter zitting is overgelegd, tot de processtukken.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellante] , geboren op [geboortedatum] 1953, is in augustus 1971 in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) [geïntimeerde] . De laatste functie die [appellante] vervulde, was die van “klinisch chemisch analist” binnen de afdeling Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium.

  2. In september 2010 is [appellante] arbeidsongeschikt geraakt. Tot medio 2011 heeft zij geen werkzaamheden verricht.

  3. Overeenkomstig het plan van aanpak van 26 mei 2011 is [appellante] vervolgens gaan re-integreren: op arbeidstherapeutische basis is zij gestart met werk gedurende 2 uur per dag, 4 dagen per week.

  4. Op 30 augustus 2011 heeft zij dit werk gestaakt. Vanaf deze datum tot 16 januari 2012 is zij opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis.

  5. Na ontslag uit het ziekenhuis is [appellante] gestart met een nabehandelingsprogramma. Zij heeft in deze periode van nabehandeling geen werkzaamheden voor [geïntimeerde] verricht.

  6. Bij beslissing van het UWV van 26 februari 2014 is [appellante] gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard. Na bezwaar door [geïntimeerde] is [appellante] bij besluit van 1 oktober 2014 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt verklaard.

  7. [geïntimeerde] heeft vervolgens aan het UWV toestemming gevraagd voor het ontslag van [appellante] . Met toestemming van het UWV heeft [geïntimeerde] vervolgens de arbeidsovereenkomst met [appellante] opgezegd per 1 september 2015.

  8. Bij brief van 12 mei 2015 heeft [appellante] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor haar arbeidsongeschiktheid. [geïntimeerde] heeft de aansprakelijkheid afgewezen bij brief van 3 november 2015.

3.2.1.

In deze procedure heeft [appellante] de kantonrechter verzocht om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 223.551,27 (deels) vermeerderd met rente en kosten.

Aan deze vordering heeft zij ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] heeft nagelaten zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig was om te voorkomen dat [appellante] in de uitoefening van haar werkzaamheden schade zou lijden.

3.2.2.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.3.

In het tussenvonnis van 24 augustus 2016 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

3.2.4.

In het eindvonnis van 16 november 2016 heeft de kantonrechter de vordering van [appellante] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [appellante] in 2010 is uitgevallen met spanningsklachten die kunnen worden aangeduid als een burn-out. Voor de stelling dat deze klachten door werkomstandigheden bij [geïntimeerde] zijn veroorzaakt, vindt de kantonrechter onvoldoende steun.

3.3.

[appellante] heeft in principaal hoger beroep 18 grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het toewijzen van haar vordering. Haar vordering heeft zij in hoger beroep verminderd tot een bedrag van
€ 100.000,00, vermeerderd met rente en de proceskosten in beide instanties.

3.4.

[geïntimeerde] heeft voorwaardelijk, namelijk voor het geval in principaal hoger beroep één of meer grieven slagen, incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij één grief aangevoerd. De grief richt zich tegen de vaststelling dat sprake zou zijn van een burn-out. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis in eerste aanleg, zo nodig met aanvulling en/of verbetering van gronden.

3.5.

Partijen noch de rechter in eerste aanleg hebben zich uitgelaten over het toepasselijke recht. Het hof begrijpt uit het feit dat partijen in hun stellingen aansluiting zoeken bij het Nederlandse recht, dat zij voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen, hetgeen is toegestaan.

3.6.

Met de grieven is het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voorgelegd. In hoofdlijnen zijn er drie verwijten die [appellante] aan [geïntimeerde] heeft gemaakt. Het hof zal deze per verwijt behandelen. Eerst zal worden beoordeeld in hoeverre [geïntimeerde] een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de omstandigheden waaronder [appellante] haar werk moest verrichten. Vervolgens zal het hof beoordelen in hoeverre [geïntimeerde] haar verplichting voortvloeiende uit artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet heeft geschonden. Tot slot zal het hof ingaan op de verwijten die [appellante] de bedrijfsarts en [geïntimeerde] maakt in het kader van haar re-integratie.

3.7.

Aan haar vordering legt [appellante] overtreding van artikel 7:658 lid 1 BW ten grondslag. Zij stelt dat zij een ernstig burn-out-syndroom heeft opgelopen als gevolg van het feit dat haar werkgever, [geïntimeerde] , tekort is geschoten in de zorgplicht. Het hof zal aan de hand van de door [appellante] aangevoerde omstandigheden beoordelen in hoeverre deze kunnen leiden tot aansprakelijkheid van [geïntimeerde] .

3.7.1.

Volgens [appellante] bestonden haar werkzaamheden voornamelijk uit microscopie. Dit werk is, aldus [appellante] , om twee redenen zeer belastend: er moet langdurig en met grote concentratie gewerkt worden en daarnaast vindt het werk plaats op een drukke werkplek (pagina 2 memorie van grieven). Naar het oordeel van het hof zijn deze twee omstandigheden, op zichzelf beschouwd, niet te kwalificeren als voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden. [appellante] vervulde vanaf 1971, het jaar van haar indiensttreding, reeds de functie van klinisch chemisch analist (ook wel genoemd: laborante). Gesteld noch gebleken is dat deze werkzaamheden voor haar voorafgaande aan 2010 tot gezondheidsproblemen hebben geleid.

