Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4606

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
09-11-2018
Zaaknummer
200.226.543_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

verdeling kosten kinderen samengesteld gezin

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.226.543/01

zaaknummer rechtbank : C/02/322220 FA RK 16-6108

beschikking van de meervoudige kamer 8 november 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. de Maaré te Breda,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.J.W. Jongenelen te Roosendaal.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 augustus 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 31 oktober 2017 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 2 augustus 2017.

2.2.

De vrouw heeft op 9 januari 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof is voorts ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 16 augustus 2018 met bijlagen, ingekomen op 16 augustus 2018.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 28 augustus 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

3.3.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

3.4.

Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige 1] ( [de minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

De man heeft [de minderjarige 1] erkend. [de minderjarige 1] woont bij de vrouw.

3.5.

De man is nadien een relatie aangegaan met mevrouw [relatie van de man] . Uit deze relatie is geboren de minderjarige [de minderjarige 2] ( [de minderjarige 2] ) op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] . Mevrouw [relatie van de man] heeft een minderjarig kind uit een eerder huwelijk met de heer [ex partner van de relatie van de man] , [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2010 in de gemeente [geboorteplaats] .

[de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] wonen bij de man en mevrouw [relatie van de man] .

3.6.

Op 19 oktober 2016 heeft de man een verzoek bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, ingediend tot vaststelling van het gezamenlijk gezag over [de minderjarige 1] en tot vaststelling van een contactregeling met [de minderjarige 1] . De vrouw heeft verweer gevoerd en bij wijze van zelfstandig verzoek een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] (hierna ook: kinderalimentatie) te bepalen van € 351,- per maand. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 april 2017 heeft de rechtbank partijen verwezen naar Juzt voor een traject Ouderschap blijft.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van de datum van die beschikking (2 augustus 2017) bepaald op € 135,- per maand. De behandeling van de verzoeken betreffende het gezamenlijk gezag en de contactregeling werd aangehouden.

4.2.1.

De man kan zich niet verenigen met de beslissing met betrekking tot de vastgestelde kinderalimentatie.

De grieven van de man zien op:

- de behoefte van [de minderjarige 1] ,

- de draagkracht van de man, in het bijzonder zijn verdiencapaciteit en zijn netto besteedbaar inkomen.

4.2.2.

De man heeft het hof verzocht de bestreden beschikking voor zover het de kinderalimentatie betreft te vernietigen en het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie alsnog af te wijzen.

4.3.

De vrouw heeft verzocht de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het hoger beroep af te wijzen als ongegrond en onbewezen.

5 De motivering van de beslissing

Ingangsdatum

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de door de man te betalen kinderalimentatie dient in te gaan op 2 augustus 2017, zodat het hof daarvan uitgaat.

Hoogte behoefte [de minderjarige 1]

5.2.1.

De man heeft gesteld dat de rechtbank de behoefte van [de minderjarige 1] ten onrechte heeft gesteld op € 598,- per maand. Kort na de geboorte van [de minderjarige 1] zijn partijen uit elkaar gegaan, aldus de man. [de minderjarige 1] is opgegroeid en verzorgd door de vrouw alleen. Uitgaande van alleen het inkomen van de vrouw van € 1.747,- per maand bedraagt de behoefte van [de minderjarige 1] in de visie van de man € 235,- per maand.

5.2.2.

De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist. De vrouw heeft, kort samengevat, het navolgende gesteld. In eerste aanleg hebben partijen overeenstemming bereikt over de behoefte van [de minderjarige 1] van € 598,- per maand. Er is sprake van een gerechtelijke erkentenis (artikel 154 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [Rv]) waar de man aan gehouden dient te worden. Voorts hebben partijen in gezinsverband samengeleefd en is de relatie tussen partijen in juli 2014 beëindigd. Na het uiteengaan heeft de man geruime tijd een onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige 1] aan de vrouw betaald, doorgaans in de vorm van contant geld. De man heeft bij Juzt erkend dat hij de vrouw in het verleden onderhoudsbijdragen voor [de minderjarige 1] heeft betaald.

