Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4537

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
200.212.418_01 en 200.217.865_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:8234
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:8233
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie; verdeling huwelijksgemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2019/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 1 november 2018

Zaaknummers: 200.212.418/01 (partneralimentatie)

200.217.865/01 (verdeling)

Zaaknummers eerste aanleg: C/02/300197/FA RK 15-3680 (echtscheiding)

C/02/312245/FA RK 16-1237 (verdeling)

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] , Peru,

appellante in principaal appel,

verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.J. Jurgers,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P.H. Kramer.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 23 december 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 maart 2017, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen (voor zover het betreft de partneralimentatie) en opnieuw rechtdoende alsnog toe te wijzen haar inleidend verzoek te bepalen dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van € 1.750,-- per maand, althans een bedrag dat het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 mei 2017, heeft de man verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel het hoger beroep van de vrouw af te wijzen.

Tevens heeft de man incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen (voor zover het betreft de verdeling van de huwelijksgemeenschap) en opnieuw rechtdoende:

“de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (zaak-/rekestnummer C/02/312245 FA RK 16-1237) van partijen te gelasten, zulks op de wijze zoals door de man uiteengezet en bedoeld in zijn toelichtingen op zijn grieven 1 tot en met 3 alsook rekening houdende met hetgeen de man in art. 87 en 88 van dit processtuk te berde heeft gebracht.”

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel tevens (voorwaardelijk) incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 21 juni 2017, heeft de vrouw verzocht:

Primair:

De man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidenteel appèl;

Subsidiair, voorzover de man ontvankelijk wordt geacht:

Het incidenteel appèl van de man af te wijzen, dan wel hem zijn verzoeken te ontzeggen, alsmede te bepalen dat de vrouw ex artikel 3:194 lid 2 BW gerechtigd is tot de gehele waarde van de kapitaalpolis nummer [rekeningnummer] bij SRLEV N.V. (Reaal) en de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de afkoop en/of uitkering daarvan aan de vrouw, met bepaling dat het ten deze te wijzen arrest ex artikel 3:300 BW in de plaats zal treden voor de medewerking van de man indien hij niet tijdig gevolg geeft aan deze veroordeling, althans te bepalen dat de man een dwangsom van € 250,= per dag verbeurt indien hij na betekening van dit arrest deze veroordeling niet tijdig nakomt;

Voorwaardelijk, voorzover de man ontvankelijk wordt geacht:

De beschikking van de Rechtbank Breda d.d. 23 december 2016 gewezen onder zaak/rekestnummer C/02/312245/ FA RK 16-1237 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap aldus vast te stellen, dat de vrouw in aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde verdeling recht heeft op het aandeel van de man in de overwaarde van de woning ex artikel 3:194 lid 2 BW en de man te veroordelen om hetgeen hij dientengevolge verschuldigd is aan de vrouw te voldoen.”

2.2.2.

Bij verweerschrift hoger beroep voorwaardelijk incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 27 juli 2017, heeft de man verzocht:

“de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, d.d. 23 december 2016 (zaak-/rekestnummers C/02/300197 FA RK 15-3680 en C/02/312245 FA RK 16-1237), althans het verzoek van de vrouw dit hoger beroep af te wijzen, dan wel haar deze te ontzeggen.”

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juli 2018.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Jurgers en mevrouw T.M. Fernandez-Toirkens, tolk;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Kramer.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 31 oktober 2016;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 21 juni 2018;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 22 juni 2018;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 25 juni 2018;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de man overgelegde pleitnotitie.

Voormeld V6-formulier met bijlage van de advocaat van de man is ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn.

De vrouw heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Gelet op het feit dat deze stukken kort en eenvoudig te doorgronden zijn, heeft het hof echter beslist dat deze stukken worden toegelaten.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op 22 november 2002 te Bergen op Zoom met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

3.2.

