Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4565

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-11-2018
Datum publicatie
05-11-2018
Zaaknummer
20-001811-17
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:903
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag van moeder op haar bijna 4-jarige dochter. Vrijwillige terugtred? Weigerende observandus. Naast gevangenisstraf oplegging van tbs met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001811-17

Uitspraak : 5 november 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 2 juni 2017 in de strafzaak met parketnummer 03-659338-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

thans verblijvende in [verblijfadres] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Procedureverloop in hoger beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep is de zaak aan de orde geweest ter terechtzitting van het hof van 1 augustus 2017, 17 oktober 2017 en 8 januari 2018.

Vervolgens heeft het hof op 22 januari 2018 een tussenarrest gewezen, daarin het onderzoek heropend en de stukken in handen gesteld van de raadsheer-commissaris teneinde door het Pieter Baan Centrum een psychologisch en psychiatrisch onderzoek te laten uitvoeren aangaande de geestvermogens van verdachte.

Vervolgens is de zaak behandeld ter terechtzitting van het hof van 16 april 2018, 11 juni 2018, 27 augustus 2018 en laatstelijk ter terechtzitting van 22 oktober 2018.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 8 januari en 22 oktober 2018 en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en de verdachte zal vrijspreken terzake de feiten onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair en terzake het onder 1 primair en onder 2 meest subsidiair zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 4 jaren waarvan 22 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 10 jaren, met oplegging van bijzondere voorwaarden overeenkomstig de rechtbank en met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft een vrijspraakverweer gevoerd, een beroep gedaan op een strafuitsluitingsgrond en een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de (meervoudige kamer van de) rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
zij in of omstreeks de periode van 29 juli 2016 tot en met 02 augustus 2016, in de gemeente Echt-Susteren, in elk geval in het arrondissement Limburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven te beroven, met dat opzet en met die voorbedachte rade voornoemde [slachtoffer 1] lyrica, althans een niet lichaamseigen stof heeft toegediend en/of meermalen, althans eenmaal heeft gewurgd en/of heeft verstikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:


zij in of omstreeks de periode van 29 juli 2016 tot en met 02 augustus 2016, in de gemeente Echt-Susteren, in elk geval in het arrondissement Limburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar kind, [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] lyrica, althans een niet lichaamseigen stof heeft toegediend en/of meermalen, althans eenmaal heeft gewurgd en/of heeft verstikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:


zij in of omstreeks de periode van 29 juli 2016 tot en met 02 augustus 2016, in de gemeente Echt-Susteren, in elk geval in het arrondissement Limburg, haar kind, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1] lyrica, in ieder geval een niet lichaamseigen stof toe te dienen en/of meerdere malen, althans eenmaal te wurgen en/of te verstikken;

2.
zij in of omstreeks de periode van 29 juli 2016 tot en met 02 augustus 2016, in de gemeente Echt-Susteren, in elk geval in het arrondissement Limburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachte rade, van het leven te beroven, met dat opzet en met die voorbedachte rade voornoemde [slachtoffer 2] lyrica, althans een niet lichaamseigen stof heeft toegediend en/of meermalen, althans eenmaal heeft gewurgd en/of heeft verstikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:


zij in of omstreeks de periode van 29 juli 2016 tot en met 02 augustus 2016, in de gemeente Echt-Susteren, in elk geval in het arrondissement Limburg, ter voorbereiding van het misdrijf/ de misdrijven moord en/of doodslag en/of zware mishandeling (bedoeld in artikel 289 en/of 287 en/of 302 Wetboek van Strafrecht), zijnde (een) misdrijf/misdrijven waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, (met voorbedachte rade) (en) opzettelijk haar kind, [slachtoffer 2] , lyrica, in elk geval een niet lichaamseigen stof, bestemd tot het begaan van dat misdrijf/die misdrijven, heeft toegediend, in elk geval voorhanden heeft gehad en/of meermalen, althans eenmaal voornoemde [slachtoffer 2] heeft gewurgd en/of verstikt;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:


zij in of omstreeks de periode van 29 juli 2016 tot en met 02 augustus 2016, in de gemeente Echt-Susteren, in elk geval in het arrondissement Limburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar kind, [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet voornoemde [slachtoffer 2] lyrica, althans een niet lichaamseigen stof heeft toegediend en/of meermalen, althans eenmaal heeft gewurgd en/of heeft verstikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:


zij in of omstreeks de periode van 29 juli 2016 tot en met 02 augustus 2016, in de gemeente Echt-Susteren, in elk geval in het arrondissement Limburg, haar kind, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] lyrica, althans een niet lichaamseigen stof toe te dienen en/of meermalen, althans eenmaal te wurgen en/of te verstikken;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Ten aanzien van feit 2 primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair

Het hof zal verdachte vrijspreken van hetgeen aan haar onder feit 2 primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair is ten laste gelegd.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] , lyrica, althans een niet lichaamseigen stof, heeft toegediend, althans heeft gewurgd en/of verstikt.

