Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4634

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-11-2018
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
17/00805
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:7275, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6:20, lid 3 van de Awb. De Rechtbank had het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk moeten verklaren, omdat er alsnog uitspraak op bezwaar is gedaan.

Aangezien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, is de Heffingsambtenaar geen dwangsom verschuldigd (artikel 4:17, zesde lid, onderdeel c, van de Awb).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:20
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-01-2019
V-N Vandaag 2019/170
FutD 2019-0240
NLF 2019/0419 met annotatie van Sara Verkaik
V-N 2019/11.27.7
NTFR 2019/730
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00805

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende]

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 9 november 2017, nummer BRE 17/1498, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,

hierna: Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna te vermelden naheffingsaanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer 1] met dagtekening 3 juni 2016 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 2,10 parkeerbelasting en € 60 kosten (hierna: de naheffingsaanslag).

1.2.

Met dagtekening 7 september 2016 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend.

1.3.

Op 6 oktober 2016 heeft de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslag ambtshalve vernietigd.

1.4.

Met dagtekening 2 januari 2017 heeft belanghebbende een schriftelijke ingebrekestelling (hierna: de ingebrekestelling) verzonden vanwege het uitblijven van een uitspraak op bezwaar.

1.5.

Met dagtekening 27 februari 2017 heeft belanghebbende een beroepschrift ingediend bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

1.6.

De Heffingsambtenaar heeft op 20 maart 2017 een verweerschrift bij de Rechtbank ingediend en op 21 maart 2017 alsnog uitspraak op bezwaar gedaan. Daarin heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en vervolgens ambtshalve beoordeeld en afgewezen.

1.7.

Bij brief van 22 maart 2017 heeft belanghebbende meegedeeld het beroep te handhaven.

1.8.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.9.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124.

De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.10.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 11 oktober 2018 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord, namens de Heffingsambtenaar, [A] . Belanghebbende noch haar gemachtigde is, met voorafgaande kennisgeving aan het Hof, verschenen.

1.11.

De Heffingsambtenaar heeft ter zitting een pleitnota met bijlagen (schermprints Yellowbrick, bekend uit dossier) voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof.

1.12.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft haar auto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) op 3 juni 2016 geparkeerd aan de Oude Vest te Breda zonder aanmelding voor betaald parkeren of een geldig parkeerkaartje voor de voorruit. Ter zake hiervan is de naheffingsaanslag opgelegd.

2.2.

De auto staat in het kentekenregister op naam van [B] B.V. (hierna ook: de B.V.) geregistreerd. De naheffingsaanslag is opgelegd aan de B.V. De vader van belanghebbende is de enig aandeelhouder van deze vennootschap.

2.3.

Met dagtekening 6 juli 2016 is een duplicaat van de naheffingsaanslag verzonden naar het vestigingsadres van de B.V., [adres] 67a te [plaats] .

2.4.

Met dagtekening 8 augustus 2016 is een aanmaning met betrekking tot de naheffingsaanslag verzonden naar datzelfde adres.

2.5.

Op 17 augustus 2016 heeft belanghebbende de naheffingsaanslag inclusief aanmaningskosten van € 7 betaald.

2.6.

Met dagtekening 7 september 2016 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend, geadresseerd aan de Heffingsambtenaar van de gemeente Breda, per adres Cannock Chase Public te Druten (Postbus 103, 6650 AC Druten). Op het bezwaarschrift staat als aanslagnummer [aanslagnummer 2] vermeld. Als belanghebbende wordt [C] genoemd. In de bijlage bij het bezwaarschrift is een kopie van de duplicaat naheffingsaanslag opgenomen. Belanghebbende verzoekt om telefonisch gehoord te worden en verzoekt om een vergoeding op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2.7.

Op 3 oktober 2016 heeft een medewerker van Cannock Chase Public het bezwaarschrift per e-mail doorgestuurd naar een medewerker van de gemeente Breda en belanghebbende van de doorzending per e‑mail op de hoogte gesteld. Op diezelfde dag wordt door een medewerker van het Parkeerbedrijf van de gemeente Breda besloten de naheffingsaanslag te vernietigen.

2.8.

Op 6 oktober 2016 is een bedrag van € 69,10 (het bedrag van de naheffingsaanslag inclusief aanmaningskosten) teruggestort op de rekening van belanghebbende.

2.9.

Met dagtekening 2 januari 2017 heeft belanghebbende de ingebrekestelling verzonden vanwege het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. De ingebrekestelling is verzonden aan de Heffingsambtenaar van de gemeente Breda, per adres Cannock Chase Public te Druten (Postbus 103, 6650 AC Druten). Bij de ingebrekestelling is een kopie van het bezwaarschrift meegezonden.

