Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4658

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
15-11-2018
Zaaknummer
200.242.865_01 en 200.242.865_02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing.

Moeder erkent dat thuisplaatsing minderjarige bij haar geen optie is. Moeder wenst dat machtiging uithuisplaatsing in netwerkpleeggezin ten uitvoer wordt gelegd. De keuze waar minderjarige wordt geplaatst behoort echter tot het beleid van de GI. Hoger beroep afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2019/26.12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 8 november 2018

Zaaknummers : 200.242.865/01 en 200.242.865/02

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/247801 / JE RK 18-560

in de zaak in hoger beroep (/01) en in het incident (/02) van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.W.M. Hendriks,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, vestiging [vestigingsplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

vestiging [vestigingsplaats] ,

de gecertificeerde instelling,

hierna te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 juni 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 juli 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige 1] . Dit hoger beroep is door de griffie geadministreerd onder zaaknummer 200.242.865/01.

Bij V-formulier van 15 augustus 2018, heeft de moeder haar verzoek aangevuld en heeft zij tevens verzocht om schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van voormelde beschikking. Het hof aan dit verzoek zaaknummer 200.242.865/02 verbonden.

2.2.1.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. J.M.C. van Gorkum, waarnemend advocaat voor mr. Hendriks;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

2.2.2.

Het hof heeft ter zitting van 11 oktober 2018 ook het verzoek van de moeder behandeld tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een andere beschikking van de rechtbank inzake de uithuisplaatsing van haar zoon [minderjarige 2] . Dat verzoek is door de griffie geadministreerd onder zaaknummer 200.246.768/02. Het hof heeft op dit verzoek uitspraak gedaan bij afzonderlijke beschikking van 25 oktober 2018.

Het hierna volgende heeft uitsluitend betrekking op het door de moeder ingestelde hoger beroep én haar verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad inzake de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] .

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het procesdossier eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 26 juli 2018;

  • -

    de brief van de GI van 9 augustus 2018;

  • -

    de producties behorende bij het aanvullende verzoek, zoals overgelegd bij V-formulier van 15 augustus 2018 door de advocaat van de moeder;

  • -

    de brief van de raad van 3 oktober 2018 waarin de raad aangeeft niet ter zitting te zullen verschijnen;

  • -

    het V-formulier van 8 oktober 2018 van mr. Hendriks met als bijlage het volledige raadsrapport van 27 maart 2018.

3 De beoordeling

3.1.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [eerste verbroken relatie van de vrouw] is geboren:

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

De heer [eerste verbroken relatie van de vrouw] heeft [minderjarige 1] erkend. De moeder is van rechtswege belast met het gezag over [minderjarige 1] .

3.1.2.

Uit de inmiddels verbroken relatie die de moeder met de heer [tweede verbroken relatie van de vrouw] heeft gehad, is vervolgens op [geboortedatum] 2018 geboren:

- [minderjarige 2] .

3.2.

In het verleden, van 19 september 2012 tot 18 december 2017, heeft [minderjarige 1] onder toezicht gestaan van de GI en is zij meerdere malen uithuisgeplaatst geweest.

[minderjarige 1] verbleef sinds begin 2018 met instemming van de moeder bij haar oma (de moeder van de moeder, hierna: oma).

Vanaf medio maart 2018 is [minderjarige 1] geplaatst in een crisispleeggezin. Op 3 september 2018 is [minderjarige 1] geplaatst in een gezinshuis.

De moeder en [minderjarige 1] hebben eenmaal per week circa drie uur contact met elkaar.

3.3.

Bij beschikking van 16 maart 2018 is [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld tot 16 juni 2018 en heeft de rechtbank een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 6 april 2018.

Bij beschikking van 5 april 2018 heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 16 juni 2018.

3.4.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 16 juni 2018 tot 16 juni 2019. Tevens heeft de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing verleend ten behoeve van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 16 juni 2018 tot 16 maart 2019.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing betreft en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar appelschrift en zoals aangevuld ter zitting van het hof voert zij, kort samengevat, het volgende aan.