Voor zover de advocaat-generaal ten aanzien feit 2 meest subsidiair een ander standpunt heeft ingenomen, wordt dit verworpen. In tegenstelling tot hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft geoordeeld, waar de advocaat-generaal in het requisitoir zich achter schaarde, is het hof van oordeel dat verdachte door het laten rondslingeren van medicijnen, waaronder Lyrica, niet bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] het medicijn tot zich zou nemen en met de gevolgen van dien. Daar zou hooguit gesproken kunnen worden van (grove) onachtzaamheid maar niet van opzettelijk handelen. Voorts acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar zoontje [slachtoffer 2] heeft gewurgd of verstikt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
zij omstreeks de periode van 29 juli 2016 tot en met 02 augustus 2016, in de gemeente Echt-Susteren, in elk geval in het arrondissement Limburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal heeft gewurgd en/of heeft verstikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde integraal moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat verdachte ontkent [slachtoffer 1] te hebben gewurgd of te hebben verstikt. Volgens de verdediging valt niet uit te sluiten dat een ander [slachtoffer 1] heeft proberen te wurgen of te verstikken op het moment dat verdachte en de kinderen lagen te slapen. Verdachte zou de deur van haar kamer nooit afsluiten op het moment dat zij ging slapen waardoor anderen ook toegang tot de kamer hebben gehad.

Het hof overweegt dienaangaande volgt.

Uit het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] blijkt dat zij en haar vriend [vriend] op 30 juli 2016 rond 21.15 uur de kamer van verdachte bij [instelling] (te Echt-Susteren) hebben verlaten en dat zij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hof: de kinderen van verdachte) toen nog hebben gezien en de kinderen alstoen nog ongedeerd waren.

Blijkens het proces-verbaal betreffende het Whatsapp-gesprek tussen [verdachte] en [voormalige partner] van die nacht blijkt dat verdachte op meerdere momenten gedurende de avond en de nacht van 30 op 31 juli 2016, tot 3.28 uur Whatsapp-contact heeft gehad met [voormalige partner] , haar voormalige partner en vader van de kinderen. In dat contact heeft zij niet gesproken over de aanwezigheid van een ander in de kamer en brengt verdachte niet ter sprake dat zij enig letsel zou hebben geconstateerd bij [slachtoffer 1] . Om 3:28 uur stuurt verdachte zelfs een foto naar [voormalige partner] waarop twee kennelijk slapende kinderen zichtbaar zijn.

De betreffende via Whatsapp verzonden foto van de twee slapende kinderen is, getuige de metadata van de foto, toen gemaakt (op 31 juli 2016 om 3:27:58 uur, (pv d.d. 17 oktober 2016).

De volgende ochtend heeft verdachte in een telefoongesprek met haar moeder vertelt dat ze het letsel, bestaande uit ‘dat rooie’ en ‘het rooie in de ogen’, in de ochtend constateerde toen ze [slachtoffer 1] uit bed haalde (pv Call Recorder). Blijkens het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] (stagiaire bij [instelling] ) had [verdachte] tegen haar gezegd dat verdachte en de kinderen al om 8.00 uur wakker waren. Het hof gaat er vanuit dat het geconstateerde letsel is ontstaan op enig moment tussen 3:28 uur en 8:00 uur ‘s morgens.

Uit de rapportage van het Forensisch medisch onderzoek inzake [slachtoffer 1] blijkt dat bij [slachtoffer 1] in het gelaat en op de rechter en linker zijde van de hals onder de oren diffuus verspreide puntvormige bloeduitstortingen in de huid zichtbaar waren en dat er in het linker oog subconjunctivale bloedingen zichtbaar waren. Uit het rapport blijkt dat dit letsel kan ontstaan door onder andere strangulatie en dat de combinatie van diffuus verspreide puntvormige bloeduitstortingen in het gelaat en de subconjunctivale bloedingen in het linkeroog zeer verdacht is voor een niet-accidentele oorzaak.

De combinatie van het aantal, de verspreiding en de clustering van petechiën - hof: voornoemde puntvormige bloeduitstortingen - vanaf de hals over het hoofd en mogelijk de twee oogwitbloedingen links, op 2 augustus 2016 bij [slachtoffer 1] , is zonder onderliggende medische aandoening, zeer suspect voor doorgemaakte afvloedbelemmering van aderlijk bloed van het hoofd gedurende enige tijd (waarschijnlijk minimaal 15 seconden). De gemelde toedracht, het (lang) in of onder een kussen slapen is, aldus het NFI, geen verklaring voor het ontstaan van de petechiën en oogwitbloedingen.

Op basis van de literatuur wordt ervan uitgegaan dat er minstens 15-30 seconden afvloed belemmering van bloed in het hoofd moet zijn geweest, alvorens petechiën vrijwel direct tot na hooguit enkele minuten verspreid over het gelaat zichtbaar kunnen worden. Een medische oorzaak, slapen met het gezicht onder, op of in een kussen, dragen/vastpakken van het kind kunnen, aldus het NFI, als uitgesloten worden beschouwd als oorzaak voor de petechiën verspreid over het hoofd vanaf de hals rechts/zijwaarts, en van de twee oogwitbloedingen links. Het NFI concludeert op pagina 14 van het rapport dat de aanwezigheid van veel petechiën, op de desbetreffende delen van het hoofd/halsgebied, zeer suspect is voor een heftig doorgemaakt incident bestaande uit afvloedbelemmering van bloed uit het hoofd in het kader van omsnoerende en/of samendrukkende krachtsinwerking(en) op de hals.

