Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4618

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
200.230.634_01 en 200.239.385_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bewind

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

Uitspraak: 8 november 2018

Zaaknummers: 200.230.634/01 en 200.239.385/01

Zaaknummers eerste aanleg: 5987878 BM VERZ 17-2649, 5987902 MS VERZ 17-403

en 6576276

in de zaak in hoger beroep met nummer 200.230.634/01 van:

[appellante (200.230.634_01)] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.H.I. Degens.

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

- [belanghebbende 1 (200.230.634_01)] (de huidige bewindvoerder en mentor),

advocaat: mr. S.X.J. Zuidema;

- mevrouw [belanghebbende 2 (200.230.634_01)] ,

advocaat: mr. R.H.I. Degens;

- de heer [belanghebbende 3 (200.230.634_01)] ,

advocaat: mr. R.H.I. Degens;

- de heer [belanghebbende 4 (200.230.634_01)] ,

advocaat: mr. R.H.I. Degens;

- mevrouw [belanghebbende 5 (200.230.634_01)] ,

advocaat: voorheen mr. E.J.A. Roeleven, thans: zonder advocaat,

en in de zaak in hoger beroep met nummer 200.239.385/01 van:

[appellante (200.239.385_01)] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.H.I. Degens.

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

- [belanghebbende 1 (200.239.385_01)] (de huidige bewindvoerder en mentor),

advocaat: mr. S.X.J. Zuidema;

- mevrouw [belanghebbende 2 (200.239.385_01)] ,

advocaat: mr. R.H.I. Degens;

- de heer [belanghebbende 3 (200.239.385_01)] ,

advocaat: mr. R.H.I. Degens;

- de heer [belanghebbende 4 (200.239.385_01)] ,

advocaat: mr. R.H.I. Degens;

- mevrouw [belanghebbende 5 (200.239.385_01)] ,

advocaat: voorheen mr. E.J.A. Roeleven, thans: zonder advocaat.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 oktober 2017 en naar de beschikking van die rechtbank van 5 maart 2018.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met nummer 200.230.634/01:

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 januari 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking van 4 oktober 2017 te vernietigen en het verzoek van de belanghebbende [belanghebbende 2 (200.230.634_01)] tot vervanging dan wel wijziging van de bewindvoerder (en mentor, naar het hof begrijpt, gelet op het lichaam van het beroepschrift) toe te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 februari 2018, heeft [belanghebbende 1 (200.230.634_01)] verzocht het verzoek tot wijziging van bewindvoerder- en mentorschap af te wijzen, met veroordeling van de belanghebbende mevrouw [belanghebbende 2 (200.230.634_01)] , althans mr. Degens, in de kosten van deze procedure.

In de zaak met nummer 200.239.385/01:

2.3.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 mei 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking van 5 maart 2018 te vernietigen en het verzoek van [belanghebbende 1 (200.239.385_01)] tot machtiging voor het aantrekken van een advocaat voor bijstand van de moeder in de procedure met zaaknummer 200.230.634/01 en tot machtiging voor het intrekken van het beroep in eerder genoemde procedure af te wijzen en [belanghebbende 1 (200.239.385_01)] te veroordelen in de proceskosten.

2.4.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 juli 2018, heeft [belanghebbende 1 (200.239.385_01)] verzocht het beroep van de moeder af te wijzen.

In beide zaken:

2.5.

De mondelinge behandeling heeft in beide zaken gelijktijdig plaatsgevonden op

27 september 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Degens;

- [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] , vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van belanghebbende 1] en bijgestaan door mr. Zuidema;

- mevrouw [belanghebbende 2 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] , bijgestaan door mr. Degens;

- namens de heer [belanghebbende 3 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] en namens de heer [belanghebbende 4 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] mr. Degens.

De heer [belanghebbende 3 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] , de heer [belanghebbende 4 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] en mevrouw [belanghebbende 5 (200.230.634_01 en 200.166.742_01)] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

[belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] heeft het hof bij brief van 17 september 2018 verzocht de moeder afzonderlijk buiten aanwezigheid van haar advocaat en overige derden te horen.