5.2.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Het hof volgt de vrouw niet in haar beroep op de gerechtelijke erkentenis als bedoeld in artikel 154 Rv nu dit artikel niet van toepassing is op de verzoekschriftprocedure. De man mag voorts in hoger beroep zijn eventuele omissies uit de eerste aanleg herstellen.

De vrouw heeft ter zitting verklaard dat de man na de geboorte van [de minderjarige 1] dagelijks bij de vrouw verbleef, hetgeen de man niet heeft betwist. Ook de stelling van de vrouw dat de relatie tussen partijen in juli 2014 is beëindigd en dat de man bij Juzt heeft erkend dat hij in het verleden heeft bijgedragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] , heeft de man niet betwist. Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien overweegt het hof dat de behoefte van [de minderjarige 1] dient te worden berekend op basis van de netto besteedbare inkomens van de man en de vrouw tezamen, vergelijkbaar met de situatie van samenwonende partijen.

Uit de jaaropgaven 2013 van de man blijkt een loon van de loonheffing van € 39.865,-. Het door de vrouw in eerste aanleg becijferde daaruit voortvloeiende netto besteedbaar inkomen van de man bedraagt onbetwist € 2.319,- per maand. Nu de man onbetwist ter zitting heeft verklaard dat hij steeds de lasten van een eigen woning betaalde, brengt het hof in redelijkheid een bedrag (volgens de formule 0,3 x NBI) van afgerond € 700,- per maand in mindering op voormeld netto besteedbaar inkomen van de man, zodat aan de zijde van de man wordt gerekend met een netto besteedbaar inkomen van € 1.619,- per maand.

Uit de jaaropgaaf 2013 van de vrouw blijkt een loon voor de loonheffing van € 22.179,-. De vrouw heeft haar netto besteedbaar inkomen in eerste aanleg onbetwist becijferd op € 1.464,- per maand. Dit netto besteedbaar inkomen dient nog te worden vermeerderd met het kindgebonden budget. Conform de beschikking toeslagen 2014 betreft het een bedrag van € 1.017,- per jaar, dat is € 84,75,- per maand. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat het kindgebonden budget in 2013 nagenoeg gelijk is geweest aan dat in 2014.

Gelet op het voorgaande gaat het hof uit van een relevant netto besteedbaar gezinsinkomen

van afgerond € 3.168,- per maand. Voorts uitgaande van de leeftijd van [de minderjarige 1] (volgens de tabel 4 punten) becijfert het hof de behoefte van [de minderjarige 1] op € 478,11 per maand. Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van [de minderjarige 1] met ingang van 1 januari 2017 afgerond € 499,- per maand.

Behoefte van [de minderjarige 2]

5.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [de minderjarige 2] € 166,- per maand bedraagt zoals de rechtbank heeft overwogen, zodat het hof daarvan uitgaat.

Behoefte van [de minderjarige 3]

5.4.1.

De man heeft gesteld dat de behoefte van [de minderjarige 3] , bij gebrek aan onderliggende gegevens, moet worden gesteld op dezelfde behoefte als die van [de minderjarige 2] , nu [de minderjarige 3] , net als [de minderjarige 2] opgroeit in het gezin van de man en mevrouw [relatie van de man] .

De vrouw heeft de stelling van de man betwist. Zij kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat alle kosten van [de minderjarige 3] voor rekening van de vader van [de minderjarige 3] komen, zoals de rechtbank heeft overwogen, welke deze kosten ook zijn.