Uit diezelfde rapportage volgt dat de dood bij verwurging van een kind zeer snel kan intreden (het hof begrijp binnen seconden) bij samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals van een kind.

Eerder schreef verdachte een afscheidsbrief aan haar moeder, [moeder] , en [voormalige partner] , waarin zij schrijft dat zij “met de kinderen” zal waken over [moeder] en [voormalige partner] . Ook heeft verdachte op zaterdag 30 juli 2016 tegen haar moeder gezegd dat zij er een einde aan wilde maken (zelfmoord wilde plegen) en daarin de kinderen mee zou nemen.

Op basis van vorenstaande feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is het hof met de rechtbank van oordeel dat het verdachte is geweest die zoals tenlastegelegd heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te verwurgen/verstikken.

Het standpunt van de verdediging dat een ander op de kamer is geweest toen verdachte en haar kinderen lagen te slapen en toen heeft gepoogd [slachtoffer 1] te verstikken/verwurgen is onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk geworden. De enkele stelling van de verdediging dat verdachte wanneer zij ging slapen altijd de deur van haar kamer niet zou afsluiten is daartoe onvoldoende. Ook overigens zijn er uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden waaruit zou kunnen volgen dat een ander in de kamer van verdachte is geweest en aldaar getracht zou hebben [slachtoffer 1] te verwurgen of te verstikken.

Gelet op het vorenstaande wordt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging verworpen.

Voorbedachte raad

De rechtbank heeft verdachte terzake de primair ten laste gelegde poging tot moord veroordeeld. De advocaat-generaal heeft zich achter dit oordeel geschaard.

Het hof stelt voorop dat voor het aannemen van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld in situaties dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld

Verdachte heeft een afscheidsbrief geschreven waarin zij aangeeft dat zij “met de kinderen” zal waken” over [moeder] (haar moeder) en [voormalige partner] (haar ex-man). Ook zou zij die bewuste avond tegen haar moeder hebben gezegd dat ze zelfmoord wilde plegen en daarbij de kinderen mee wilde nemen.

Het hof is ondanks voormelde afscheidsbrief en de mededeling van verdachte aan haar moeder van oordeel dat uit het dossier niet, althans niet helder, blijkt wat de gedachten en beweegredenen van verdachte zijn geweest in de periode dat zij in de avond en nacht van 30 op 31 juli 2016 alleen met haar kinderen op haar kamer was. Met name is niet duidelijk of verdachte in die tijdsspanne daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de mogelijke gevolgen van haar voorgenomen daad. Dit klemt temeer nu verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven over wat er die avond en nacht van 30 op 31 juli 2016 is voorgevallen.

Ook uit overige feiten en omstandigheden volgt niet dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Evenmin kan dit worden afgeleid uit de omstandigheid dat verdachte omstreeks 3:28 uur die nacht een foto van haar kinderen aan [voormalige partner] stuurde die naar het hof begrijpt op dat moment rustig en kennelijk ongedeerd lagen te slapen. Dit kan eerder als een contra-indicatie worden opgevat voor het bewezen verklaren van het bestanddeel “voorbedachte raad”. Noch overigens kan uit overige feiten en/of omstandigheden volgen dat verdachte met voorbedachte rade heeft gehandeld.

De door verdachte geschreven brief en de door haar gedane uitlatingen kunnen weliswaar als een aanwijzing voor de aanwezigheid van voorbedachte raad worden gezien, maar mede gelet op haar cognitieve beperkingen en haar gebrek aan voldoende copingmechanismen, zoals blijkt uit de rapportages waarin gesproken wordt over de onrijpe primitieve coping, acht het hof deze brief en haar uitlatingen echter onvoldoende zwaarwegend om op grond daarvan te concluderen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

Gelet op het vorenstaande zal het hof – anders dan de rechtbank en anders dan gevorderd door de advocaat-generaal – de verdachte vrijspreken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot moord en verdachte veroordelen voor poging tot doodslag.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank op juiste gronden de verdachte heeft ontslagen van alle rechtsvervolging omdat zij vrijwillig zou zijn teruggetreden waardoor de strafbaarheid aan het handelen van verdachte is ontvallen.

Het hof stelt voorop dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred veelal is vereist een zodanig optreden van verdachte dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten. Van belang is dan of en zo ja in welke mate het waarschijnlijk is dat het gevolg zou zijn ingetreden ná verdachtes uitvoeringshandelingen maar vóór de gedragingen waarop het beroep op vrijwillige terugtred is gebaseerd. Hoe waarschijnlijker een dergelijk intreden van het gevolg is, des te minder ligt het in de rede om vrijwillige terugtred aan te nemen.