Op 8 juni 2015 heeft de vrouw het verzoek tot echtscheiding ingediend. Bij (tussen)beschikking van 23 maart 2016 is daarop de echtscheiding uitgesproken. De beslissingen met betrekking tot de partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgemeenschap zijn aangehouden. De echtscheidingsbeschikking is op 3 juni 2016 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij de bestreden (eind)beschikking van 23 december 2016 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg:

  • -

    de door de man aan de vrouw, voor wat betreft toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling, te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud bepaald op € 575,-- per maand, zulks met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en tot 1 september 2017;

  • -

    de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 september 2017 op nihil gesteld;

  • -

    voor zover de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap gelast op de wijze zoals in rov. 2.17 is vermeld.

3.4.

Partijen kunnen zich (op onderdelen) met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

Ontvankelijkheid

3.5.1.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man niet-ontvankelijk is in het door hem ingestelde incidenteel hoger beroep. Zij meent dat nu zij hoger beroep heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking inzake rekestnummer 15-3680 (partneralimentatie), de man niet de mogelijkheid had om tegen de beslissing inzake 16-1237 (verdeling huwelijksgemeenschap) incidenteel hoger beroep in te stellen. De verdeling van de huwelijksgemeenschap moet als een separate beschikking worden gezien waarvan de man binnen drie maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak, appel had moeten instellen. Nu hij dit heeft verzuimd, behoort hij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.5.2.

De man heeft hiertegen ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd. Hij stelt zich op het standpunt dat hij in zijn incidenteel appel dient te worden ontvangen. Het echtscheidingsverzoek en de nevenvoorzieningen zijn in één verzoekschrift aan de rechtbank voorgelegd. De rechtbank heeft een zaak-/rekestnummer aangemaakt, te weten (C/02/300197/FA RK 15-3680). Tot en met de mondelinge behandeling in eerste aanleg bestond alleen dat zaak-/rekestnummer en zijn alle processtukken onder dat kenmerk bij de rechtbank ingediend. Alle onderwerpen zijn op iedere zitting van de rechtbank ter sprake gekomen. Dat de rechtbank later om proceseconomische redenen een tweede zaak-/rekestnummer toevoegt aan de zaak maakt niet dat het zou gaan om twee eindbeschikkingen.

3.5.3.

Het hof oordeelt als volgt.

De man heeft op grond van art. 358 lid 5 Rv de mogelijkheid om bij verweerschrift incidenteel hoger beroep in stellen tegen de beschikking van de rechtbank. Deze bevoegdheid is niet beperkt tot het deel van de beschikking waartegen het principale beroep is gericht. (Vgl. onder meer HR 15 juni 1990, NJ 1990, 608). Het stond de man dan ook vrij incidenteel beroep in te stellen tegen de verdeling, ook al heeft de vrouw alleen (principaal) appel ingesteld tegen de partneralimentie. Dat de rechtbank in de bestreden beschikking twee zaaknummers heeft gehanteerd, een voor de verdeling en een voor de partneralimentatie maakt niet dat sprake is van twee beschikkingen in plaats van een. De man heeft van zijn bevoegdheid tot het indienen van incidenteel appel tijdig (bij verweerschrift) gebruik gemaakt en is ontvankelijk in dat appel. Het andersluidende betoog van de vrouw wordt verworpen.

Nieuwe grief

3.5.4.

Bij haar verweerschrift in het incidenteel appel van de man, heeft de vrouw een nieuwe grief geformuleerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat de man de overwaarde van de verkochte woning in Nederland voor de vrouw verborgen heeft gehouden in de zin van art. 3:194 BW.

3.5.5.

De in art. 347 lid 1 Rv besloten liggende “twee-conclusie-regel” - brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven (dat wil zeggen alle gronden die appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd) die in een later stadium dan de memorie van grieven worden aangevoerd. Van de appellant wordt dan ook in beginsel verlangd dat hij in zijn memorie van grieven niet alleen zijn bezwaren tegen beslissingen in het bestreden vonnis of de bestreden beschikking aanvoert maar ook de nieuwe feiten of stellingen naar voren brengt waarop hij zich in hoger beroep (mede) wenst te beroepen.

Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig met het aanvoeren van de grief heeft toegestemd, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog zodanige grief kan worden aangevoerd. Voorts kan in het algemeen het aanvoeren van een nieuwe grief na het tijdstip van de memorie van grieven of antwoord toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de grief ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat - indien dan nog mogelijk - een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat het aanvoeren van de grief niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde (o.m. HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:BQ7064). Een en ander geldt ook voor de verzoekschriftprocedure. Niet gesteld of gebleken is dat de vrouw met haar grief aanpassing beoogt aan eerst na het indienen van het beroepschrift gebleken feiten en omstandigheden. Evenmin heeft de man ondubbelzinnig met het aanvoeren van de nieuwe grief ingestemd. Dit brengt met zich dat deze grief uiterlijk bij beroepschrift ingediend had moeten worden en derhalve tardief is. Het hof zal aan deze grief dan ook voorbij gaan.

3.5.6.

De vrouw heeft in het verweerschrift incidenteel appel tevens (voorwaardelijk) incidenteel appel ook subsidiair verzocht te bepalen dat zij op grond het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW gerechtigd is tot hele bedrag van de kapitaalpolis met nummer [rekeningnummer] bij Reaal/ Zwitserleven. De vrouw is in dit (nieuwe) verzoek wèl ontvankelijk omdat de vrouw hiermee aanpassing beoogt aan eerst na het indienen van het beroepschrift gebleken feiten en omstandigheden, namelijk de omstandigheid dat de man eerst in het verweerschrift tevens incidenteel appel gewag heeft gemaakt van het bestaan van deze polis.

3.6.

Het hof zal met inachtneming van het voorgaande hierna de grieven van de vrouw en de man bespreken. De vrouw heeft in haar principaal appel twaalf grieven gericht tegen de bestreden beschikking. De man heeft in zijn incidenteel appel drie grieven gericht tegen de beschikking waarvan beroep. De grieven zien op de volgende onderwerpen:

- partneralimentatie (grief 1 tot en met 12 van de vrouw);

- verdeling huwelijksgemeenschap (grief 1 tot en met 3 van de man).

Het hof zal deze onderwerpen hierna achtereenvolgens bespreken.

Partneralimentatie (grief 1 tot en met 12 van de vrouw)

Ingangsdatum

3.7.1.

De ingangsdatum van de door de rechtbank vastgestelde onderhoudsbijdrage, zijnde de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, te weten 3 juni 2016, is tussen partijen in zoverre in geschil dat de man heeft aangevoerd dat hij tot en met oktober 2016 in het levensonderhoud van de vrouw heeft voorzien. Het hof zal daarop hierna, bij de bespreking van de behoefte van de vrouw nader ingaan.

Behoefte vrouw

3.7.2.

De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw is in geschil.

3.7.3.

De vrouw stelt dat haar huwelijksgerelateerde behoefte op basis van de zogeheten hofnorm € 1.877,-- netto per maand bedraagt. Zij verwijst daarvoor naar de door haar in eerste aanleg als productie h bij haar brief van 16 februari 2016 in het geding gebrachte berekening van haar huwelijksgerelateerde behoefte.

3.7.4.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij maakt bezwaar tegen toepassing van de hofnorm. De vrouw woont in Peru. De levensstandaard is daar veel lager dan in Nederland. Om die reden moet de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw worden vastgesteld aan de hand van een behoeftelijstje. Zij dient haar behoefte feitelijk inzichtelijk te maken, voorzien van bewijsstukken. De vrouw heeft dit echter nagelaten.

3.7.5.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door de vrouw gehanteerde wijze van begroting geen juiste maatstaf zou zijn om haar huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen en uitgegaan zou moeten worden van een behoeftelijstje. De enkele stelling van de man dat de levensstandaard in Peru veel lager ligt dan in Nederland is hiertoe onvoldoende, te meer nu de man niet heeft weersproken dat partijen in Peru leefden van het inkomen dat de man genoot uit zijn lijfrente-uitkering. Nu het hof ook overigens geen omstandigheden zijn gebleken die in het onderhavige geval om een andere wijze van behoefteberekening vragen, zal het hof bij het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte de hofnorm tot uitgangspunt nemen, derhalve 60% van het netto gezinsinkomen (verminderd met de kosten van de kinderen) zoals dat was voorafgaand het uiteengaan van partijen. Naar het oordeel van het hof is dit - gelet op het hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd - in overeenstemming met de jurisprudentie van de Hoge Raad (zoals neergelegd in HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM2379 en HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050) die inhoudt dat het hanteren van de hofnorm als enige maatstaf voor de behoefte niet op zijn plaats is wanneer daarbij voorbij gegaan wordt aan de door partijen aangevoerde relevante omstandigheden. Nu de man echter, behalve dan dat de kosten van levensonderhoud in Peru lager zijn, geen relevante omstandigheden heeft aangevoerd ziet het hof geen belemmering om de op de hofnorm gebaseerde behoefte tot uitgangspunt te nemen. Wel ziet het hof in die omstandigheid aanleiding een correctie aan te brengen op die hofnorm.

