Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4599

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
09-11-2018
Zaaknummer
200.201.504_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:3284, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkoop immaterieel actief assurantiekantoor. Uitleg koopcontract. Geen wettelijke handelsrente verschuldigd over overeengekomen terugbetalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.201.504

arrest van 6 november 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal appel,

verweerder in het incidenteel appel,

advocaten mr. M.F.J.J.M. Tijssen en mr. H.J.W. Weekers te Roermond,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

advocaat mr. G.D. Bosman te Veldhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 juli 2016 (hersteld bij exploot van 26 september 2016) ingeleide hoger beroep van het vonnis van 20 april 2016 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/189182/HA ZA 14-145)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep, waarbij is gedagvaard tegen 13 september 2016;

  • -

    het exploot van herstel van 26 september 2016 waarbij de zaak alsnog is aangebracht;

  • -

    de memorie van grieven van [appellant] ;

  • -

    de memorie van antwoord in het principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in het incidenteel appel van [geïntimeerde] ;

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel appel van [appellant] , waarbij tevens drie producties in het principaal appel zijn overgelegd;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] , waarbij een productie is overgelegd;

  • -

    de antwoordakte van [appellant] .

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

2.3.

Daarbij merkt het hof het volgende op. In eerste aanleg waren naast [appellant] ook de besloten vennootschappen [beheer] Beheer en [financieel] Financieel gedagvaard door [geïntimeerde] . De rechtbank heeft deze drie gedaagde partijen hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] . Alleen [appellant] is in hoger beroep gekomen. In het exploit waarin [appellant] [geïntimeerde] heeft aangezegd in appel te komen, heeft hij ook [beheer] Beheer opgeroepen om zich als medepartij aan zijn zijde te voegen. [beheer] Beheer heeft daaraan evenwel geen gehoor gegeven. Waar [beheer] Beheer niet zelf in appel is gekomen en zij zich ook niet heeft gevoegd aan de zijde van [appellant] , komt aan deze partij in appel geen rol toe.

3 De beoordeling

In het principaal en het incidenteel appel

3.1.

In dit hoger beroep gaat het om het volgende. [appellant] dreef een assurantiekantoor dat was ondergebracht in de besloten vennootschap [financieel] Financieel, waarvan [beheer] Beheer de bestuurder en enig aandeelhouder was. Bij koopcontract van 14 september 2012 hebben deze beide vennootschappen en [appellant] onder andere de assurantieportefeuille, het klantenbestand, de handelsnaam en de goodwill van de onderneming verkocht aan [geïntimeerde] voor € 360.000,00. De overdracht zou plaatsvinden op 1 november 2012. In het koopcontract is in artikel 2 met het opschrift ‘koopprijs’ ten aanzien van het bedrag van € 360.00,00 opgenomen:

(…) Uitgangspunt is dat de portefeuille bij aankoop een doorlopende schadeprovisie heeft van tenminste € 141.000,00 (…). Tevens is als uitganspunt dat de lopende abonnementen (minus kosten provider) tenminste € 70.920,00 (…) bedraagt. In de portefeuille is sprake van een niet verdiende provisie van maximaal € 122.00,00 (…)!

  • -

    Mocht uit de Rekening Courant van December 2013 blijken dat de doorlopende schadeprolongatieprovisie van € 141.000,00 (…) lager is dan zal de koper direct het evenredige verschil naar rato van de koopprijs bij verkoper terugvorderen. Uitgezonderd het natuurlijk verval dat door verzekeringnemer in de portefeuille schriftelijk verzocht wordt tussen 01-01-2013 tot en met 31-12-2013. Onder natuurlijk verval wordt onder andere verstaan, opzegging in verband met overlijden, faillissement, echtscheiding etc.

  • -

    Mocht uit de Rekening Courant van December 2013 blijken dat de doorlopende abonnementsinkomsten van € 70.920,00 (…) lager is dan zal de verkoper direct het evenredige verschil naar rato van de koopprijs bij koper terugvorderen. Uitgezonderd het natuurlijk verval dat door verzekeringnemer in de portefeuille schriftelijk verzocht wordt tussen 01-01-2013 tot en met 31-12-2013. Onder natuurlijk verval wordt onder andere verstaan, opzegging in verband met overlijden, faillissement, echtscheiding etc.