Hiervoor heeft het hof vastgesteld dat uit medisch onderzoek van het NFI bij [slachtoffer 1] is vastgesteld dat gelet op de combinatie van aantal, verspreiding en clustering van petechien vanaf de hals over het hoofd en mogelijk de 2 oogwitbloedingen bij haar zeer suspect zijn voor doorgemaakte afvloedbelemmering van aderlijk bloed van het hoofd gedurende enige tijd en wel waarschijnlijk gedurende minimaal 15 seconden. (blz. 12 rapport)

Voormelde vaststelling in het NFI rapport in samenhang met de ervaringsregel eveneens weergegeven in het desbetreffende rapport (blz. 14) dat de dood bij een kind zeer snel kan intreden (binnen enkele seconden) bij samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals, maakt naar het oordeel van het hof veel waarschijnlijker dat ten gevolge van de uitvoeringshandelingen van verdachte de dood zou zijn intreden dan dat dit gevolg zou zijn uitgebleven. Dat het gevolg is uitgebleven komt naar het oordeel van het hof niet door een gedraging van verdachte om het intreden van dit gevolg te beletten maar door een omstandigheid buiten de invloedssfeer van verdachte gelegen. Het hof acht daarbij van belang dat verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven omtrent hetgeen in de bewuste avond en nacht is voorgevallen. Door de verdediging is enkel gesteld dat het niet anders kan dan dat de verdachte de poging op enig moment heeft gestaakt en wel op een moment waarop er nog daadwerkelijk een keuze bestond tussen stoppen of doorgaan (zie pag. 2 en 3 pleitnota). Nog afgezien van het feit dat deze stelling niet is onderbouwd, volgt uit de vorenstaande bevindingen van het NFI dat deze stelling niet juist is. Daaruit volgt immers dat het enkele loslaten van de hals van het slachtoffer naar de aard en het tijdstip waarop dit moet hebben plaatsgevonden – minimaal 15 seconden na het dichthouden van de hals van [slachtoffer 1] – niet geschikt was om het intreden van het gevolg - de dood - te beletten.

Gelet op al het vorenstaande is het hof anders dan de rechtbank en de verdediging van oordeel dat er sprake is van een voltooide poging zodat er van vrijwillige terugtred geen sprake meer kon zijn. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.

Ook zijn er voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft verdachte terzake mishandeling van [slachtoffer 2] veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 10 jaren en aftrek van voorarrest. Tevens zijn bijzondere voorwaarden gesteld.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd verdachte terzake poging tot moord op [slachtoffer 1] en terzake mishandeling van [slachtoffer 2] te veroordelen tot een gevangenisstraf van 4 jaren waarvan 22 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 10 jaren en met bijzondere voorwaarden als door de rechtbank opgelegd.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden als door de rechtbank opgelegd in de rede ligt. Het een en ander behoudens de bijzondere voorwaarde dat de behandeling in Venray zou moeten worden ondergaan. Volgens de verdediging is de verdachte bereid aan een behandeling mee te werken en de instructies van de reclassering in dit kader op te volgen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Verdachte heeft geprobeerd haar dochter van destijds bijna vier jaren oud om het leven te brengen door haar te verwurgen en/of te verstikken. Door een omstandigheid buiten de wil van verdachte gelegen is de dood uiteindelijk niet gevolgd. Het is een wonder dat de dochter van verdachte nog leeft. Het proberen om te brengen van je eigen kind is een zeer ernstig feit, waarvoor niet kan worden volstaan met een andere of lagere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Daarnaast is het hof van oordeel dat de verdachte ter beschikking dient te worden gesteld en dat zij van overheidswege dient te worden verpleegd en overweegt daartoe het volgende.

Allereerst stelt het hof vast dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het door het hof bevolen onderzoek naar haar geestvermogens in het Pieter Baan Centrum. Verdachte is een zogenoemde weigerende observandus. In dat kader stelt het hof het navolgende voorop.

Indien sprake is van een weigerende observandus, is ingevolge artikel 37a, derde lid Sr oplegging van TBS ook mogelijk zonder het in artikel 37, tweede lid, Sr bedoelde multidisciplinaire deskundigenadvies, waarmee gewaarborgd wordt de verdachte, indien deze het vermogen heeft tactisch de keuze te maken om niet mee te werken aan gedragskundig onderzoek, het daarmee nog niet in zijn macht heeft de uitkomst van de rechterlijke beslissing over zijn toerekeningsvatbaarheid te bepalen.

Artikel 37 lid 3 Sr schrijft voor dat de rechter zich in een dergelijk geval 'zoveel mogelijk' van vervangende rapportage moet laten voorzien, bijvoorbeeld door gebruik te maken van eerder uitgebrachte rapportages aan de hand waarvan de rechter zich een oordeel kan vormen of er bij betrokkene sprake is van een stoornis. Die vervangende rapportage is doorgaans kwalitatief beperkt: hetzij omdat die rapportage niet recent is, hetzij omdat zij berust op onvolledig onderzoek waarbij zich gevallen kunnen voordoen waarin gedragsdeskundigen als gevolg van de weigering van de verdachte bij het vastleggen van hun conclusies en bevindingen aan de grenzen komen van wat zij op basis van de voor hen geldende wetenschappelijke criteria en tuchtrechtelijke normen nog kunnen verantwoorden. Voorts kan het voorkomen dat over de verdachte niet eerder rapportages zijn uitgebracht. In het uiterste geval kan de rechter dan toch tot de vaststelling van een stoornis komen: voor zijn beslissing dient de rechter dan wel voldoende steun te vinden in hetgeen gedragsdeskundigen wél hebben kunnen vaststellen en hetgeen de rechter verder aan feiten en omstandigheden is gebleken met betrekking tot de persoon van verdachte.

