Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4660

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
15-11-2018
Zaaknummer
200.242.843_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:4661
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 8 november 2018

Zaaknummer : 200.242.843/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/331999 / JE RK 18-390

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

en

[de vader] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: de ouders, respectievelijk de moeder en de vader,

advocaat: mr. S.C.H. Poelman,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- Stichting Jeugdbescherming Brabant, de gecertificeerde instelling (hierna te noemen: de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 april 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 juli 2018, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 21 augustus 2018, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de ouders af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. Poelman;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het journaalbericht met bijlagen van de advocaat van de ouders, ingekomen ter griffie op 21 september 2018;

  • -

    het faxbericht met bijlagen van de GI, ingekomen ter griffie op 27 september 2018;

  • -

    het journaalbericht met bijlage van de advocaat van de moeder en de stiefvader, ingekomen ter griffie op 28 september 2018.

2.5.

Gelet op de onderlinge samenhang van onderhavige zaak en de ter griffie onder nummer 200.242.838/01 ingeschreven zaak, heeft het hof deze zaken gelijktijdig behandeld. Het hof heeft in de onder nummer 200.242.838/01 ter griffie ingeschreven zaak bij afzonderlijke beschikking d.d. 8 november 2018 beslist.

3 De beoordeling

3.1.1.

Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

3.1.2.

De minderjarige zoon van de moeder, [de minderjarige halfbroer] (hierna te noemen: [de minderjarige halfbroer] ), geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , verblijft eveneens bij de moeder en de vader.

3.2.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de kinderen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 april 2018 tot 20 april 2019.

3.3.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

Op dit moment is er geen sprake van een dusdanige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De ouders hebben door hun gezondheidstoestand een moeilijke periode gehad en juist in die periode raakte [de minderjarige halfbroer] in de pubertijd. Inmiddels is er weer rust in de thuissituatie doordat de gezondheid van de ouders weer goed is, er geen problemen meer zijn op het werk van de vader en [de minderjarige halfbroer] uit de pubertijd is. Er zijn al geruime tijd geen politiemeldingen meer geweest. De informatie van de scholen van de kinderen en de BSO is positief. Ook uit de medische dossiers blijkt niet van zorgen.

De ouders betwisten dat er zorgen zijn en ook uit het raadsrapport blijkt hier niet van. De ondertoezichtstelling kan niet worden uitgesproken op grond van omstandigheden in het verleden of voor een eventuele mogelijke toekomstige situatie. [de minderjarige halfbroer] heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan een gesprek met de jeugdzorgwerker zodat het de vraag is wat er nog gaat gebeuren in het kader van de ondertoezichtstelling. Mocht [de minderjarige halfbroer] ergens mee zitten, dan zou hij dat aangeven, nu hij dit eerder ook heeft gedaan.

3.5.

De raad voert ter zitting, kort samengevat, het volgende aan. De raad handhaaft het verzoek. Er is sprake van zorgen en doordat de ouders niet met de GI in gesprek gaan en geen informatie verstrekken, is er geen duidelijk zicht op de opvoedsituatie van de kinderen.

3.6.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

De ouders hebben aangegeven dat zij niet willen dat de GI in gesprek gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] omdat de ouders de kinderen erbuiten willen houden en er niet goed wordt omgegaan met de door de ouders verstrekte informatie. De GI heeft in dit kader een schriftelijke aanwijzing naar de ouders gestuurd. Met [de minderjarige halfbroer] heeft de GI telefonisch contact gehad en hij heeft aangegeven nu geen hulp nodig te hebben, hetgeen de GI heeft doen besluiten voor [de minderjarige halfbroer] enkel op de achtergrond aanwezig te zijn. De GI ervaart bij de ouders een zeer grote weerstand tot samenwerking.

Bij de BSO is geen informatie opgevraagd. Tijdens een gesprek met de school van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waarbij de ouders niet zijn verschenen, zijn door de school positieve zaken genoemd, maar ook zorgen over de kinderen geuit. De kinderen zijn op school erg op hun hoede, zij spelen als een soort spion alles door naar de ouders en de vader heeft meerdere klachten ingediend. Voor de GI is het moeilijk om te benoemen waar de concrete ontwikkelingsbedreiging van de kinderen zit.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.7.2.

Het hof is van oordeel dat niet, althans niet in voldoende mate voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW en overweegt daartoe het volgende.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt weliswaar van zorgen ten aanzien van de kinderen alsmede dat sprake is van een gesloten gezin waardoor weinig zicht bestaat op de gezinssituatie, maar niet is gebleken dat de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dermate verontrustend is dat zij zodanig opgroeien dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De ouders hebben onweersproken naar voren gebracht dat de kinderen geliefd zijn in het sportteam en ook de van de school en de BSO afkomstige informatie is positief. Sinds de aanvang van de ondertoezichtstelling is inmiddels behoorlijk wat tijd verstreken en de enige door de GI genoemde zorgpunten, te weten dat de kinderen op school erg op hun hoede zijn, dat zij als een soort spion alles naar de ouders doorspelen en dat de vader meerdere klachten heeft ingediend, zijn onvoldoende voor het aannemen van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. [de minderjarige halfbroer] is bovendien al ruim 17 jaar en ten aanzien van hem onderneemt de GI niets concreets en is enkel op de achtergrond aanwezig.

Nu ten tijde van de zitting in eerste aanleg wel sprake was van ernstige zorgen omtrent de kinderen doordat [de minderjarige halfbroer] had aangegeven niet terug naar huis te willen en er op dat moment te veel onduidelijkheden waren omtrent de gezinssituatie, zal het hof het de bestreden beschikking gedeeltelijk vernietigen en het inleidend verzoek van de raad alsnog afwijzen met ingang van 8 november 2018.

3.8.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 april 2018 voor zo ver die betreft de ondertoezichtstelling vanaf 8 november 2018;

en, in zoverre, opnieuw recht doende:

wijs alsnog af het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling vanaf 8 november 2018;

bekrachtigt de genoemde beschikking voor wat betreft de ondertoezichtstelling over de periode van 20 april 2018 tot 8 november 2018;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, C.N.M. Antens en J.W.P.N. Hermans, bijgestaan door de griffier, en is op 8 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.