  • -

    De koopsom is bepaald op een vast bedrag, waarin alle eventuele voor- en nadelige omstandigheden die zich ná de overdracht kunnen voordoen, zijn verdisconteerd. Bonus- of extraprovisie, hoe ook genaamd, die na de overdracht tot uitkering komen, komen ten goede aan de koper. Ook wanneer (een deel) van deze extra provisie betrekking heeft op de periode voorafgaand aan de overdracht.

In artikel 8 van het koopcontract is door de verkopers onder meer gegarandeerd dat de minimale prolongatieprovisie € 141.000,00 bedraagt en dat de onverdiende provisie maximaal € 122.000,00 is. Bij het bepalen van de koopprijs is door partijen een factor 1,7 gehanteerd: de schadeprovisie van tenminste € 141.000,00 en de abonnementsinkomsten van tenminste € 70.920,00 zijn bij elkaar opgeteld (€ 211.920,00) en met 1,7 vermenigvuldigd tot € 360.000,00. Dezelfde factor moet gebruikt worden voor een terugvordering op grond van artikel 2, zo staat tussen partijen vast. In artikel 18 van het koopcontract is tot slot een concurrentie- en relatiebeding opgenomen. Op overtreding daarvan is een boete van € 25.000,00 gesteld, te verhogen met € 1.000,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt.

3.2.

Tussen partijen zijn al vrijwel meteen na de overdracht geschillen gerezen. In deze zaak gaat het erom (1) of [appellant] op grond van artikel 2 van het koopcontract nog een deel van de koopprijs aan [geïntimeerde] moet terugbetalen omdat in het jaar 2013 volgens [geïntimeerde] zowel de schadeprovisie als de abonnementsinkomsten lager uitvielen en (2) of [appellant] het concurrentie- en relatiebeding heeft overtreden.

3.3.

[geïntimeerde] stelt daartoe dat in 2013 de schadeprovisie niet € 141.000,00 heeft bedragen maar € 118.922,45, zijnde een verschil van € 22.077,55 waardoor de koopprijs uiteindelijk € 37.531,84 te hoog is uitgevallen en dat de abonnementsinkomsten niet € 70.920,00 zijn geweest maar slechts € 60.806,78, zijnde een verschil van € 10.113,22, waardoor de koopprijs in dit opzicht € 17.192,48 te hoog is uitgevallen. Aldus is een bedrag van in totaal € 54.724,32 te veel betaald, dat op grond van artikel 2 van het koopcontract wordt teruggevorderd.

Verder stelt [geïntimeerde] dat na het sluiten van de koopovereenkomst [appellant] klanten heeft ondergebracht bij een derde partij en dat na de overdracht aan een klant uit de overgedragen portefeuille hypotheekadvies is verstrekt en die klant is verwezen naar een concurrent. Om deze reden maakt [geïntimeerde] aanspraak op de boete zoals overeengekomen in het concurrentie- en relatiebeding.

3.4.

[appellant] betoogt dat bij de koop slechts is gegarandeerd dat de in het koopcontract genoemde bedragen voor schadeprovisie en abonnementsinkomsten op het moment van overdracht – november 2012 - juist zijn. Daarna ging het risico over op [geïntimeerde] , die op grond van het contract slechts geld terug kan vorderen wanneer er sprake is van niet-natuurlijk verval. Een redelijke uitleg van het contract brengt mee dat het daarbij niet mag gaan om klanten die vertrekken omdat ze ontevreden zijn over de dienstverlening van [geïntimeerde] . Dit laatste was volgens [appellant] wel het geval: er zijn veel klanten eigener beweging uit onvrede opgestapt. In zoverre is er sprake van eigen schuld van [geïntimeerde] . Ook sluit [appellant] niet uit dat [geïntimeerde] (schade)verzekeringen van van [appellant] overgenomen klanten heeft laten beëindigen en bij andere verzekeraars heeft ondergebracht waardoor er geen prolongatieprovisie wordt ontvangen. Voor zover er sprake is van een onduidelijkheid in het koopcontract, moet dit worden uitgelegd in het nadeel van [geïntimeerde] , die het contract ook heeft opgesteld, aldus [appellant] . Ook is betoogd dat de door [geïntimeerde] voorgestane uitleg naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat dit betekent dat zijn handelen of nalaten voor risico van [appellant] komt.

Verder bestrijdt [appellant] dat er is gehandeld in strijd met het concurrentie- en relatiebeding en dat er daarom boetes zijn verschuldigd.

3.5.