In het licht van deze vooropstelling stelt het hof het navolgende vast dat met betrekking tot de persoon van verdachte de navolgende rapporten zijn opgemaakt:

1. een milieu-onderzoek opgemaakt op 27 maart 2017 door forensisch milieu-inspecteur dhr. J.L.J. Volders,

2. Pro Justitia Rapport opgemaakt op 19 april 2017 door psychiater J.L.M. Dinjens in onderhavige zaak,

3. Pro Justitia Rapport opgemaakt op 15 april 2017 door psycholoog J. Nys in onderhavige zaak,

4. Pro Justitia Rapport uitgebracht door het Pieter Baan Centrum en opgemaakt door psychiater H.T.J. Boerboom en psycholoog B. van Giessen van 29 augustus 2018 met daarin een aanvullend milieu-onderzoek.

Ad. 1

Het milieu-onderzoek opgemaakt op 27 maart 2017 door forensisch milieu-inspecteur dhr. J.L.J. Volders, vermeldt zakelijk weergegeven:

Het milieu-onderzoek beslaat de periode vanaf de eerste jaren van verdachte (vanaf 1992) tot 27 maart 2017. Kort gezegd gaat het daarin over toenemende gedragsproblemen in de periode tussen het 4e en 12e levensjaar, toenemende problemen in de thuissituatie van verdachte met uiteindelijke uithuisplaatsing van verdachte in de periode 2004 tot 2008, de periode waarin verdachte onder voogdij stond van het bureau Jeugdzorg (2008-2010),de relatie met [voormalige partner] en de geboorte van [slachtoffer 1] (2011-2012), de relationele problemen tussen verdachte en [voormalige partner] , de uithuisplaatsing van [slachtoffer 1] en de geboorte van [slachtoffer 2] (2013-2014) en het verblijf van verdachte in [instelling] .

In dit milieu-onderzoek is verder opgenomen (blz. 28) dat tijdens een gesprek op 9 mei 2016 een overleg plaatsvond in aanwezigheid van de gezinsvoogd, begeleiders vanuit [instelling] , het Centrum Jeugd en Gezin, de mentor, het kinderdagverblijf. (Daarbij werd geconcludeerd dat de betrokkene de veiligheid van haar kinderen niet kon garanderen (onderstreping hof). De mentor opperde daarbij dat het verstandig was wanneer betrokkene zich psychisch liet onderzoeken zodat [instelling] duidelijk kreeg hoe ze met haar om moesten gaan. Dat wilde betrokkene niet.

Ad. 2

In het pro justitia rapport van psychiater Dinjens opgemaakt op 19 april 2017 in onderhavige zaak wordt ondermeer geconcludeerd, zakelijk weergegeven:

1.Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?

Ja. Er is bij betrokkene sprake van zwakbegaafdheid en een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken.

2. Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde?

Indien bewezen, was dit ook het geval ten tijde van het ten laste gelegde.

3. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (zodanig dat het ten laste gelegde daaruit verklaard kan worden?

Beide stoornissen betreffen een gebrekkige ontwikkeling en zijn dus per definitie consistent aanwezig.

5.Wat is de verwachting dat betrokkene, gelet op de hierboven beschreven stoornis zal recidiveren?

In algemene zin kan worden gesteld dat risicoverhogende factoren vanuit de persoonlijkheid samenvallen met vastgestelde psychopathologie, zoals emotionele instabiliteit, problemen rondom agressie en impulscontrole, als ook het niet kunnen overzien van risicovolle situaties en de onrijpe primitieve coping. Het recidiverisico op vergelijkbare gedragingen en pedagogische problemen in het algemeen wordt thans al voor een belangrijk deel afgewend door de uithuisplaatsing van de kinderen en het feit dat zij naar verluidt onlangs gesteriliseerd zou zijn. Het recidiverisico wordt – indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht – hierdoor thans als laag ingeschat. Het recidiverisico kan oplopen tot een matig risico, indien betrokkene, zonder adequate behandeling en begeleiding, de zorg voor haar kinderen of anderen aan haar zorg zijn toevertrouwd, weer op zich zou nemen.

6.Welke aanbevelingen van gedragskundige en van andere aard zijn te doen voor interventies die het eventuele recidivegevaar kunnen beperken

Betrokkene is vanuit haar psychotherapie en kwetsbaarheid gebaat bij intensieve behandeling. Hierbij zou gedacht kunnen worden aan intensieve psychotherapeutische interventies en behandeling en daarnaast zou ook de mogelijkheid van stemming- en gedragsregulerende medicatie (…). De vastgestelde psychopathologie is in algemene zin vaak hardnekkig en weerbarstig (onderstreping hof).

Ad. 3

In het pro justitia rapport van psycholoog J. Nys opgemaakt op 15 april 2017 in onderhavige zaak wordt ondermeer geconcludeerd, zakelijk weergegeven:

1.Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?

Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens in DSM-termen te diagnosticeren als laagbegaafdheid en een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken.

2. Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde?

Indien bewezen, was dit ook het geval ten tijde van het ten laste gelegde.

3. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (zodanig dat het ten laste gelegde daaruit verklaard kan worden?