De vrouw heeft met toepassing van de hofnorm haar huwelijksgerelateerde behoefte becijferd op € 1.877,-- netto per maand. Nu de man die uitkomst op zichzelf niet heeft betwist, zal ook het hof hiervan uitgaan. Gelet op het feit dat de vrouw in Peru woont en de kosten van levensonderhoud daar een stuk lager zijn dan in Nederland, ziet het hof aanleiding om de zogenoemde ‘Big Mac-index’ toe te passen op de hiervóór vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw van € 1.877,-- netto per maand. Uitgaande van de ‘Big Mac-index’ per juli 2015 liggen de kosten voor levensonderhoud in Peru ongeveer 23% lager dan in Nederland. Het hof bepaalt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw daarom op een bedrag van afgerond € 1.445,-- netto per maand.

Behoeftigheid vrouw

3.7.6.

Over de behoeftigheid van de vrouw heeft de rechtbank in rov. 2.5 het volgende overwogen:

“De rechtbank is van oordeel dat de vrouw op dit moment niet in staat is om in de kosten van haar

eigen levensonderhoud te voorzien. Vaststaat dat de vrouw de Nederlandse nationaliteit bezit en

daardoor in Peru niet mag werken. Uit de overgelegde stukken volgt dat de procedure tot het

verkrijgen van de Peruaanse nationaliteit of een verblijfstatus die haar toestaat om in Peru te werken,

waardoor zij zelf inkomen uit arbeid kan genereren, minimaal een jaar in beslag neemt. Nu de vrouw

onbetwist heeft gesteld dat zij ongeschoold is en de man zijn stelling dat de vrouw in Peru inkomen uit

arbeid verwerft niet dan wel onvoldoende aannemelijk gemaakt heeft, is de rechtbank van oordeel dat

de vrouw op dit moment behoefte heeft aan een bijdrage van de man in de kosten van haar

levensonderhoud. Op de vrouw rust evenwel de verplichting om zich in te spannen om -zo snel

mogelijk- de Peruaanse nationaliteit dan wel een verblijfstatus die haar toestaat om in Peru te werken,

te verkrijgen, zodat zij eigen inkomen uit arbeid kan (gaan) verwerven”

In rov. 2.10. heeft de rechtbank voorts overwogen dat dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanaf [geboortedatum van de man] 2018 nog behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en dat de rechtbank ervan uit gaat dat de vrouw vanaf [geboortedatum van de man] 2018 volledig in haar eigen onderhoud kan voorzien.

3.7.7.

De vrouw heeft een grief gericht tegen laatstgenoemd oordeel van de rechtbank. Voorts heeft de vrouw grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de draagkracht van de man in de periode(n) tot 1 september 2017 en van 1 september 2017 tot [geboortedatum van de man] 2018. Alvorens deze grieven ten aanzien van de draagkracht te beoordelen zal het hof eerst ingaan op de standpunten partijen ten aanzien van de behoeftigheid van de vrouw in deze periode(n). Het hof is immers, bij het slagen van de grieven van de vrouw over de draagkracht van de man op grond van de devolutieve werking van het appel gehouden om alsnog de door de man in eerste aanleg verworpen en/of niet behandelde stellingen/ verweren van de man te behandelen. Het hof zal daarom allereerst ingaan op de stellingen van partijen ten aanzien van de behoeftigheid van de vrouw.

3.7.8.