De rechtbank heeft de vordering tot gedeeltelijke terugbetaling van de koopprijs toegewezen en de vordering uit hoofde van het concurrentie- en relatiebeding afgewezen.

In het principaal appel voorts

3.6.

[appellant] heeft in het principaal appel zes grieven aangevoerd. Grief 1 is ertegen gericht dat de rechtbank ervan is uitgegaan dat de koopovereenkomst is gesloten op 14 september 2011, terwijl dit op 14 september 2012 is geweest. Dit is hiervoor onder 3.1 reeds aangepast, zodat deze grief verder geen bespreking behoeft.

3.7.

De grieven 2, 3 en 4 komen op tegen de toewijzing van de door [geïntimeerde] gevorderde gedeeltelijke terugbetaling van de koopprijs. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Het geschil gaat erom hoe het hiervoor aangehaalde artikel 2 van het koopcontract moet worden uitgelegd. Dit contract, dat door beide partijen is ondertekend, betreft een onderhandse akte in de zin van artikel 157 lid 2 Rv. Een dergelijk stuk levert ten aanzien van hetgeen partijen daarin hebben verklaard, tussen hen in beginsel dwingend bewijs op. De partijen verschillen echter van mening over de betekenis en strekking van hetgeen in de akte, in het bijzonder in artikel 2, is vastgelegd. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Voor een meer objectieve uitleg van de overeenkomst is aanleiding wanneer door de bepalingen van de overeenkomst ook de positie van derden wordt beïnvloed. Wanneer het gaat om een overeenkomst tussen commerciële partijen die bovendien tot stand is gekomen na intensieve onderhandelingen waarbij partijen werden bijgestaan door (juridische) deskundigen, zal zwaarwegend belang aan de taalkundige betekenis van de overeenkomst moeten worden gehecht. Dat uitgangspunt laat onverlet dat de overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 5 april 2013 ECLI:NL:HR2013:BY8101).

3.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat de koopprijs voor de onderneming van € 360.000,00 tot stand is gekomen door een bedrag te nemen voor enerzijds de prolongatieprovisie en anderzijds de abonnementsinkomsten en deze beide bedragen te vermeerderen met een factor 1,7. Op zichzelf is dit opmerkelijk omdat voor de prijsbepaling van een onderneming nog veel meer andere factoren van belang kunnen zijn. Maar die andere factoren zijn kennelijk bewust buiten spel gelaten, zo lijkt naar het oordeel van het hof te volgen uit hetgeen onder het laatste gedachtestreepje is vastgelegd (“de koopsom is bepaald op een vast bedrag (…)”). Vervolgens is in artikel 8 door de verkoper gegarandeerd dat de prolongatieprovisie tenminste € 141.000,00 is en de abonnementsinkomsten € 70.920,00. Tegen die achtergrond is de terugbetalingsregeling van artikel 2 niet anders te begrijpen dan als een contractuele voorziening voor het onverhoopte geval dat de gegarandeerde bedragen het eerste jaar door de koper niet worden behaald, waarbij slechts een uitzondering is gemaakt voor zogenoemd natuurlijk verval. Daarbij gaat het om opzeggingen die liggen buiten de invloedsfeer van [geïntimeerde] . Voor zover daarvan sprake is en daardoor de gegarandeerde bedragen niet behaald worden, zo begrijpt het hof, zal er geen correctie achteraf plaatsvinden. In alle andere gevallen moet er wel gecorrigeerd worden. Daar waar de prijsbepalende factoren tot twee lijken te zijn teruggebracht, is een dergelijke regeling ook goed te begrijpen: indien de gegevens waarop de gesimplificeerde rekensom voor de bepaling van de koopprijs is gebaseerd onjuist zijn, heeft dat immers onevenredig grote gevolgen.

3.9.

In het licht van het voorgaande moet het betoog van [appellant] dat in het koopcontract niet méér is gegarandeerd dan dat de cijfers voor de schadeprovisie en de abonnementsinkomsten kloppen voor het moment van overdracht, en dat daarmee, kort gezegd, de prijs voor de onderneming definitief vaststaat, worden verworpen. Ook omdat in het betoog van [appellant] onduidelijk blijft wat de bedoeling is van de terugbetalingsregelingen onder het tweede en derde gedachtestreepje van artikel 2. Dat het hier een regeling voor het zogenoemde “natuurlijk verval” zou betreffen, zoals door hem wordt betoogd, valt niet in te zien nu dat juist met zoveel woorden in de desbetreffende bepalingen wordt uitgesloten.