Beide stoornissen worden gekenmerkt door relevante beperkingen die forensisch relevant zijn. In vergelijking met een gemiddeld begaafd persoon gaat laagbegaafdheid gepaard met minder keuzemogelijkheden, beperktere cognitieve copingmechanismen en moeite met het overzien van de risico’s van situaties. De persoonlijkheidstoornis wordt bij betrokkene onder meer gekenmerkt door boosheidsregulatieproblemen, impulsiviteit, een lage frustratietolerantie, krenkbaarheid, wantrouwen en beperkte empatische vermogens.

5.Wat is de verwachting dat betrokkene, gelet op de hierboven beschreven stoornis zal recidiveren?

Feitelijke vaststellingen (borderline/antisociale persoonlijkheidstrekken en diverse risicofactoren bij kindermishandeling/gewelddadig gedrag) leiden tot de verwachting dat de kans op delictgedrag gelijkaardig als het ten laste gelegde (indien bewezen) ten opzichte van iemand die niet soortgelijke persoonlijkheidskenmerken en risicofactoren heeft verhoogd aanwezig is maar dat dit risico door controlerende maatregelen goed onder controle kan worden gehouden. Zolang betrokkene niet opnieuw kinderen onder haar verantwoordelijkheid krijgt is de kans op herval laag te noemen, tenzij ze in een relatie stapt waarin jonge kinderen aanwezig zijn. Indien en voor zover het ten laste gelegde als bewezen wordt geacht, kan een intensieve behandeling van de dynamische/beïnvloedbare risicofactoren bijkomend tot recidivereductie leiden.

6.Welke aanbevelingen van gedragskundige en van andere aard zijn te doen voor interventies die het eventuele recidivegevaar kunnen beperken

Cluster-B persoonlijkheidsstoornissen zijn doorgaans moeilijk te behandelen. Het is een werk van lange adem maar niet onmogelijk (onderstreping hof). Diverse studies hebben aangetoond dat psychotherapie werkzaam is gebleken in de behandeling van borderline persoonlijkheidsproblematiek. Een complicerende factor is haar laagbegaafdheid die niet te behandelen is.

Bij een bewezenverklaring bestaat het risicomanagementplan idealiter zowel uit behandeling als controlerende maatregelen. De civielrechtelijke maatregel zorgt ervoor dat de kinderen uit huis worden geplaatst en dat er geen permanent en verantwoordelijkheid meer berust bij betrokkene hetgeen het recidiverisico op feiten gelijkaardig aan het ten laste gelegde aanzienlijk doet dalen.

Ad 4

In het Pro Justitia Rapport uitgebracht door het Pieter Baan Centrum en opgemaakt door psychiater H.T.J. Boerboom en psycholoog B. van Giessen van 29 augustus 2018 met daarin een aanvullend milieu-onderzoek, zakelijk weergegeven:

Uit de forensische analyse en beantwoording van de vraagstelling blijkt uit het betreffende rapport onder meer het navolgende:

Betrokkene heeft niet meegewerkt aan het onderzoek.

1Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?

Beide rapporteurs hebben nauwelijks eigen onderzoek (al gaf betrokkene tijdens de bespreking van de diagnostische beschouwingen wel aan dat ze zich daarin herkende). Er kon geen lichamelijk, laboratorium en testpsychologisch onderzoek gedaan worden. Wel was het mogelijk het uitgebreide ambulant opgestelde milieurapport aan te vullen en kon betrokkene op de afdeling worden geobserveerd.

Op basis van het huidig onderzoek zijn er geen aanwijzingen naar voren gekomen voor een ziekelijke stoornis: een duidelijke psychiatrische ziekte ‘in engere zin’, zoals schizofrenie of een stemmingsstoornis.

Terugkijkend naar het ambulante triple onderzoek (hof: zie hiervoor de rapportages onder 1, 2 en 3) lijken de conclusies die toen zijn getrokken logisch voort te komen uit de destijds beschikbare informatie. Bij betrokkene werden door de ambulante onderzoekers de diagnoses (ernstige) borderlinepersoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken en zwakbegaafdheid gesteld.

De informatie uit het aanvullend milieuonderzoek van het PBC vullen die eerder gemaakte overwegingen vooral aan. Deze diagnoses kunnen we vanwege de weigering van betrokkene niet bevestigen vanuit eigen observationeel onderzoek, maar wanneer het milieuonderzoek wordt beschouwd, dan vertoont betrokkene wel een consistent, door de tijd heen onderbouwd, inadequaat gedragspatroon waarvan gesteld kan worden dat dit in alle levensgebieden heeft doorgewerkt. Op basis van eigen onderzoek kan dus niet geconcludeerd worden dat er sprake is van een ziekelijke stoornis ‘in engere zin’, maar wel dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Steeds wanneer betrokkene stress ervaart (sociaal, relationeel, maatschappelijk) blijkt ze het overzicht te verliezen en reageert zij inadequaat. Het lukt haar niet op passende wijze hulp te vragen, ze blijft zelfbepalend (louter haar primaire emoties volgend en niet adequaat afgestemd), agerend, reagerend met acting-outgedrag, zonder probleembesef en -inzicht in

haar situatie en wijze van acteren. Dit is aldus een al lang bestaand gedragspatroon waarvan ook sprake was ten tijde van de ten laste gelegde feiten

Het ambulante intelligentieonderzoek is ruim een jaar geleden verricht. Toen was er sprake van een intelligentie op de grens van zwakbegaafdheid en een licht verstandelijke beperking.