De man heeft aangevoerd dat hij in de periode vanaf datum inschrijving echtscheidingsbeschikking (3 juni 2016) tot en met eind oktober 2016 in de behoefte van de vrouw heeft voorzien door het betalen van huur en andere kosten van levensonderhoud. De vrouw had tegenover deze betwisting haar behoeftigheid nader moeten onderbouwen. Het had op de weg van de vrouw gelegen aanknopingspunten te verschaffen voor de hoogte van haar aanvullende behoefte in deze periode. De vrouw heeft dit weliswaar nagelaten, maar omdat de man geen incidenteel appel heeft ingesteld tegen de beschikking voor wat betreft de partneralimentie zal het hof de beschikking van de rechtbank voor wat betreft de periode van 3 juni 2016 tot en met 31 oktober 2016 dan ook bekrachtigen. Aan de (verdere) beoordeling van de grieven van de vrouw terzake de draagkracht van de man in deze periode komt het hof niet toe.

3.7.9.

Voor wat betreft de periode van 1 november 2016 tot [geboortedatum van de man] 2018 overweegt het hof ten aanzien van de behoeftigheid als volgt.

Van de vrouw kan niet verwacht worden dat zij in de eerste twee jaar na de echtscheiding in staat is zelf in haar levensonderhoud te voorzien, mede gelet op het feit dat de vrouw de Nederlandse nationaliteit bezit en daardoor in Peru niet mag werken. Aan de vrouw moet tijd worden gegund hetzij de Peruaanse nationaliteit, hetzij een werkvergunning te verkrijgen. Dit neemt echter niet weg dat - zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen - in deze periode op de vrouw de verplichting rust zich in te spannen om - zo snel mogelijk - de Peruaanse nationaliteit dan wel een verblijfstatus die haar toestaat om in Peru te werken, te verkrijgen, zodat zij eigen inkomen uit arbeid kan (gaan) verwerven.

3.7.10.

Voor wat betreft de periode na [geboortedatum van de man] 2018 heeft de vrouw betoogd dat zij – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – ook in deze periode behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

Daartoe voert zij aan dat het haar als Nederlands staatsburger niet is toegestaan om te werken in Peru. Zij heeft daarvoor de Peruaanse nationaliteit nodig. De procedure voor het verkrijgen van de Peruaanse nationaliteit is ingewikkeld en neemt veel tijd in beslag. Daarnaast heeft de vrouw nooit gewerkt in Peru. Zij werd altijd volledig door de man onderhouden. Bovendien is de vrouw ongeschoold en inmiddels 46 jaar oud.

3.7.11.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij is het eens met het oordeel van de rechtbank dat de vrouw vanaf [geboortedatum van de man] 2018 in haar eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien.

3.7.12.

Het hof overweegt als volgt.

Gesteld noch gebleken is dat de vrouw sinds de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 3 juni 2016 serieus heeft getracht om de Peruaanse nationaliteit te verkrijgen om zodoende in Peru betaalde arbeid te kunnen verrichten waarmee zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Integendeel, de vrouw heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij de procedure tot het verkrijgen van de Peruaanse nationaliteit heeft gestaakt. Dat de vrouw daarvoor geen geld heeft, zoals zij bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft betoogd, is door de vrouw op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Nu het hof ook overigens niet is gebleken dat de vrouw ook maar pogingen onderneemt om een inkomen te verwerven waarmee zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, heeft de vrouw op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat zij er niet in zal kunnen slagen zelf in haar aanvullende behoefte te voorzien. Het hof deelt dan ook het oordeel van de rechtbank dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij ook na [geboortedatum van de man] 2018 nog behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, zodat zij in staat moet worden geacht om in de kosten van haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.

Draagkracht van de man.

3.7.13.

Het hof zal thans overgaan tot het beoordelen van de draagkracht van de man in de periode van 1 november 2016 tot 1 september 2017 (de dag waarop de lijfrente-uitkering van de man eindigt en zijn pensioenuitkering ingaat) en de periode van 1 september 2017 tot [geboortedatum van de man] 2018 (dag waarop man AOW-gerechtigd wordt).

3.7.14.

Bij het beoordelen van de draagkracht van de man, is de rechtbank uitgegaan van de situatie dat de man in Nederland woont en derhalve in Nederland belastingplichtig is.

3.7.15.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat bij de beoordeling van de draagkracht van de man uitgegaan moet worden van de situatie dat de man in Peru woont en aldaar belastingplichtig is. De man heeft zich pas begin februari 2017 in Nederland ingeschreven.

