Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4655

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
15-11-2018
Zaaknummer
200.242.868_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 8 november 2018

Zaaknummer : 200.242.868/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/247527 JE RK 18-503

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. I.M. van den Heuvel,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ;

hierna te noemen: de moeder;

advocaat: mr. C.L.J.M. Wilhelmus.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Zuidoost Nederland,

Locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 mei 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 juli 2018, heeft de vader het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen en subsidiair de GI te vervangen door het Leger des Heils of een andere gecertificeerde instelling.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 15 augustus 2018, heeft de GI het hof verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, evenals de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden.

2.3.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 21 augustus 2018, heeft de moeder het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de vader af te wijzen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2018.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] in zijn hoedanigheid van gecertificeerd professional;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

2.4.1.

Namens de raad is bij brief van 3 oktober 2018 bericht dat de raad niet ter zitting zal verschijnen.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 8 mei 2018;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 8 oktober 2018;

  • -

    de ter zitting overgelegde pleitnotitie van de advocaat van de vader.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader zijn - voor zover hier van belang - geboren:

  • -

    [de minderjarige 1] (hierna te noemen: [de minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [de minderjarige 2] (hierna te noemen: [de minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.

De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.

3.2.

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] staan sinds 15 mei 2017 onder toezicht van de GI.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengd tot 15 mei 2019 en het verzoek van de vader tot vervanging van de GI afgewezen.

3.4.

De vader kan zich met deze beslissingen niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vader voert in het beroepschrift - kort samengevat - het volgende aan.

De rechtbank miskent dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling te laat is ingediend en niet deugdelijk is gemotiveerd. Verder is de aan de ondertoezichtstelling ten grondslag liggende rapportage van de GI vaag, in algemene termen gesteld en bestaat deze voor een groot deel uit herhalingen uit oude rapportages.

Daarnaast is de kern van de overwegingen van de rechtbank, te weten “dat het een feit van algemene bekendheid is dat kinderen door een vechtscheiding bedreigd worden in hun sociaal-emotionele ontwikkeling, zelf- en toekomstbeeld”, in strijd met het recht. De ouders maken de kinderen geen partij of deelgenoot van onderlinge meningsverschillen en van een - door de rechtbank veronderstelde - vechtscheiding is geen sprake.

Verder heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling verlengd om de omgang af te dwingen terwijl dit slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk is, aldus de vader.

Tot slot stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot vervanging van de GI heeft afgewezen.

3.5.1.

Ter zitting heeft de vader daaraan - kort samengevat - het volgende toegevoegd.

De gecertificeerde professional neemt een negatieve houding tegenover de vader in, zoals onder meer blijkt uit de brief van 28 september 2018 van de GI aan hem.

Verder zijn vraagtekens te plaatsen bij de niet-ondertekende berichtgeving over de kindercoaching van Stichting Yvoor. Uit deze berichtgeving blijkt niet dat de kinderen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder belastende omstandigheden opgroeien en hun ontwikkeling ernstig bedreigd wordt.

Anders dan de GI in de schriftelijke aanwijzing verwoordt, is de school positief over de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Ook bestaat er geen rapportage van de raad waaruit volgt dat de kinderen onder belastende omstandigheden opgroeien en in hun ontwikkeling ernstig bedreigd worden.

De gecertificeerde professional schaart zich achter de wensen en ideeën van de moeder. Van de kant van de GI worden er voorts suggestieve beschuldigingen in de richting van de vader geuit.

Er zijn weliswaar spanningen tussen de ouders, maar er is geen sprake van een vechtscheiding waarbij de ouders meningsverschillen uitvechten in het bijzijn van de kinderen. Dit gebeurt niet aangezien er tussen de ouders geen enkele communicatie is, aldus de vader.

3.6.

De GI heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.7.

De moeder voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.

Er is geen sprake van te laat ingediende verzoeken van de kant van de GI dan wel van een overhaaste behandeling door de rechtbank, zoals de vader stelt.

Er is sprake van een instabiele opvoedsituatie. Hulpverlening (die in het vrijwillige kader niet van de grond komt) is derhalve noodzakelijk.

De enkele niet nader onderbouwde stelling van de vader dat de ouders de kinderen geen partij of deelgenoot van onderlinge meningsverschillen maken, is niet voldoende en is ook volledig in tegenspraak met de feitelijke situatie.

Het is niet zo dat de ondertoezichtstelling is verlengd om de omgang af te dwingen, zoals de vader betoogt. Er is namelijk sprake van een omgangsregeling en de vader ziet de kinderen op regelmatige basis.

De rechtbank heeft terecht het verzoek tot vervanging van de GI afgewezen. De neutraliteit van de GI is namelijk niet in het geding en een wisseling van de GI is niet in het belang van de kinderen, aldus de moeder.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

Schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad

3.8.1.

In de kop van het voornoemde beroepschrift is opgenomen dat het hoger beroep tevens een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad inhoudt. In het petitum is evenwel geen concreet verzoek daartoe geformuleerd. Evenmin zijn er in het lichaam van het beroepschrift gronden in dit kader aangevoerd. Derhalve is geen verzoek aan het hof voorgelegd waarop dient te worden beslist.

De ondertoezichtstelling

3.8.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.8.3.