De advocaat van de moeder heeft hiertegen bij brief van 17 september 2018 bezwaar gemaakt.

Nu de moeder bezwaar heeft tegen een afzonderlijk verhoor, heeft het hof alleen al om die reden het verzoek van [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] afgewezen.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlage van mr. E.J.A. Roeleven d.d. 1 maart 2018;

- het V-formulier met bijlagen van mr. Degens van 1 mei 2018;

- het V-formulier met bijlagen van mr. Degens van 15 september 2018.

3 De beoordeling

In de zaak met nummer 200.230.634/01 en in de zaak met nummer 200.239.385/01:

3.1.

De moeder heeft vier kinderen. Zij verblijft sinds april 2017 in het verpleeghuis Lenculenhof te [verblijfplaats] .

3.2.

Bij beschikking van 19 december 2014 heeft de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, met ingang van 1 januari 2015 over de goederen die de moeder toebehoren of zullen toebehoren een bewind ingesteld en tevens ten behoeve van de moeder een mentorschap ingesteld, met benoeming van [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] tot bewindvoerder en mentor.

In de zaak met nummer 200.230.634/01:

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, de verzoeken van mevrouw [belanghebbende 2 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] tot ontslag van [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] en tot gelijktijdige benoeming van een opvolgend bewindvoerder en mentor afgewezen.

3.4.

De moeder kan zich met deze beschikking niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

In de zaak met nummer 200.239.385/01:

3.5.

Bij brief van 8 januari 2018, ingekomen bij de kantonrechter op 11 januari 2018, heeft [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] de rechtbank verzocht om haar een machtiging te verlenen voor het aantrekken van een advocaat om de moeder bij te staan in de hoger beroepsprocedure met nummer 200.230.634/01 en voor het intrekken van dit hoger beroep.

3.6.

Bij bestreden beschikking van 5 maart 2018 heeft de kantonrechter de verzochte machtigingen verleend.

3.7.

Bij brief van 16 maart 2018 heeft [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] het door de moeder ingestelde hoger beroep met nummer 200.230.634/01 ingetrokken.

3.8.

De moeder kan zich niet verenigen met de onder 3.6. vermelde beschikking van

5 maart 2018 en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.9.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De moeder had al een advocaat, namelijk mr. Degens. Zij is niet handelingsonbekwaam, in staat haar wil te bepalen en heeft deze advocaat zelf gekozen. De door haar aangespannen procedure in hoger beroep was gericht tegen [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] . Indien de moeder dezelfde advocaat zou krijgen als [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] zou er sprake zijn van tegenstrijdige belangen.

Doordat aan [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] een machtiging is verleend om in een procedure tegen zichzelf het hoger beroep in te trekken, zou de moeder geen mogelijkheid meer hebben om de beschikking van de kantonrechter van 4 oktober 2017 in rechte te bestrijden. Dit is in strijd met artikel 6 EVRM. Ook het recht van hoor en wederhoor is in eerste aanleg geschonden.

3.10.

[belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De moeder is dementerend en niet handelingsbekwaam. De onderhavige procedures belasten haar alleen maar. De moeder wil geen andere bewindvoerder en mentor.

Van conflicterende belangen is geen sprake. [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] beschermt de moeder.

3.11.

Met de moeder is het hof van oordeel dat er geen grond was om een machtiging te verlenen voor het aantrekken van een advocaat voor de moeder, aangezien de moeder al werd bijgestaan door een advocaat van haar keuze. Het hof overweegt voorts dat toevoeging aan de moeder van de advocaat die ook [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] bijstaat, onder de gegeven omstandigheden in strijd zou zijn met het belang van de moeder.