Dit onderzoek hebben we niet kunnen repliceren, maar in de klinische praktijk zou dit toenmalige onderzoek minstens als indicatie voor betrokkenes cognitieve capaciteiten gelden.

Waarschijnlijk is dit een van de onderliggende factoren onder de gebrekkige ontwikkeling.

Daarnaast zijn er verschillende hypothesen die mogelijk daaraan gerelateerd zijn, separaat of in onderlinge samenhang. Naast de waarschijnlijk beperkte cognitieve capaciteiten moet gedacht worden aan hechtingsproblematiek, persoonlijkheidsproblematiek, (complexe)

posttraumatische stressstoornis, partieel foetaal alcoholsyndroom en medicatie-effecten.

3. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (zodanig dat het ten laste gelegde daaruit verklaard kan worden?

Indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden geacht, dan is er vanuit betrokkene als moeder feitelijk geen ‘gezond’ delictscenario denkbaar waarin zij als gemiddelde mens haar wil in vrijheid heeft kunnen bepalen en in volle bewustzijn en met de mogelijkheid van afweging van gezondere gedragsalternatieven tot dergelijke feiten jegens haar kinderen zou zijn gekomen. Omdat betrokkene echter niet meewerkte aan het onderzoek en zij de ten laste gelegde feiten ontkent, kan er überhaupt geen onderbouwd specifiek delictscenario worden geformuleerd.

Wel kan gesteld worden dat er in de aanloop tot de ten laste gelegde feiten sprake was van stressverhogende factoren, zoals het uit huis plaatsen van de kinderen en het verlies van haar huisvesting. Door de jaren heen reageert betrokkene, ongeacht wat de onderliggende mogelijke diagnoses zouden kunnen zijn, vooral inadequaat op stress middels zelfbepalend, agerend en acting-outgedrag, waarbij ze geen probleembesef en -inzicht heeft in haar situatie en wijze van acteren. Bij dit patroon van reageren kan geen weloverwogen reactie worden verwacht en kunnende ten laste gelegde feiten haar in verminderde mate worden toegerekend

5.Wat is de verwachting dat betrokkene, gelet op de hierboven beschreven stoornis zal recidiveren?

Naar alle waarschijnlijkheid zal betrokkene zonder behandeling/begeleiding haar gedragsrepertoire niet veranderen. Wanneer ze in een zelfde situatie als ten tijde van het ten laste gelegde terecht zou komen, bijvoorbeeld in een relatie met een partner met kinderen, dan zal bij verhoogde stress haar coping niet anders zijn en zal ze naar alle waarschijnlijkheid middels acting-out, agerend en zonder probleeminzicht reageren, wat de kans op recidive in die situatie hoog maakt.

6.Welke aanbevelingen van gedragskundige en van andere aard zijn te doen voor interventies die het eventuele recidivegevaar kunnen beperken

Kijkend naar haar voorgeschiedenis met de hulpverlening, dan laat betrokkene zich niet gemakkelijk begeleiden doordat ze door de tijd geen inzicht toont in haar problematiek en ze sterk zelfbepalend is. Om het recidiverisico te beperken is behandeling en begeleiding noodzakelijk.

Naast voormelde rapporten zijn er omtrent de verdachte nog de navolgende reclasseringsrapporten uitgebracht:

Reclasseringsrapport van 24 april 2017 met ondermeer daarin, zakelijk weergegeven:

Nadat de triple-rapportage werd afgerond (hof: zie hiervoor de rapporten onder 1, 2 en 3) heeft rapporteur nogmaals een bezoek gebracht aan [verdachte] met name om haar motivatie voor de door het NIFP voorgestelde klinische behandeling met haar te bespreken. Betrokkene toonde zich opnieuw zeer recalcitrant en weerbarstig en ze stelde de nodige “eisen” ten aanzien van de regio/kliniek waarin ze haar behandeling zou moeten/kunnen ondergaan. Het bleek uiteindelijk niet mogelijk om daar met betrokkene een fatsoenlijk gesprek over te voeren en rapporteur heeft het gesprek uiteindelijk eenzijdig beëindigd.

Reclasseringsrapport van 17 oktober 2018 met onder meer daarin, zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van het PBC-rapport (hof: zie hiervoor het rapport onder 4) werd de reclassering gevraagd een advies te geven met betrekking tot de haalbaarheid van een reclasseringstoezicht danwel TBS met voorwaarden.

Wij spraken [verdachte] .

Betrokkene heeft zich het gehele gesprek dat werd gevoerd door rapporteur en een collega die eerder over haar rapporteerde, weigerachtig en verbaal agressief opgesteld.

Zij gaf aan niets te willen van de reclassering.

Betrokkene gaf aan niet mee te willen werken aan een reclasseringstoezicht en ook niet aan TBS met voorwaarden.

Betrokkene sprak vrijwel het gehele gesprek op een agressieve, diskwalificerende manier. Er was geen enkele bereidheid te overleggen over eventuele (on)mogelijkheden. Op basis hiervan moeten we concluderen dat zowel een reclasseringstoezicht als een TBS met voorwaarden niet haalbaar is.

Oordeel van het hof naar aanleiding van voormelde rapportages en reclasseringsadviezen.