3.7.2.

[appellante] stelt verder dat zij in eerdere functioneringsgesprekken heeft gevraagd om meer afwisseling in haar werk, maar dit wordt door [geïntimeerde] betwist en blijkt niet eenduidig uit de door [appellante] overgelegde verslagen. Deze stelling komt dan ook niet in rechte vast te staan.

3.7.3.

[appellante] wijst daarnaast op de werkdruk; deze zou te hoog zijn geworden. [appellante] onderbouwt dit met een verwijzing naar het feit dat zij als ervaren laborante steeds meer bevraagd werd door haar collega’s. [appellante] stelt weliswaar dat zij bij haar werkgever regelmatig heeft geklaagd over de stress die deze werkdruk haar heeft bezorgd maar laat na dit te onderbouwen. [geïntimeerde] wijst daarentegen op de inhoud van het jaarverslag uit december 2009. Daarin is opgenomen dat [appellante] goed gemotiveerd is en met veel voldoening haar werk doet. De “huidige werkplekken bevallen goed”, zo staat in het verslag te lezen. In het verslag wordt geen melding gemaakt van een (te) hoge werkdruk. Evenmin is komen vast te staan dat [appellante] structureel veel overuren maakte. Te hoge werkdruk kan weliswaar ook bestaan zonder dat overuren worden gemaakt, maar het niet structureel overwerken is wel een contra-indicatie voor de gestelde (en gemotiveerd betwiste) te hoge werkdruk. In rechte komt dan ook niet vast te staan dat er sprake was van een te hoge werkdruk of dat [geïntimeerde] op de hoogte was van het feit dat [appellante] op enig moment bij de uitvoering van haar werk te veel druk ervoer.

3.7.4.

Een te hoge werkdruk kan, naar het oordeel van het hof, evenmin worden afgeleid uit het feit dat [appellante] voorafgaande aan haar ziekmelding in september 2010 twee keer is flauwgevallen. Achteraf kan [appellante] wellicht de conclusie trekken dat dit flauwvallen werd veroorzaakt door een opbouwende burn-out maar daarmede is geenszins onderbouwd dat [geïntimeerde] , voor zover zij al bekend was met dit flauwvallen, daaruit had moeten afleiden dat dit te maken had met werkdruk die [appellante] op dat moment te hoog vond. Uit de verklaringen van twee vriendinnen die [appellante] heeft ingebracht kan evenmin worden afgeleid dat zij [geïntimeerde] hieromtrent heeft geïnformeerd.

3.7.5.

Het hof concludeert dat [appellante] onvoldoende onderbouwd heeft dat [geïntimeerde] haar heeft blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke werkomstandigheden. Naar het oordeel van het hof bestond er voor [geïntimeerde] jegens [appellante] geen verplichting om tot een aanpassing van werkomstandigheden over te gaan. [geïntimeerde] kan geen schending van haar zorgplicht jegens [appellante] worden verweten.

3.8.1.

[appellante] verwijt [geïntimeerde] tevens dat laatstgenoemde in strijd met artikel 18 Arbowet heeft gehandeld; [geïntimeerde] heeft haar niet in de gelegenheid gesteld om periodiek een onderzoek te laten verrichten. [appellante] stelt dat de omkeringsregel van toepassing is, al was het alleen al omdat [geïntimeerde] heeft nagelaten het artikel 18 Arbowetsonderzoek periodiek te verrichten.

3.8.2.

[geïntimeerde] betwist de gestelde overtreding. Zij verwijst naar de risico-inventarisatie en –evaluatie en het daarin opgenomen plan van aanpak. Ten behoeve van het opstellen ervan is het verplichte onderzoek gedaan bij de werknemers, aldus [geïntimeerde] .

3.8.3.

Het hof oordeelt hierover als volgt.

Artikel 18 Arbeidsomstandighedenwet bepaalt dat de werkgever de werknemers periodiek in de gelegenheid stelt een onderzoek te ondergaan, dat erop is gericht de risico's die de arbeid voor de gezondheid van de werknemers met zich brengt zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Het onderzoek moet zien op de relatie tussen de te verrichten werkzaamheden en de hieruit voortvloeiende gezondheidstoestand. Ten aanzien van de vraag hoe vaak een dergelijk onderzoek moet plaatsvinden, laat de wetgever zich niet uit. Dit is afhankelijk van de mate waarin de werknemers aan gezondheidsrisico’s bij de uitoefening van het werk worden blootgesteld.