Eind februari 2017 heeft de man zich weer laten uitschrijven en daarbij opgegeven dat hij is vertrokken naar Peru. Er kan daarom niet worden uitgegaan van de door de man gestelde remigratie naar Nederland. De lagere belastingdruk in Peru leidt tot een hogere draagkracht aan de zijde van de man.

3.7.16.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Van september 2012 tot oktober 2016 heeft de man in Peru gewoond. Bij terugkeer in Nederland is de man bij zijn dochter gaan wonen in afwachting van een huurwoning. Van 4 maart 2017 tot en met 4 april 2017 is hij in Peru geweest. De vrouw had problemen om haar leven in Peru op orde te krijgen en de man is tijdelijk naar Peru vertrokken om de vrouw te ondersteunen en te helpen.

3.7.17.

Het hof overweegt als volgt.

Naar het oordeel van het hof hebben beide partijen onvoldoende aanknopingspunten verschaft op grond waarvan kan worden beoordeeld welk belastingstelsel van toepassing, is. De man heeft weliswaar betoogd dat hij in 2017 voornamelijk in Nederland woonde en daar belastingplichtig is maar ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat hij sinds 2012 geen aangifte inkomstenbelasting meer heeft gedaan in Nederland en in oktober 2017 een baan heeft aanvaard in [plaats] , Tsjechië. De man heeft bovendien slechts korte tijd ingeschreven gestaan op het adres van zijn dochter in Nederland. De vrouw heeft harerzijds geen c.q. onvoldoende inzage gegeven in de vraag of en in hoeverre in Peru belasting dient te worden betaald over een door haar van de man te ontvangen bijdrage in haar levensonderhoud. Het hof zal daarom uitgaan van een netto-alimentatieberekening en met inachtneming daarvan thans overgaan tot het beoordelen van de draagkracht van de man in de periode van 1 november 2016 tot 1 september 2017 (de dag waarop de lijfrente-uitkering van de man eindigt en zijn pensioenuitkering ingaat) en de periode van 1 september 2017 tot [geboortedatum van de man] 2018 (dag waarop de man AOW-gerechtigd wordt).

Draagkracht man in periode van 1 november 2016 tot 1 september 2017

A. Inkomen van de man

3.7.18.

De rechtbank is uitgegaan van een inkomen uit een lijfrente-uitkering van € 45.107,-- bruto per jaar. Nu daartegen geen grief is gericht, gaat ook het hof uit van dit inkomen. Uit de door de man overgelegde jaaropgaaf blijkt dat op voornoemd bedrag in mindering strekt een bedrag van € 7.568,-- aan loonbelasting/ premies volksverzekeringen. Het hof gaat daarom uit van een netto besteedbaar inkomen van € 37.539,-- per jaar, zijnde € 3.128,-- per maand.

B. Lasten van de man

Normbedrag Participatiewet

3.7.19.

Het hof houdt rekening met het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Woonlasten

3.7.20.

Anders dan de rechtbank, houdt het hof geen rekening met de door de man opgevoerde woonlast van € 1.018,-- per maand. Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, heeft de man niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat hij dit bedrag aan woonlasten heeft betaald. Bij gebreke van overige gegevens zal het hof daarom slechts rekening houden met de al in de bijstandsnorm opgenomen woonlastencomponent.

Ziektekosten

3.7.21.

Het hof houdt, anders dan de rechtbank, evenmin rekening met het door de man opgevoerde bedrag van € 125,-- per maand aan basispremie ZVW en € 25,-- per maand aan aanvullende premie. De man heeft – hoewel daar door de vrouw herhaaldelijk op is gewezen – geen enkel stuk in het geding gebracht waaruit blijkt dat hij in 2017 in Nederland of elders verzekerd was voor c.q. betaalde voor ziektekosten. Uit de door de man in eerste aanleg overgelegde productie 5 kan slechts worden afgeleid dat de man in 2012 in Peru een bedrag betaalde in verband met (verzekering voor) ziektekosten. Dit is evenwel onvoldoende.

Vaststelling van de alimentatie

3.7.22.

Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto inkomen van € 3.128,-- per maand.