Op grond van artikel 1:260 BW kan de rechter, mits aan de grond bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.8.4.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de hiervoor vermelde wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW. Van een te laat ingediend en onvoldoende gemotiveerd inleidend verzoek is niet gebleken, nog afgezien van het feit dat dit, zo daarvan al sprake zou zijn, aan voormeld oordeel niet afdoet.

In aanvulling op hetgeen de rechtbank aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd, overweegt het hof nog het volgende.

3.8.5.

Het hof is van oordeel dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bestaan uit de toenemende zorgen over hun emotionele veiligheid en hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Anders dan de vader stelt, blijkt voldoende uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de kinderen al geruime tijd (sinds 2014) getuige zijn van spanningen en escalaties tussen de ouders.

De ruzies en conflicten tussen de ouders lijken in de tijd zelfs in hevigheid toe te nemen, waarbij de ouders bovendien bij enkele escalaties de politie hebben ingeschakeld.

De ouders zijn onvoldoende in staat gebleken om samen te werken, te overleggen en afspraken te maken ten aanzien van de kinderen en om zich aan de gemaakte afspraken te houden, hetgeen voor veel onduidelijkheid, onvoorspelbaarheid en instabiliteit voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zorgt.

Bij conflicten en spanningen in de opvoedingssituatie kan [de minderjarige 1] angstig en teruggetrokken reageren. De blootstelling aan de ouderlijke strijd is schadelijk voor haar ontwikkeling. Beide kinderen lopen een grote kans op het ontwikkelen van een negatief angstig zelfbeeld omdat zij opgroeien in een belastende en onveilige situatie.

Daarbij komt dat de kinderen klem zitten tussen de ouders en hierdoor kampen met een ernstig loyaliteitsconflict. Gelet op deze ontwikkelingsbedreigingen is hulpverlening noodzakelijk.

3.8.6.

In de afgelopen jaren zijn er in het vrijwillig kader geen mogelijkheden gebleken om de ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen weg te nemen.

Hoewel de GI herhaaldelijk de vader heeft benaderd om op huisbezoek te mogen komen, hield de vader dit af en gaf hij voortdurend aan niet te willen samenwerken met de GI.

Ook heeft de vader zijn medewerking aan de hulpverlening vanuit Stichting Yvoor (een zorgaanbieder die expliciet gespecialiseerd is in vechtscheidingen) onlangs opgezegd. Dit terwijl in de gezamenlijke “het team rond de jeugdige” (TRJ)-besprekingen die door de GI met de ouders en Stichting Yvoor zijn georganiseerd, beide ouders zich hebben gecommitteerd aan de voorwaarden van Stichting Yvoor om de-escalering na te gaan streven in deze complexe scheiding.

Daarbij komt dat de vader, zo volgt uit de stukken maar ook uit hetgeen ter zitting van het hof naar voren is gekomen, niet open staat voor hulpverlening die afwijkt van zijn visie ten aanzien van de bestaande problematiek.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat de ouders niet zonder verplichte hulp binnen een aanvaardbare termijn weer in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te dragen op een wijze die de ernstige bedreiging zal afwenden.

3.8.7.

Gebleken is dat er sprake is van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waarbij de vader en de kinderen elkaar regelmatig zien. Partijen regelen, in onderling overleg, het halen en brengen van de kinderen. Deze ondertoezichtstelling is niet gericht op de totstandkoming van omgang, want die is er al. Niet ter discussie staat dat er contact tussen de kinderen en de beide ouders dient te blijven.

3.8.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking wat de verlenging van de ondertoezichtstelling betreft, dient te worden bekrachtigd.

Vervanging van de GI

3.9.

Op grond van artikel 1:259 BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, de raad voor de kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder. Op grond van artikel 807 Rv staat tegen een beschikking ingevolge artikel 1:259 BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.

Dit betekent dat de vader in zijn subsidiaire verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.10.

Ter zitting van het hof is gebleken dat er geen enkele communicatie tussen de ouders plaatsvindt. Waar de moeder de noodzaak voor een ondertoezichtstelling onderschrijft en steun ondervindt vanuit de GI in dit kader, stelt de vader dat hij geen hulp nodig heeft.

Zijn voorstel is om de communicatie tussen de ouders tot een minimum te beperken en onderling duidelijke afspraken te maken. Het hof heeft ter zitting met partijen de optie besproken om door middel van de zogenoemde schottenaanpak, waarbij de ouders kort gezegd gedurende een langere periode geen enkel contact met elkaar hebben en alle communicatie via de GI verloopt, rust te creëren voor de kinderen en de ouders. Dit stelt de ouders in staat om de gezamenlijke doelen (om als ouders van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met wederzijds respect contact te kunnen hebben over hen) uiteindelijk te realiseren.

Nu de vader, anders dan de moeder, hier niet voor openstaat omdat hij de (verlenging van de) ondertoezichtstelling niet wenselijk acht, heeft de door het hof voorgestelde aanpak geen vervolg gekregen. Van de kant van de GI is overigens wel aangegeven dat deze de betekenis van de door het hof voorgestelde schottenaanpak voor de ouders in deze zaak onderkent.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep de GI te vervangen;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 mei 2018 voor het overige;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, C.A.R.M. van Leuven en P.M.M. Mostermans en is op 8 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.