Waar [appellant] verder niet heeft aangevoerd en onderbouwd dat er sprake is geweest van natuurlijk verval en evenmin dat de door [geïntimeerde] gepresenteerde cijfers voor het jaar 2013 niet zouden kloppen, concludeert het hof dat de door de rechtbank toegepaste berekening voor de hoogte van het terug te betalen bedrag op zichzelf correct is. Omdat [appellant] ’ stellingen ten aanzien van het natuurlijk verval niet aansluiten bij de tekst van het contract en [appellant] voor het overige niet feitelijk heeft onderbouwd dat er anderszins sprake is geweest van natuurlijk verval, moet aan zijn bij memorie van grieven onder 5.2 gedane aanbod om te bewijzen dat er sprake is van natuurlijk verval eveneens voorbij worden gegaan.

3.10.

De vraag is vervolgens welke betekenis toekomt aan het verweer van [appellant] dat [geïntimeerde] het aan zichzelf te wijten heeft dat de cijfers lager zijn uitgevallen omdat klanten niet tevreden waren over de dienstverlening van [geïntimeerde] en daarom wegliepen. Door de rechtbank is dit opgevat als een beroep op eigen schuld. Dit laatste is echter pas relevant als er een verplichting is van [appellant] tot het vergoeden van schade. [geïntimeerde] vordert echter geen schadevergoeding maar nakoming van een contractuele afspraak. Eigen schuld van [geïntimeerde] zou alleen in beeld komen voor zover er sprake zou zijn van een wanprestatie van [appellant] , maar daarvoor bieden de stellingen van partijen geen aanknopingspunten. Hooguit zou er dus sprake kunnen zijn van een wanprestatie van [geïntimeerde] door kort gezegd klanten weg te jagen.

[geïntimeerde] betwist dat er door zijn toedoen klanten zijn weggelopen. De eerste vraag is in hoeverre dit in het licht van de tekst van het contract een relevante omstandigheid is. In het betoog van [geïntimeerde] dat uitsluitend het zogenoemde natuurlijk verval niet tot een terugbetalingsverplichting leidt, ligt immers besloten dat alle andere redenen voor klanten om te kiezen voor een andere assuradeur - zoals bijvoorbeeld ontevredenheid met de dienstverlening van de kopende partij - geen invloed hebben op de omvang van de terugbetalingsverplichting.

Het hof stelt vast dat het contract voor het kort gezegd weglopen van ontevreden klanten geen bijzondere regeling biedt. De vraag is dan of de omstandigheid dat ontevreden klanten (kunnen) weglopen ook moet worden geacht te zijn begrepen in het bepaalde onder het laatste gedachtestreepje van artikel 2, zoals hiervoor weergegeven onder 3.1. Onlogisch is dat niet, omdat partijen ervan zullen zijn uitgegaan dat [geïntimeerde] als overnemende partij er belang bij heeft de overgenomen klanten te behouden en daarmee ook de prolongatieprovisie en de abonnementsinkomsten voor de langere termijn op peil te houden. Dit zou dan van [appellant] vergen dat hij bij de verkoop een inschatting heeft gemaakt van de mogelijkheden van [geïntimeerde] om zijn oude klanten naar tevredenheid te blijven bedienen. Indien hij immers hierover een verkeerde inschatting zou maken, zou dat betekenen dat hij ermee moest rekenen een deel van de koopprijs te moeten terugbetalen. Op zichzelf is dit niet een buitenissige eis: daar waar beide partijen in elkaars directe omgeving hebben gewerkt in dezelfde branche, moet die inschatting voor [appellant] feitelijk goed te maken zijn geweest. In dit scenario zou dan al rekening zijn gehouden met enig vertrek van klanten uit onvrede. Dat is bij de overname van onderneming ook niet ongebruikelijk, want ook in het geval er wél een expliciete regeling wordt opgenomen voor het vertrek van ontevreden klanten (waarvoor legio redenen kunnen zijn), wordt daarbij doorgaans een zekere marge aangehouden opdat niet ieder vertrek van een ontevreden klant direct leidt tot een restitutieverplichting. In dit licht bezien, kan niet geconcludeerd worden dat er sprake is van een leemte of een onduidelijkheid die aanvulling of verduidelijking behoeft, zoals [appellant] lijkt te betogen. Daarmee faalt ook het verweer van [appellant] dat er grond is het contract op dit punt contra-proferentem uit te leggen. Het had op de weg van [appellant] gelegen om concreet te stellen dat er sprake is van een abnormaal groot verloop van ontevreden klanten en dat [geïntimeerde] daarvan een verwijt te maken valt. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn geweest als [geïntimeerde] met de overname iets heel anders voor ogen had dan uitsluitend het overnemen van de portefeuille. Voor dit alles bieden de stellingen van [appellant] echter onvoldoende houvast. Daarmee kan voorbij worden gegaan aan het betoog van [appellant] dat [geïntimeerde] de klanten niet goed heeft bediend en kan ook het aanbod van [appellant] om te bewijzen dat er klanten om deze reden zijn vertrokken, als niet ter zake doend worden gepasseerd. Gelet op het voorgaande acht het hof het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid evenmin onaanvaardbaar dat [geïntimeerde] zich beroept op de verplichting tot betaling door [appellant] . De in het principaal appel aangedragen grieven 2, 3 en 4 falen aldus.