3.7.23.

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 2.151,-- per maand. Daarvan is 60% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage. Mitsdien dient de man een bedrag van € 1.291,-- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Periode van 1 september 2017 tot [geboortedatum van de man] 2018.

A. Inkomen van de man

3.7.24.

De rechtbank is uitgegaan van een inkomen uit pensioen van € 32.714,32 bruto per jaar. Uit de door de man overgelegde gegevens met betrekking tot de pensioenuitkering leidt het hof af dat de man een netto-pensioenuitkering (inclusief vakantietoeslag) ontvangt van

€ 2.624,14 per maand. Het hof zal van dit nettobedrag uitgaan.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man in oktober 2017 in [plaats] (Tsjechië) is gaan werken bij [bedrijf] , waar hij de klachtencoördinatie verzorgt. De man heeft onbetwist gesteld dat hij daarmee ca. € 900,-- netto per maand verdient. Het hof zal dit bedrag, uitgesmeerd over twaalf maanden, zijnde (€ 900,-- x 11 / 12=) € 825,-- in de draagkrachtberekening eveneens meenemen als ‘ander netto inkomen’.

B. Lasten van de man

Normbedrag Participatiewet

3.7.25.

Het hof houdt rekening met het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, exclusief de woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Woonlasten

3.7.26.

Ter zitting in hoger beroep heeft de man onbetwist gesteld dat hij in [plaats] in appartement huurt voor € 537,-- per maand. Het hof zal daarom met dit bedrag rekening houden.

Ziektekosten

3.7.27.

Het hof houdt, anders dan de rechtbank, geen rekening met het door de man opgevoerde bedrag van € 125,-- per maand aan basispremie ZVW en € 25,-- per maand aan aanvullende premie. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor in rov. 3.7.21 is overwogen.

Vaststelling van de alimentatie

3.7.28.

Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto inkomen van ongeveer € 3.449,-- per maand.

3.7.29.

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 2.462,-- per maand. Daarvan is 60% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage, zijnde een bedrag van € 1.477,-- per maand.

Derhalve heeft de man de draagkracht om geheel in de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw van € 1.445,-- per maand te voorzien. Gebleken is echter dat de vrouw sinds 1 september 2017 een uitkering ontvangt van € 305,-- per maand. Dit dient in mindering te strekken op haar huwelijksgerelateerde behoefte van € 1.445,--. Mitsdien bedraagt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 1.140,-- netto per maand.

Periode vanaf [geboortedatum van de man] 2018

3.7.30.

Gelet op hetgeen het hof in rov. 3.7.12 hiervóór heeft overwogen met betrekking tot de (aanvullende) behoefte van de vrouw, behoeven de grieven van de vrouw met betrekking tot de draagkracht van de man aangaande de periode vanaf [geboortedatum van de man] 2018, geen verdere bespreking meer. Het hof zal met ingang van [geboortedatum van de man] 2018 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud vast stellen op nihil.

Conclusie

3.7.31.

Het voorgaande brengt met zich dat de beschikking waarvan beroep voor wat betreft de partneralimentatie gedeeltelijk moet worden vernietigd. Voor alle duidelijkheid zal het hof de beschikking op het punt van de partneralimentatie in zijn geheel vernietigen en opnieuw recht doen als in het dictum nader aangegeven.

Verdeling huwelijksgemeenschap

Peildatum (grief 1 tot en met 3 van de man)

3.8.1.

De grieven 1, 2 en 3 van de man keren zich, kort gezegd, tegen het oordeel van de rechtbank dat als peildatum voor de verdeling van de saldi van de bankrekeningen van partijen, de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, zijnde 8 juni 2015, heeft te gelden. Ter toelichting op zijn grief voert de man – kort samengevat – het volgende aan.

Voor de verdeling van de saldi op de bankrekeningen van partijen moet worden uitgegaan van de peildatum 12 april 2016. Partijen woonden tot die datum samen en voerden al die tijd een gemeenschappelijke huishouding. De bankrekeningen van partijen werden gebruikt voor uitgaven voor de kosten van levensonderhoud van het gezin. Daarnaast zijn er forse bedragen naar de vrouw gegaan onder meer ter zake van een bij haar uitgevoerde liposuctie.