2.10

In de uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, aangezien het niet tijdig is ingediend en in het bezwaarschrift geen enkele reden wordt aangedragen voor een verschoonbare termijnoverschrijding.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Had de Rechtbank het beroep dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk moeten verklaren?

  2. Is het bezwaar van belanghebbende terecht kennelijk niet‑ontvankelijk verklaard?

  3. Heeft belanghebbende recht op een dwangsom ex artikel 4:17 van de Awb?

Belanghebbende is van mening dat de eerste en derde vraag bevestigend moeten worden beantwoord en de tweede ontkennend. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Heffingsambtenaar en vaststelling van de door de Heffingsambtenaar verbeurde dwangsom. De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag 1 Beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit

4.1.

Belanghebbende stelt dat aangezien de Heffingsambtenaar alsnog uitspraak op bezwaar heeft gedaan, hij geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. De Rechtbank had het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moeten verklaren.

4.2.

De Heffingsambtenaar heeft zich, in tegenstelling tot zijn standpunt in het verweerschrift, nader op het standpunt gesteld dat de Rechtbank mocht volstaan met een beoordeling van de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft geen belang, behoudens ten aanzien van een proceskostenvergoeding, om dit punt in hoger beroep aan de orde te stellen.

4.3.

Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Aangezien de Heffingsambtenaar alsnog uitspraak op bezwaar heeft gedaan, wordt het beroep van rechtswege aangemerkt als een beroep tegen de (alsnog) gedane uitspraak. Het procesbelang bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is vervallen, omdat uitspraak op bezwaar is gedaan. De Rechtbank had het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren en de Heffingsambtenaar moeten veroordelen in de kosten die belanghebbende voor het indienen van het beroepschrift heeft moeten maken.

Vraag 2 Ontvankelijkheid

4.4.

Belanghebbende stelt in zijn beroepschrift dat de Heffingsambtenaar het bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende is ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld, in een hoorgesprek, de oorzaken van de termijnoverschrijding toe te lichten om na te gaan of sprake is van een verschoonbaar verzuim.

4.5.

Het Hof is van oordeel dat het bezwaar van belanghebbende terecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Met dagtekening 3 juni 2016 is de naheffingsaanslag opgelegd. De uiterlijke termijn voor het maken van bezwaar is 18 juli 2016. Op deze termijn wordt slechts een uitzondering gemaakt indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Belanghebbende heeft niet betwist dat zij de (duplicaat) naheffingsaanslag heeft ontvangen. Daarnaast volgt uit de betaling door belanghebbende, zie onder 2.5. hiervoor, dat zij in ieder geval op 17 augustus 2016 op de hoogte was van de naheffingsaanslag. Aangezien belanghebbende pas op 7 september 2016 het bezwaarschrift heeft ingediend, heeft zij niet zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kon worden verwacht bezwaar gemaakt.

4.6.

De Heffingsambtenaar heeft de hoorplicht niet geschonden, omdat het bezwaar van belanghebbende kennelijk niet-ontvankelijk is (artikel 7:3, aanhef en onderdeel a, van de Awb).

4.7.

Omdat de Rechtbank deze beroepsgrond niet heeft behandeld, ziet het Hof aanleiding te bepalen dat het griffierecht in hoger beroep wordt vergoed.

Vraag 3 Dwangsom

4.8.

Aangezien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, is de Heffingsambtenaar op grond van artikel 4:17, zesde lid, onderdeel c, van de Awb geen dwangsom verschuldigd. Aan de vraag of de ingebrekestelling voldoende duidelijk was, komt het Hof daarom niet toe.

Slotsom

4.9.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10.

Gelet op het feit dat het hoger beroep uitsluitend gegrond is omdat de Rechtbank heeft nagelaten het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk te verklaren, en de Rechtbank een beroepsgrond onbesproken heeft gelaten, is het Hof van oordeel dat redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het ter zake van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht wordt vergoed door de griffier.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11.

Aangezien het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.12.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de behandeling van het beroep bij de Rechtbank op 1 (punt) x € 501 (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak) is € 250,50; en voor de behandeling van het hoger beroep bij het Hof op 1 (punt) x € 501 (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak), is € 250,50, derhalve op in totaal € 501.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, voor zover de Rechtbank heeft nagelaten te beslissen op het door belanghebbende ingestelde beroep tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar,

  • -

    verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep in zoverre niet-ontvankelijk,

  • -

    gelast dat de griffier aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 124 vergoedt, en

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 501.

Aldus gedaan op 9 november 2018 door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, T.A. Gladpootjes en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van S.C. Koenders, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.