Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4610

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
09-11-2018
Zaaknummer
200.233.678_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0276
FJR 2019/31.14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.233.678/01

zaaknummer rechtbank : C/01/322886 / FA RK 17-3326

beschikking van de meervoudige kamer van 8 november 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.E.G. van Hout,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: voorheen mr. R.P. den Hoed, thans geen.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 november 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 20 februari 2018 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 23 november 2017.

2.2.

Er is geen verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 16 oktober 2018 plaatsgevonden.

De man is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.

De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van:

- het journaalbericht van de zijde van de man met bijlagen van 4 oktober 2018, ingekomen op 4 oktober 2018.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn op 21 oktober 2010 te Eindhoven met elkaar gehuwd.

3.3.

Het huwelijk van partijen is op 11 december 2017 ontbonden.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 11 december 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Voorts heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bepaald op € 185,- per maand.

4.2.

De man kan zich met de voormelde beschikking voor zover het de partneralimentatie betreft niet verenigen. De man heeft verzocht, zoals de advocaat van de man ter zitting desgevraagd heeft verduidelijkt, de bestreden beschikking te vernietigen uitsluitend voor zover het de partneralimentatie betreft en in zoverre opnieuw recht doende:

- primair het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie alsnog af te wijzen en

- subsidiair, voor het geval het hof een partneralimentatie vaststelt, de alimentatieverplichting te limiteren tot twee jaar na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, althans de partneralimentatie binnen twee jaar na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand met 50% per jaar af te bouwen waarna de bijdrage nihil zal zijn, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

4.3.

De grief van de man ziet op de behoeftigheid van de vrouw en op haar aanvullende behoefte.

5 De motivering van de beslissing

Behoefte van de vrouw

5.1.

Tussen partijen staat vast dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 964,- netto per maand bedraagt.

Behoeftigheid van de vrouw

5.2.1.

De man heeft in zijn beroepschrift, kort samengevat, het navolgende aangevoerd.

Voor de bepaling van de behoeftigheid van de vrouw moet niet naar het feitelijk inkomen van de vrouw, maar naar haar verdiencapaciteit worden gekeken. De vrouw moet in staat worden geacht een zodanig inkomen te genereren dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank is terecht van oordeel dat de vrouw, als laatst bekend, een summiere arbeidsomvang heeft van zes uur per week. Aan de zijde van de vrouw is geen sprake van arbeidsbelemmerende omstandigheden, zodat de vrouw in staat moet worden geacht haar arbeidsuren uit te breiden, mogelijk bij haar werkgever dan wel elders. De vrouw heeft ter zake een inspanningsverplichting, doch zij heeft onvoldoende aangetoond dat zij heeft getracht haar deelname aan het arbeidsproces uit te breiden, dan wel dat eventuele pogingen om haar deelname aan het arbeidsproces uit te breiden zouden zijn mislukt. De vrouw moet in staat worden geacht een inkomen ter hoogte van haar huwelijksgerelateerde behoefte van € 964,- netto per maand te genereren, zodat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud.

5.2.2.

De vrouw heeft in eerste aanleg, kort samengevat, het navolgende gesteld. De vrouw was werkzaam bij [postverspreider] als postverspreider in [vestigingsplaats] gedurende twee dagen per week tegen een salaris van € 220,- netto per maand. Omdat de vrouw geen vervangende huisvesting kon vinden in de regio [regio] , kon zij haar werkzaamheden niet meer uitoefenen en heeft zij in september 2017 onbetaald verlof moeten opnemen. De arbeidsovereenkomst met [postverspreider] is daarop met wederzijds goedvinden beëindigd. De behoefte van de vrouw bedraagt € 964,- netto per maand. De man heeft voldoende draagkracht om een partneralimentatie van € 259,- per maand te voldoen.

5.2.3.

Het hof overweegt het navolgende.

In artikel 1:157 lid 1 Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud kan toekennen. Dit betekent dat de vrouw geen recht op partneralimentatie heeft, indien zij voldoende inkomsten heeft om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien of zich die inkomsten in redelijkheid kan verwerven.