3.11.

De grieven 5 en 6 in het principaal appel zijn gericht tegen de veroordeling als zodanig en de kostenveroordeling en missen daarmee (inhoudelijk) zelfstandige betekenis. In het principaal appel falen de grieven.

In het incidenteel appel voorts

3.12.

In het incidenteel appel heeft [geïntimeerde] vijf grieven aangevoerd. De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen aanspraak is op de wettelijke handelsrente, maar slechts op de wettelijke rente. De tweede grief richt zich tegen het oordeel dat het concurrentie- en relatiebeding niet is overtreden. De derde en de vierde grief zien op de beslag- en proceskosten. De vijfde grief tot slot heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen bespreking.

3.13.

Wat betreft de eerste grief heeft te gelden dat de rechtbank de vordering tot vergoeding van de wettelijke handelsrente heeft afgewezen omdat er naar haar oordeel geen sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. De grief slaagt niet. Volgens artikel 6:119a BW kan van een handelsovereenkomst slechts sprake zijn wanneer het gaat om een overeenkomst om baat die een of meer partijen verplicht iets te geven of te doen. Mede gelet op het doel en de strekking van deze regeling, volgt daaruit dat het moet gaan om een verbintenis die strekt tot betaling van ingevolge die overeenkomst geleverde goederen of diensten. De onderhavige verbintenis tot terugbetaling strekt daar niet toe.

3.14.

In haar tweede grief stelt [geïntimeerde] dat [appellant] het concurrentie- en relatiebeding heeft overtreden en door een autoverzekering van een overgedragen klant op te zeggen, door een rechtsbijstandsverzekering te beëindigen en beide verzekeringen elders onder te brengen. Verder wordt gesteld dat [appellant] een overgedragen klant actief heeft geadviseerd en aangeraden zich te wenden tot een concurrerend kantoor waar een voormalig werknemer van [appellant] werkzaam is.

3.15.

De autoverzekering die is beëindigd, betreft volgens [appellant] de verzekering voor de auto van zijn echtgenote, van wie hij op dat moment aan het scheiden was en wier auto verkocht werd. De rechtsbijstandsverzekering zag op de onderneming die hij had verkocht en overgedragen, zodat de verzekering niet langer nodig was. In beide gevallen is de verzekering niet elders ondergebracht. Dit is als zodanig door [geïntimeerde] niet betwist. Artikel 18 verbiedt het medewerking verlenen aan het elders onderbrengen van klanten uit de portefeuille (“verkoper garandeert koper dat hij na overdracht van de portefeuille op geen enkele wijze , noch direct, noch indirect zijn medewerking zal verlenen aan de overvoer van cliënten en of individuele financiële diensten welke ten tijde van de overdracht behoorden tot de overgedragen portefeuille (…)’). In het licht van het verweer van [appellant] , kan uit de stellingen van [geïntimeerde] niet worden afgeleid dat de verzekeringen elders zijn ondergebracht en dat aldus het concurrentiebeding zou zijn geschonden. In zoverre faalt de grief.

3.16.