Uit de rapportages van de deskundigen opgemaakt in 2017 en hiervoor onder 2 en 3 weergegeven volgt dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens in DSM-termen te diagnosticeren als laagbegaafdheid en een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken. Ten aanzien van deze gebrekkige ontwikkeling wordt tevens aangegeven dat deze psychopathologie in algemene zin vaak hardnekkig en weerbarstig is en eveneens consistent aanwezig is (rapport psycholoog) en dat cluster-B persoonlijkheidsstoornissen doorgaans moeilijk te behandelen zijn en dat het werk van lange adem is maar niet onmogelijk (rapport psychiater).

De informatie uit het aanvullend milieuonderzoek van het PBC als onder 4 weergegeven, vullen deze overwegingen uit het triple-onderzoek aan. De in het triple-onderzoek uitgevoerde diagnoses konden weliswaar vanwege de weigering van betrokkene niet worden bevestigd vanuit eigen observationeel onderzoek, maar wanneer het milieuonderzoek werd beschouwd, dan vertoonde betrokkene wel een consistent, door de tijd heen onderbouwd, inadequaat gedragspatroon waarvan gesteld kan worden dat dit in alle levensgebieden heeft doorgewerkt. Op basis van enkel het eigen onderzoek van het PBC kon dus niet geconcludeerd worden dat er sprake is van een ziekelijke stoornis ‘in engere zin’, maar wel dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Het hof is ondanks de omstandigheid dat sprake is van een weigerende observandus en het ontbreken van een recent multidisciplinair deskundigenadvies van oordeel dat de rapporten als hiervoor onder 2 en 3 weergegeven - en welke met het oog op de onderhavige zaak zijn opgesteld - een afdoende “vervangende rapportage” vormen om op basis daarvan te concluderen dat er bij verdachte sprake is van een stoornis.

Het hof heeft bij dit oordeel betrokken de recente datum van beide rapporten, de uitgebreidheid van het uitgevoerde onderzoek en de medewerking daaraan van verdachte alsmede de omstandigheid dat de bevindingen in deze rapportages bevestiging vinden in het PBC-rapport, zoals hiervoor weergegeven onder 4, en dan met name in het door het PBC uitgevoerde aanvullende milieu-onderzoek. Bovendien is in de rapporten onder 2 en 3 geconcludeerd dat de stoornis waaraan verdachte lijdt – kort gezegd – hardnekkig en consistent is te noemen wat bijdraagt aan het oordeel dat verdachte nog immer aan een stoornis lijdende is.

Voormelde rapporten onder 2 en 3 maar ook onder 4 zijn eensluidend voor wat betreft het recidiverisico. Dit zal met name toenemen wanneer zij zonder adequate behandeling en begeleiding, weer de zorg voor haar kinderen zou krijgen of ingeval de kinderen van anderen aan haar zorg zouden worden toevertrouwd.

Voormelde rapporten zijn tevens eensluidend in hun oordeel dat verdachte begeleid en behandeld moet worden, dit alles zij het toen gekoppeld als bijzondere voorwaarde aan een strafdeel of in de vorm van TBS met voorwaarden.

Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de advocaat-generaal en de raadsman zich eveneens op het standpunt gesteld dat behandeling en begeleiding in een voorwaardelijke setting zou moeten plaatsvinden.

Het hof zal hieromtrent anders beslissen gelet op de inhoud van de hiervoor weergegeven reclasseringsadviezen waaruit zeer duidelijk van weerstand van verdachte blijkt tegen behandeling en begeleiding en waarbij in het laatste reclasseringsadvies zelfs wordt geconcludeerd dat zowel een reclasseringstoezicht als een TBS met voorwaarden niet haalbaar is gelet op de houding van de verdachte.

Het hof is gelet op de ernst van het feit, het recidivegevaar, de aard van de stoornis en de weerstand van verdachte tegen behandeling en begeleiding van oordeel dat een behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk is.

In de omstandigheid dat de kinderen momenteel met een machtiging uit huis zijn geplaatst en verdachte naar eigen zeggen mogelijk gesteriliseerd zou zijn ziet het hof geen reden anders te oordelen.

Bewezenverklaard is voorts dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, op welk misdrijf naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het bewezenverklaarde feit ter zake waarvan deze maatregel wordt opgelegd, betreft een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom de vier jaar te boven gaan.

De andersluidende standpunten van de verdediging en de advocaat-generaal worden verworpen.

Beslag

Ten aanzien van de hierna genoemde in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, 2 subsidiair, 2 meer subsidiair en 2 meest subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat zij van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

-mobiele telefoon Samsung Galaxy S3, SIN: AAJF8759NL;

-mobiele telefoon Samsung Galaxy S5, SIN: AAJF8760NL;

-netbook, Asus, SIN: AAJF8748NL;

-laptop, Acer, SIN: AAJF8744NL;

-schrijfblok, HEMA, SIN: AAJF8747NL;

-kussen Hello Kitty, SIN: AAJF8745NL;

-kussen Cars, SIN: AAJF8746NL;

-tablet Samsung Galaxy, SIN: AAJF8742NL;

-doos met medicijnen, SIN: AAFJ8743NL.

Aldus gewezen door:

mr. H.A.W. Vermeulen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. M.A.M. Wagemakers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. Van der Meijs, griffier,

en op 5 november 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.A.M. Wagemakers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.