5.4.2.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de door de man overgelegde beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 22 juni 2015 heeft de rechtbank onder meer de echtscheiding tussen de vader van [de minderjarige 3] , de heer [ex partner van de relatie van de man] , en zijn ex-echtgenote uitgesproken. Uit die beschikking blijkt voorts dat noch de behoefte van [de minderjarige 3] , noch het aandeel van de ouders van [de minderjarige 3] in de kosten van [de minderjarige 3] is vastgesteld. Het hof sluit aan bij de stelling van de man en stelt de behoefte [de minderjarige 3] , bij gebrek aan nadere gegevens, in redelijkheid gelijk aan de behoefte van [de minderjarige 2] , en wel op een bedrag van € 166,- per maand. In het hiernavolgende zal het hof het aandeel van mevrouw [relatie van de man] in de kosten van [de minderjarige 3] (en daarmee haar draagkracht om bij te dragen in de kosten van [de minderjarige 2] ) beoordelen.

Draagkracht van de vrouw

5.5.

Tussen partijen is niet in geschil, zoals ook ter zitting besproken, dat de vrouw een inkomen heeft van € 1.747,- netto per maand inclusief het kindgebonden budget en een volgens de formule daaruit voortvloeiende draagkracht van € 223,- per maand. Het hof gaat derhalve daarvan uit.

Draagkracht van de man

5.6.1.

De man heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte aan zijn zijde rekening heeft gehouden met een verdiencapaciteit gelijk aan de vrouw van € 1.747,- netto per maand en een draagkracht van € 223,- per maand. De man is op 18 augustus 2015 op staande voet ontslagen door zijn laatste werkgever. Hij draagt sindsdien de zorg voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] . De man is, sinds de zitting in eerste aanleg, op zoek naar werk maar ondanks zijn inspanningen heeft dat niet tot resultaat geleid. De man stelt dat hij geen inkomen en derhalve geen draagkracht heeft. Indien en voor zover wel met enige verdiencapaciteit rekening moet worden gehouden, is de man van mening dat voor de berekening van zijn draagkracht uitgegaan moet worden van een inkomen van € 1.405,- netto per maand, eenzelfde arbeidsinkomen als de vrouw (zonder rekening te houden met het kindgebonden budget).

5.6.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Zij heeft gesteld dat de man in 2015 nog een inkomen had van € 58.389,- per jaar. In beginsel dient naar de mening van de vrouw van die verdiencapaciteit te worden uitgegaan, doch de vrouw kan zich erin vinden indien wordt uitgegaan van eenzelfde draagkracht van de man als van de vrouw van

€ 223,- per maand.

5.6.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Het hof volgt de man niet in zijn primaire stelling dat zijn draagkracht nihil is. Het hof gaat ervan uit dat de man in beginsel verdiencapaciteit heeft nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken van arbeidsbelemmerende omstandigheden van psychische en/of van fysieke aard. De man heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij na de zitting in eerste aanleg wel is gaan solliciteren, doch die sollicitaties waren, zoals de man verklaarde, niet serieus. De man heeft ter zitting in hoger beroep ook verklaard dat hij en zijn partner een vierde kind zouden willen krijgen en dat hij in de toekomst niet zal solliciteren omdat hij huisvader wenst te blijven. Het hof overweegt dat de onderhoudsverplichting van ouders jegens hun minderjarige kinderen een hoge prioriteit heeft. Dat de man ervoor kiest om niet aan het arbeidsproces deel te nemen komt geheel voor zijn rekening en risico. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man in 2013 een inkomen had van ruim

€ 39.000,- bruto op jaarbasis en in 2015 nog van ruim € 58.000,- bruto op jaarbasis. Het hof volgt de man evenmin in zijn subsidiaire stelling dat voor de berekening van zijn draagkracht uit moet worden gegaan van een netto arbeidsinkomen van € 1.405,- per maand. Het hof acht een dergelijk inkomen niet in redelijke verhouding te staan tot hetgeen de man voorheen verdiende. Gelet op de stelling van de vrouw en mede gelet op het arbeidsverleden van de man dicht het hof de man een (minimale) verdiencapaciteit toe van € 1.747,- netto per maand. De man moet in staat worden geacht dit inkomen redelijkerwijs (minimaal) te kunnen verdienen Het hof gaat uit van een draagkracht van de man van in ieder geval € 223,- per maand.