Wat betreft de stelling dat een klant is geadviseerd naar een ander kantoor over te stappen, heeft [appellant] onweersproken gesteld dat de desbetreffende persoon bij [geïntimeerde] een hypothecaire financiering had aangevraagd en dat deze aanvraag door het kantoor van [geïntimeerde] was afgewezen, waarna hij deze persoon een ander kantoor heeft aangeraden voor het indienen van de aanvraag. In haar vonnis heeft de rechtbank met de woorden “naar de rechtbank begrijpt” al tot uitdrukking gebracht dat niet geheel duidelijk is of deze persoon al tot de overgedragen klantenportefeuille behoorde. Dat is voor een overtreding van het relatiebeding wel essentieel, zeker waar het verwijt inhoudt dat de desbetreffende persoon na een afwijzend hypotheekadvies zich tot [appellant] heeft gewend. Niet valt immers in te zien hoe slechts op grond van een afgewezen hypotheekaanvraag reeds een klantrelatie zou kunnen zijn ontstaan. Daar waar de rechtbank dit deel van de vordering heeft afgewezen, had het dan ook op de weg van [geïntimeerde] gelegen om duidelijk te maken waarom zij meent aanspraak te kunnen maken op een verbeurde boete. Ook in hoger beroep besteedt [geïntimeerde] geen aandacht aan de vraag of deze persoon al op het moment van de overdracht van de portefeuille tot de klantenkring behoorde. De stellingen beperken zich tot de mededeling dat de klant “met zijn producten naar een concurrerend kantoor is vertrokken”. Dat is naar het oordeel van het hof te weinig concreet om te kunnen concluderen dat er in dit opzicht sprake is geweest van een overtreding van het concurrentieverbod door [appellant] omdat hiermee ook kan zijn bedoeld dat de desbetreffende persoon met alle producten die hij mogelijkerwijs zou kunnen zijn gaan afnemen is vertrokken. Ook in dit opzicht faalt de tweede grief derhalve.

3.17.

Met haar derde grief stelt [geïntimeerde] aan de orde dat de rechtbank de kosten van beslaglegging en sequestratie met betrekking tot een inbeslaggenomen Kia ten onrechte voor haar rekening heeft gelaten met de overweging dat die auto een leaseauto betrof die geen eigendom was van [appellant] en [appellant] onweersproken had gesteld dat hij dit ook op voorhand aan [geïntimeerde] had medegedeeld. [geïntimeerde] betwist dat [appellant] hem dit laatste vóór de inbeslagneming had laten weten, terwijl volgens de RDW-registratie de auto op naam van [appellant] stond. Pas na de beslaglegging bleek dat de auto geen eigendom was en toen is het beslag onmiddellijk opgeheven. [appellant] stelt dat er kort gezegd sprake is van een risicoaansprakelijkheid wat betreft het ten onrechte leggen van conservatoir beslag. De jurisprudentie waar [appellant] op doelt, ziet echter uitsluitend op het geval waarin rechtens komt vast te staan dat de vordering waarvoor het beslag is gelegd, niet blijkt te bestaan. Dit laatste is hier niet aan de orde. [geïntimeerde] heeft immers een vordering op [appellant] en zij mocht ter bewaring van haar rechten in beginsel dan ook beslag leggen ten laste van [appellant] . Een schuldeiser is wettelijk gerechtigd ook roerende zaken zoals een auto van zijn schuldenaar in conservatoir beslag te laten nemen. De auto was kennelijk bij [appellant] in gebruik. Mitsdien was [appellant] in ieder geval aan te merken als houder van de auto. Ingevolge artikel 3:109 BW wordt de houder van een goed vermoed dit voor zichzelf te houden. Het houden geeft tevens een wettelijk vermoeden van bezit en de bezitter van een goed wordt ingevolge artikel 3:119 lid 1 BW vermoed de rechthebbende op zaak te zijn. Op grond van de enkele omstandigheid dat [appellant] als houder kon worden beschouwd, mocht [geïntimeerde] dan ook wettelijk vermoeden dat [appellant] tevens de eigenaar van de auto was, waarmee [geïntimeerde] wettelijk bevoegd werd om de auto in beslag te laten nemen. Dat vervolgens bleek dat [appellant] niet de eigenaar was – waarna de auto blijkbaar ook meteen is vrijgegeven – maakt daarbij geen verschil. Dit zou slechts anders zijn als [geïntimeerde] tegen beter weten in de auto in beslag zou hebben laten nemen terwijl al bekend was dat [appellant] niet de eigenaar was, omdat daarmee het hiervoor bedoelde wettelijk vermoeden al op voorhand zou zijn ontkracht. Daarvan is onvoldoende gebleken. Daarbij is van belang dat, anders dan partijen kennelijk menen, de tenaamstelling van een kenteken bij de RDW geen absoluut uitsluitsel geeft over de vraag wie eigenaar is van het voertuig. Daarom kan het antwoord op de vraag of de auto op naam van de leasemaatschappij stond geregistreerd, zoals [appellant] stelt, in het midden blijven. Zeker bij financial lease kan de eigendomsvraag lastig te beantwoorden zijn. Ook de stelling van [appellant] dat vóór de beslaglegging aan de deurwaarder is medegedeeld dat de auto een leaseauto betrof, kan hem niet baten omdat ook daarvoor geldt dat die mededeling te algemeen is. Minst genomen zou moeten vast staan dat al vóór de inbeslagneming aan de deurwaarder het als productie 4 bij conclusie van antwoord overgelegde contract van operational lease was getoond, maar dat is niet gesteld of gebleken. Dit alles nog afgezien van het gegeven dat de kosten al grotendeels zijn gemaakt tegen de tijd dat de deurwaarder verschijnt om beslag te komen leggen. De conclusie is dan ook dat [geïntimeerde] gerechtigd was de auto in beslag en in gerechtelijke bewaring te laten nemen, zodat de daarmee gemoeide kosten voor rekening van [appellant] komen. De grief slaagt dan ook in zoverre. Naar de berekening van het hof komen de totale beslagkosten uit op € 608,00 voor griffierrecht, € 2.715,16 voor exploitkosten, € 894,00 voor advocaatkosten wegens het rekest, zodat de totale beslagkosten uitkomen op € 4.217,16. Daarbij heeft het hof - anders dan de rechtbank - gerekend met slechts 1 punt voor advocaatkosten in verband met het rekest omdat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat er voor de beslaglegging twee rekesten zijn ingediend.