De moeder kan nu nog niet zelf voor [minderjarige 1] zorgen. Op termijn kan zij dat wel, mits zij daartoe hulp aangeboden krijgt. [minderjarige 1] moet tot die tijd bij oma verblijven in plaats van in een voorziening voor pleegzorg. Het ging goed bij oma en deze omgeving is vertrouwder voor [minderjarige 1] . Oma was de enige stabiele factor in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 1] is aan oma gehecht. Het nadere onderzoek ten aanzien van [minderjarige 1] kan ook worden gedaan vanuit de woon/verblijfplek van [minderjarige 1] bij oma.

De moeder accepteert alle hulpverlening. Momenteel krijgt zij hulp van Levanto (woonondersteuning/woonbegeleiding), de Horst (traumaverwerking) en Kracht en Zorg (omgang [minderjarige 1] ).

3.6.

De GI heeft ter zitting van het hof het volgende verweer gevoerd.

[minderjarige 1] had een redelijke plek bij oma, maar meer dan dat is niet gelukt. De positie waarin oma stond, was voor haar ingewikkeld en heeft de afgelopen twee jaar veel van haar gevergd. De GI kon één op één goed samenwerken met de moeder, maar in aanwezigheid van oma stagneerde de hulpverlening. Oma wilde voor iedereen zorgen. Dat zij drie rollen tegelijkertijd had (oma van [minderjarige 1] , moeder van moeder, opvoeder van [minderjarige 1] ) vormde hierin een complicerende factor. De GI werkt niet meer aan een plaatsing van [minderjarige 1] bij oma.

De moeder is leerbaar als haar persoonlijke situatie rustig is. De mogelijkheden van de moeder als opvoeder worden binnenkort onderzocht. De GI ziet dat de moeder veel van [minderjarige 1] houdt en dat zij haar best doet.

De GI verwacht dat alle onderzoeksresultaten en het advies over het toekomstperspectief van [minderjarige 1] in december 2018 gereed zullen zijn.

Het hof overweegt het volgende.

Omvang van het geschil

3.7.1.

Het hof heeft ter zitting van 11 oktober 2018 aangekondigd dat in de hoofdzaak en het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring gelijktijdig uitspraak zal worden gedaan. De moeder heeft om deze reden haar incidentele verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring, door het hof geadministreerd onder zaaknummer 200.242.865/02, ter zitting ingetrokken.

Het hof zal de moeder in dit verzoek dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

3.7.2.

Het hoger beroep is niet gericht tegen de ondertoezichtstelling.

De machtiging tot uithuisplaatsing

3.8.1.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.2.

Het hof is van oordeel dat de moeder, gelet op haar persoonlijke problematiek, thans niet in staat is aan [minderjarige 1] de opvoedingsomgeving te bieden die zij nodig heeft. Zowel in haar appelschrift als ter zitting van het hof heeft de moeder aangegeven dat zij inziet dat er op dit moment geen sprake kan zijn van een thuisplaatsing van [minderjarige 1] bij haar. Het appel van de moeder richt zich dan ook niet zozeer tegen de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing op zichzelf, maar tegen de plaats waar de machtiging ten uitvoer wordt gelegd. De moeder wenst dat [minderjarige 1] in het netwerkpleeggezin van oma wordt geplaatst. Er bestaat echter geen wettelijke bepaling die het hof de bevoegdheid geeft te bepalen waar de machtiging tot uithuisplaatsing ten uitvoer zal moeten worden gelegd. De keuze voor de voorziening voor pleegzorg waar de machtiging ten uitvoer wordt gelegd is voorbehouden aan de instantie aan wie de machtiging wordt verleend, in dit geval de gecertificeerde instelling. Het verzoek van de moeder om de minderjarige bij de grootmoeder (terug) te plaatsen zal derhalve reeds om die reden worden afgewezen.

3.8.3.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

Inzake 200.242.865/01

bekrachtigt de bestreden beschikking;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Inzake 200.242.865/02

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, E.L. Schaafsma-Beversluis, A.J.F. Manders en is in het openbaar uitgesproken op 8 november 2018 in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.