Het hof stelt vast dat [appellante] niet heeft betwist dat destijds bij het opstellen van het plan van aanpak het betreffende onderzoek heeft plaatsgevonden. Gelet hierop lag het op de weg van [appellante] om aan te geven wanneer een hernieuwd onderzoek had moeten plaatsvinden teneinde de gestelde schending te kunnen onderbouwen. De schending komt in rechte niet vast te staan. Ten overvloede merkt het hof op dat het bestaan van causaal verband tussen de gestelde overtreding en de schade door [appellante] niet aannemelijk is gemaakt. [appellante] heeft bij dagvaarding in eerste aanleg (op p. 2) gesteld dat zij vóór 2010 vitaal, actief, energiek was en zonder beperking een veelheid van activiteiten aanpakte. Zou in deze periode een arbeidsgezondheidsonderzoek hebben plaatsgevonden, dan zou [appellante] dus hoogstwaarschijnlijk geen klachten hebben geuit en zou zo’n onderzoek niet hebben geleid tot een verplichting van de werkgever om de arbeidsomstandigheden aan te passen.

3.9.1

[appellante] stelt voorts dat [geïntimeerde] haar in het kader van de re-integratie te snel weer op arbeidstherapeutische basis heeft laten werken met als gevolg dat zij langdurig volledig arbeidsongeschikt is geworden. [appellante] stelt dat de bedrijfsarts een onjuist advies heeft gegeven en dat [geïntimeerde] hiervoor op grond van artikel 6:171 BW aansprakelijk is. De bedrijfsarts had [appellante] niet moeten toestaan om aan het werk te gaan. Als gevolg van het te vroeg starten met re-integreren, is zij volledig uitgevallen. [geïntimeerde] betwist ook deze grondslag.

3.9.2.

Het hof oordeelt als volgt. Bij de beoordeling spelen met name de volgende feiten en omstandigheden een rol.

Uit de overgelegde periodieke evaluaties van de bedrijfsarts blijkt dat hij op 2 december 2010 aangeeft dat hij een langere duur van afwezigheid verwacht en nog geen mogelijkheden tot werk ziet voorafgaande aan het volgende spreekuur in januari 2011. In de evaluatie van 21 april 2011 schrijft de bedrijfsarts dat het nog te vroeg is om te re-integreren en adviseert hij partijen om contact met elkaar te blijven houden. Op 23 mei 2011 belt [appellante] , aldus de evaluatie van die dag, met de bedrijfsarts. Zij deelt mede dat haar leidinggevende heeft gevraagd om 2 uren per dag te komen werken om een nieuwe medewerker in te werken. [appellante] ziet dit zelf als een mogelijkheid maar geeft aan dat haar behandelaars haar terughoudendheid adviseren. Zij vraagt advies van de bedrijfsarts. Deze heeft geen bezwaar, waarna [appellante] start met dit arbeidstherapeutisch werk.

Uit het plan van aanpak van 26 mei 2011 blijkt dat [appellante] weer vaste werkzaamheden (beenmergmorfologie) verricht op een rustige werkplek. Zij heeft dit plan ondertekend. In de evaluatie van 7 juni 2011 geeft [appellante] aan dat zij het werk als prettig ervaart, mits op een rustige plek en zonder druk.

Deze feiten en omstandigheden wijzen geenszins op een fout aan de zijde van de bedrijfsarts. Daarvoor is in ieder geval onvoldoende dat de therapeut van [appellante] het niet verstandig zou hebben gevonden dat [appellante] haar werkzaamheden op zeer beperkte schaal weer op pakte. De bedrijfsarts maakt een eigen professionele afweging en heeft een eigen verantwoordelijkheid. [appellante] heeft niet gesteld, althans onvoldoende onderbouwd dat een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot onder de gegeven omstandigheden dit advies niet had gegeven.

3.10.

[appellante] verwijt [geïntimeerde] dat [appellante] tot een snelle re-integratie is verleid met een “lokkertje”: zij mocht iemand inwerken terwijl dit maar van korte duur was waarna zij vervolgens weer haar eigen werk verrichtte. Naar het oordeel van het hof kan het feit dat [geïntimeerde] aan [appellante] na het inwerken ander werk heeft aangeboden, [geïntimeerde] niet worden verweten. [appellante] heeft hiermee ingestemd en zij heeft dit, zoals blijkt uit de evaluatie van 7 juni 2011, als prettig ervaren. Helaas heeft dit niet geleid tot een succesvolle, verdere re-integratie van [appellante] . In plaats daarvan heeft zij een ernstige terugval gekend. Dat die terugval is veroorzaakt doordat, kort gezegd, [geïntimeerde] haar zorgplicht zou hebben geschonden, is onvoldoende door [appellante] onderbouwd.

3.10.

Zoals hiervoor is overwogen heeft [appellante] in het licht van de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] haar stellingen onvoldoende onderbouwd. Bewijslevering is dan ook niet aan de orde.

3.11.

Nu geen van de aangevoerde grondslagen tot toewijzing van de vordering leidt, behoeven de grieven geen verdere bespreking. Zij slagen niet in die zin dat zij tot een ander dictum zouden leiden. Het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd. [appellante] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal hoger beroep veroordeeld. Het hof komt niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep nu aan de voorwaarde niet is voldaan.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 1.952,00 aan griffierecht en op € 3.161,00 aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Wabeke, J.M.H. Schoenmakers en A.L. Bervoets en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 november 2018.

griffier rolraadsheer