3.18.

De vierde grief stelt tot slot aan de orde dat de rechtbank de proceskosten heeft begroot op basis van het toegewezen bedrag en niet op basis van het gevorderde bedrag. Gevorderd is in hoofdsom een bedrag van in totaal tenminste € 80.000,00, terwijl in hoofdsom € 54.724,32 is toegewezen. Daarmee is [geïntimeerde] grotendeels in het gelijk gesteld. Op grond van het zogenoemde Liquidatietarief bepaalt het belang van de zaak het toepasselijke tarief. In deze zaak is door de rechtbank Tarief IV toegepast, dat geldt voor zaken met een geldswaarde tussen de € 40.000,00 en € 98.000,00. Dus ook indien de rechtbank zou zijn uitgegaan van het in hoofdsom gevorderde bedrag, zou dit tarief toepasselijk zijn. Bij die stand van zaken is er geen belang bij beoordeling van deze grief.

Slotsom in het principaal en het incidenteel appel

3.19.

In het principaal appel falen de grieven, terwijl in het incidenteel appel de derde grief slaagt. In verband daarmee dient het door de rechtbank uitgesproken vonnis aldus te worden gewijzigd dat ook de kosten voor de inbeslagneming en sequestratie van de auto door [appellant] vergoed zullen moeten worden, waarmee de beslagkosten uitkomen op € 4.217,16. Voor het overige blijft het vonnis in stand.

3.20.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat er voor het hof geen vragen zijn over de feiten die tot bewijslevering nopen. Aan de door partijen bij memorie van grieven (onder 5.1) en memorie van antwoord (onder 81) gedane bewijsaanbiedingen wordt daarom voorbijgegaan.

3.21.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden verwezen in de kosten van het principaal appel. In het incidenteel appel zal het hof de kosten compenseren omdat partijen over en weer op enige punten in het ongelijk worden gesteld.

4 De uitspraak

Het hof,

recht doende in het principaal en het incidenteel hoger beroep,

4.1.

vernietigt het onder rolnummer 14-145 gewezen vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 20 april 2016 voor zover daarbij onder 5.2. de beslagkosten zijn begroot op € 3.842,37,

en in zoverre opnieuw recht doende:

4.3.

bepaalt de onder 5.2. vastgestelde beslagkosten op € 4.217,16,

4.4.

bekrachtigt het vonnis voor het overige,

4.5.

veroordeelt [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] bepaald op € 1.957,00 voor griffierecht en op € 2.938,50 voor salaris van de advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening,

4.6.

compenseert de proceskosten in het incidenteel appel aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.7.

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 246,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,00 in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening,

4.8.

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.9.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, E.J. van Sandick en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 november 2018.

griffier rolraadsheer