Vast staat dat partijen in februari 2017 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Vanaf dat moment wist de vrouw, dan wel behoorde zij te weten, dat zij in de kosten van haar eigen levensonderhoud zou moeten gaan voorzien en dat op haar daarvoor een inspanningsverplichting rustte. De rechtbank Oost-Brabant heeft de vrouw reeds bij de beschikking voorlopige voorzieningen van 6 juni 2017 meegegeven op zoek te gaan naar uitbreiding van haar werkzaamheden bij haar toenmalige werkgever dan wel bij een andere werkgever, althans inzichtelijk te maken welke sollicitatie-activiteiten zij verricht.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is verder het navolgende gebleken. De vrouw is thans 40 jaar. Tijdens het huwelijk van partijen was de man kostwinner, maar de man heeft onweersproken ter zitting bij het hof verklaard dat de vrouw vóór het huwelijk fulltime werkzaam is geweest bij ‘ [bedrijf] ’ en dat de vrouw tijdens het huwelijk, naar het hof begrijpt regelmatig, parttime heeft gewerkt, soms tot 16 uur per week en de laatste jaren voor het feitelijk uiteengaan van partijen een paar uur per week. Blijkens de stukken is de vrouw van 31 maart 2014 tot 1 oktober 2017 in dienst geweest bij [postverspreider] als postverspreider voor gemiddeld ongeveer 6 uur per week tegen een salaris gelijk aan het minimumloon. De vrouw heeft voorts – deels tegelijk met haar dienstverband bij [postverspreider] – in de schoonmaakbranche gewerkt, te weten voor [schoonmaakbedrijf] van 26 juni 2017 tot (in ieder geval) 15 juli 2017 gedurende totaal 32 uur in die periode. Bij [schoonmaakdiensten] is zij in dienst geweest van 4 oktober 2017 tot en met 4 mei 2018 voor minimaal 8 uur per vier weken en maximaal 24 uur per vier weken. Dit alles tegen een salaris in ieder geval gelijk aan het minimumloon.

Het hof constateert op grond van het voorgaande dat de vrouw gedurende langere tijd, en in ieder geval ook nog recentelijk, relevant contact heeft gehad met de arbeidsmarkt. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw zich heeft ingespannen om haar werkzaamheden uit te breiden en dat de vrouw, zo zij al zou hebben gesolliciteerd, bij sollicitaties is afgewezen. Voorts is noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep gebleken van arbeidsbelemmerende omstandigheden van psychische of fysieke aard aan de zijde van de vrouw. Daarnaast heeft de vrouw geen kinderen voor wie zij de zorg heeft.

Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat de vrouw in staat moet worden geacht, hetgeen in redelijkheid ook van haar kan worden gevergd, om met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (11 december 2017) een inkomen te genereren waarmee zij in haar huwelijksgerelateerde behoefte van € 964,- netto per maand kan voorzien.

Het voorgaande leidt ertoe dat de grief van de man slaagt en dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie moet worden afgewezen.

5.3.

Nu het primaire verzoek van de man wordt toegewezen, komt het hof niet toe aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de man tot limitering althans gefaseerde nihilstelling van de partneralimentatie.

Terugbetaling

5.4.1.

De man heeft ter gelegenheid van de mondeling behandeling bij het hof verklaard dat hij over de periode van 11 december 2017 tot en met 31 augustus 2018 maandelijks de bij de bestreden beschikking vastgestelde partneralimentatie van € 185,- per maand aan de vrouw heeft betaald. De man heeft bij die gelegenheid verzocht te bepalen dat de vrouw de te veel betaalde partneralimentatie aan de man dient terug te betalen.

5.4.2.

Het hof overweegt hierover als volgt. De man heeft desgevraagd ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat de vrouw ten tijde van het uiteengaan van partijen niet over spaargeld beschikte. De advocaat van de man heeft bij die gelegenheid verklaard dat de vrouw ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard dat zij geen spaargeld had. Voorts constateert het hof dat tussen partijen niet in geschil is dat de man voldoende draagkracht had (en heeft) om de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie aan de vrouw te voldoen. Op grond van de laatst bekende informatie over de liquiditeitspositie van de vrouw en in acht genomen voormelde financiële positie van de man, is het hof van oordeel dat van de vrouw niet verlangd kan worden dat zij het te veel door de man betaalde aan hem terugbetaalt.

5.5.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 november 2017, uitsluitend voor zover het betreft de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst alsnog af het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud;

bepaalt dat de vrouw niet gehouden is tot terugbetaling van de door de man over de periode vanaf 11 december 2017 betaalde bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, C.N.M. Antens en

A.J. van de Rakt en is uitgesproken op 8 november 2018 in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.