Draagkracht van mevrouw [relatie van de man]

5.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat mevrouw [relatie van de man] een inkomen heeft van

€ 1.700,- netto per maand en een volgens de formule een daaruit voortvloeiende draagkracht van € 200,- per maand, zoals ter zitting besproken. Het hof gaat er, bij gebrek aan gegevens vanuit dat mevrouw [relatie van de man] voor helft bijdraagt in de kosten van [de minderjarige 3] , zodat haar draagkracht om bij te dragen in de kosten van [de minderjarige 2] € 200,- minus € 83,- = afgerond € 116,- per maand bedraagt (zie aangehechte berekening).

Verdeling kosten kinderen

5.8.

Voor de berekening en verdeling van de kosten van de kinderen verwijst het hof naar de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende gewaarmerkte berekening verdeling kosten kinderen.

5.9.

De draagkracht van de vrouw bedraagt € 223,- per maand. Zij kan haar totale draagkracht aanwenden om bij te dragen in de kosten van [de minderjarige 1] van afgerond € 488,- per maand.

5.10.

De draagkracht van de man bedraagt € 223,- per maand. De man is onderhoudsplichtig jegens [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Zijn draagkracht dient naar rato van de behoefte van de kinderen over beide kinderen te worden verdeeld. Dat betekent dat het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige 1] € 167,- per maand bedraagt en het aandeel de man in de kosten voor [de minderjarige 2] € 56,- per maand.

De totale draagkracht van de man en mevrouw [relatie van de man] bedraagt € 116,- + € 56, = € 172,- per maand, zodat hun draagkracht de behoefte van [de minderjarige 2] van € 166,- per maand overstijgt. Draagkrachtvergelijking leidt ertoe dat de man € 54,- per maand dient bij te dragen in de kosten van [de minderjarige 2] . Nu de draagkracht van de man voor [de minderjarige 2] niet geheel is benut, resteert er een bedrag van € 56,- minus € 54,- = € 2,- per maand, welk bedrag het hof optelt bij het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige 1] . Het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige 1] bedraagt € 167,- plus € 2,- is totaal € 169,- per maand.

Zorgkorting

5.11.

De zorgkorting voor [de minderjarige 1] bedraagt onbetwist 25% zoals de rechtbank heeft overwogen, zodat het hof uitgaat van een zorgkorting van afgerond 125,- per maand.

De man en de vrouw hebben tezamen de draagkracht hebben om met een bedrag van € 392,- per maand bij te dragen in de kosten van [de minderjarige 1] , zodat er sprake is van een tekort van € 107,- per maand. Nu de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de kosten van [de minderjarige 1] te voorzien en het tekort kleiner is dan tweemaal de zorgkorting, wordt de helft van het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat een door de man te realiseren zorgkorting resteert van € 125,- minus € 53,- = € 72,- per maand.

De door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] bedraagt dan € 169,- minus € 72,- = afgerond € 98,- per maand (zie aangehechte berekening).

Aanvaardbaarheidstoets

5.12.

Het hof verwerpt het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets nu de man zijn stelling op dat punt niet, althans niet voldoende heeft onderbouwd. De man heeft in hoger beroep een lastenoverzicht overgelegd. De lasten zouden, zonder nog rekening te houden met de kosten van eten en drinken, het inkomen van mevrouw [relatie van de man] ruimschoots overstijgen. De man heeft ter zitting gesteld dat hij leeft van leningen bij familie en vrienden, doch hij heeft die stelling niet met verifieerbare gegevens onderbouwd, zodat het hof aan die stelling voorbij gaat.

5.13.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 augustus 2017, voor zover het betreft de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] ,

en, in zoverre opnieuw rechtdoende,

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 2 augustus 2017 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ,

€ 98,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Schaafsma-Beversluis, L.Th.G. Pellis en

H.M.A.W. Erven en bijgestaan door de griffier, en is op 8 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.