Het hof is ten slotte met de moeder van oordeel dat door het verlenen van een machtiging aan de bewindvoerder om het hoger beroep in te trekken, in het onderhavige geval onder meer het recht van de moeder op toegang tot de rechter als gewaarborgd in artikel 6 EVRM wordt geschonden. Gelet op deze oordelen behoeft hetgeen de moeder overigens heeft aangevoerd geen bespreking.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking van de rechtbank Limburg van

5 maart 2018 vernietigen en het inleidend verzoek van [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] afwijzen. Dit brengt mee dat het hof voorbijgaat aan de intrekking door [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] van het door de moeder ingestelde hoger beroep in de zaak met nummer 200.230.634/01.

3.12.

Gelet op de aard van de procedure zal het hof de proceskosten compenseren. Het verzoek van de moeder om [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] in de proceskosten te veroordelen zal worden afgewezen.

In de zaak met nummer 200.230.634/01:

3.13.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte het verzoek om een andere bewindvoerder en mentor te benoemen afgewezen. De moeder heeft een intrinsieke wens tot vervanging van de huidige bewindvoerder en mentor. Bij de moeder is slechts sprake van geheugenklachten op basis van lichte dementie. Zij is wel degelijk in staat haar wil te bepalen.

[belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] heeft haar taken als bewindvoerder en mentor verzaakt, onder meer bij de verhuizing van de moeder in april 2017 en bij het aanvragen van een ID-kaart voor de moeder. De moeder heeft nooit zakgeld ontvangen van [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] Ook aan aandacht voor de verzorging en behandeling van de moeder schoot het tekort.

De moeder heeft geen vertrouwen meer in [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] .

3.14.

[belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De moeder kan haar wil niet zelf bepalen. Zij weet niet wat de taken van een bewindvoerder en mentor zijn. Er kan dan ook geen sprake zijn van een intrinsieke wens van de moeder om hoger beroep in te stellen.

De aangevoerde klachten tegen [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] zijn onbegrijpelijk en ongegrond.

3.15.

Mevrouw [belanghebbende 2 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] heeft ter zitting verklaard dat zij zorgen heeft over de behandeling van de moeder in het verpleeghuis. Zij heeft geen vertrouwen meer in de huidige bewindvoerder en mentor. Zij wil zelf tot mentor over de betrokkene worden benoemd, maar kan er mee leven wanneer een professionele mentor wordt benoemd.

3.16.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.16.1.

Ingevolge artikel 1:448 lid 1 aanhef en sub e en lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de bewindvoerder door de kantonrechter ontslag worden verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van de medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid BW, dan wel ambtshalve.

3.16.2.

Ingevolge artikel 1:461 lid 1 aanhef en sub e en lid 2 BW kan de mentor door de kantonrechter ontslag worden verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om mentor te kunnen worden, zulks op verzoek van de medementor of degene die gerechtigd is mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 1:451, eerste en tweede lid BW, dan wel ambtshalve.

3.16.3.

Ingevolge artikel 1:435 lid 3 BW respectievelijk artikel 1:452 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder en de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende / de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

Lid 4 van artikel 1:435 BW respectievelijk lid 4 van artikel 1:452 BW bepaalt dat, indien de rechthebbende / de betrokkene gehuwd is, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel andere levensgezel tot bewindvoerder respectievelijk mentor wordt benoemd, tenzij lid 3 van toepassing is.

Is het vorige niet van toepassing dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder respectievelijk mentor benoemd.

3.16.4.

Het hof stelt voorop dat bij onderbewindstelling en mentorschap de rechthebbende / de betrokkene niet handelingsonbekwaam is. Daaruit volgt dat de procesbevoegdheid van de moeder in de onderhavige procedure in beginsel wordt verondersteld. Mr. Degens heeft verklaard en dit blijkt ook uit de schriftelijke verklaring van de moeder van 1 december 2017 dat de moeder ermee akkoord is dat mr. Degens optreedt als haar advocaat. Mr. Degens heeft verder verklaard dat de moeder in staat is haar wil te bepalen en dat zij de intrinsieke wens heeft dat een andere bewindvoerder en mentor benoemd wordt. Dit laatste heeft de moeder ten overstaan van het hof herhaald. Het is het hof ter zitting uit eigen waarneming voldoende gebleken dat de moeder nog enigermate in staat is haar wil te bepalen en haar voorkeur uit te spreken ten aanzien van de persoon van de bewindvoerder en mentor. In het licht daarvan gaat het hof voorbij aan het betoog van [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] dat de moeder niet in haar hoger beroep kan worden ontvangen, althans dat haar verzoek moet worden afgewezen.

3.16.5.

Uit de stukken en het besprokene ter zitting is duidelijk geworden dat de relatie tussen de moeder en [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] ernstig verstoord is. De moeder heeft verklaard geen vertrouwen meer te hebben in [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] . Ook de verstandhouding tussen mevrouw [belanghebbende 2 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] , die veel contact heeft met de moeder en nauw bij haar verzorging is betrokken, en [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] is slecht.

Het hof acht de ontstane situatie onwerkbaar en niet in het belang van de moeder. Het hof is van oordeel dat er onder deze omstandigheden sprake is van gewichtige redenen om [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] te ontslaan als bewindvoerder en mentor.

3.16.6.

Het hof houdt bij de benoeming van een opvolgend bewindvoerder rekening met de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende en zal [opvolgend bewindvoerder] tot opvolgend bewindvoerder benoemen. Het hof zal [opvolgend bewindvoerder] tevens tot opvolgend mentor benoemen. [opvolgend bewindvoerder] heeft zich tegenover het hof schriftelijk bereid verklaard als bewindvoerder en mentor ten behoeve van de moeder te fungeren.

Het hof is van oordeel dat er voldoende zwaarwegende gronden aanwezig zijn om van de uitdrukkelijke voorkeur van de moeder en van de wettelijke voorkeur af te wijken en een professionele mentor te benoemen voor de behartiging van de niet-vermogensrechtelijke belangen van de moeder. Het hof acht, gelet op de onderlinge familieverhoudingen, een situatie waarin mevrouw [belanghebbende 2 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] , een kind van de moeder, deze belangen zou behartigen, onwenselijk.

3.17.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking van de rechtbank van

4 oktober 2017 vernietigen.

3.18.

Gelet op de aard van de procedure zal het hof de proceskosten compenseren.

Het verzoek van [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] mevrouw [belanghebbende 2 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] , althans mr. Degens, in de proceskosten te veroordelen zal worden afgewezen.

3.19.

Het hof zal hierna voorts bepalen dat een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de griffier van de rechtbank Limburg in verband met aantekening in het Openbaar Centraal Curatele- en Bewindregister.

4 De beslissing

Het hof:

in de zaak met 200.239.385/01 :

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 5 maart 2018,

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het inleidend verzoek van [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] ;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte;

in de zaak met 200.230.634/01:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht,

van 4 oktober 2017,

en opnieuw rechtdoende:

verleent met ingang van 1 december 2018 aan [belanghebbende 1 (200.230.634_01 en 200.239.385_01)] ontslag als bewindvoerder over de goederen van [appellante (200.230.634_01)] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1933, wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] kamer [kamernummer] , en ontslag als mentor ten behoeve van [appellante (200.230.634_01)] voornoemd;

benoemt met ingang van 1 december 2018 [bewindvoerder] , postbus [postbus] ,

[postcode] [kantoorplaats] , tot opvolgend bewindvoerder en mentor;

bepaalt dat de (voormalig) bewindvoerder binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de opvolgend bewindvoerder en een - zo mogelijk door hen voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Limburg overlegt;

bepaalt dat de opvolgend bewindvoerder binnen drie maanden na aanvang van het bewind een beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen dient op te maken en een afschrift daarvan dient in te leveren ter griffie (het Bewindsbureau) van de rechtbank Limburg;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Limburg in verband met aantekening in het Openbaar Centraal Curatele- en Bewindregister;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, P.M.M. Mostermans en

P. Vlaardingerbroek en is in het openbaar uitgesproken op 8 november 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.