Als het hof toch zou uitgaan van de peildatum 8 juni 2015 (indiening verzoek echtscheiding), dan dienen alsnog “de verrekenposten” van de man te worden becijferd en te worden meegenomen bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap (pt. 79 verweerschrift tevens incidenteel appel).

Ter zitting heeft de man over de verrekenposten nog het volgende verklaard. Tot oktober 2016 heeft de man alle lasten verbonden aan de voormalige echtelijke woning en de overige kosten van levensonderhoud (inclusief de medische kosten) van partijen betaald. Dat sprak ook voor zich, omdat de vrouw geen inkomen had. Partijen leefden van de lijfrente-uitkering van de man en daarnaast van “het” spaargeld. Uit een extrapolatie van het gebruik van het spaargeld door partijen in de periode 2012 t/m juni 2015, naar de periode juni 2015 tot en met 2017 blijkt dan dat de vrouw nog aan de man dient te vergoeden een bedrag van € 8.931,--. Door de bewijsnood waarin de man verkeert, moet er een omkering van de bewijslast plaatsvinden of moet hij worden vrijgesteld van bewijs.

3.8.2.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. De rechtbank is bij de verdeling van de banksaldi van partijen terecht uitgegaan van de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, te weten de datum indiening van het verzoekschrift, zijnde 8 juni 2015.

3.8.3.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van art. 1:94 BW geldt als uitgangspunt dat alle goederen en schulden van de echtgenoten deel uitmaken van de wettelijke gemeenschap van goederen. Het maakt bij tot die huwelijksgemeenschap behorende bankrekeningen niet uit of het gaat om een bankrekening ten name van één echtgenoot of van beide echtgenoten. Het uitgangspunt is dat het saldo op deze bankrekeningen op de peildatum het vorderingsrecht is (van beide echtgenoten of van een van hen) jegens de bank en dat dit saldo bij helfte verdeeld dient te worden. De hoogte van dat vorderingsrecht wordt bepaald op die datum (het saldo).

Voor het bepalen van de peildatum voor het vaststellen van de samenstelling en de omvang van de huwelijksgemeenschap kan niet worden afgeweken van het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding, ook niet op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid (HR 20 december 2013 ECLI:NL:HR:2013:2050).

Vast staat dat de gemeenschap van partijen is ontbonden op 8 juni 2015, de datum waarop het verzoek tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank. Naar het oordeel van het hof dienen partijen de saldi van de bankrekeningen op 8 juni 2015 dan ook bij helfte te verdelen.

Waar de man heeft betoogd dat alsdan nog een aantal verrekenposten in de verdeling van de huwelijksgemeenschap moet worden betrokken (pt. 79 verweerschrift tevens incidenteel appel), oordeelt het hof als volgt.

Schulden aangegaan of ontstaan in de periode tot 8 juni 2015, vallen nog in de huwelijksgemeenschap. De man heeft niet betoogd dat hij die schulden ná die periode uit eigen middelen heeft voldaan (dat de man over eigen middelen beschikte vóór ontbinding van de gemeenschap heeft hij, althans in dit verband, niet gesteld), waardoor van een regresvordering ter zake (van hem op de vrouw) geen sprake is.

Waar het de man te doen is om schulden uit de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap (8 juni 2015) tot aan het einde van het huwelijk (23 maart 2016), oordeelt het hof als volgt. Het gaat, volgens de man, om de kosten van levensonderhoud (inclusief de medische kosten) van partijen. Dit zijn kosten der huishouding als bedoeld in art. 1:84 BW. De draagplicht voor die kosten wordt bepaald aan de hand van de maatstaf opgenomen in dit wetsartikel. Dat die maatstaf meebrengt dat de vrouw deze kosten (deels) zou moeten dragen, is niet gebleken. Integendeel, de omstandigheid waarop op de man zich beroept (dat partijen leefden van de uitkering van de man en de vrouw geen inkomen had) duidt er veeleer op dat hij die kosten volledig voor zijn rekening zou moeten nemen.

Voor schulden aangegaan of ontstaan na het huwelijk heeft de man niet gesteld dat dit gezamenlijke schulden zouden zijn. Ook overigens tast het hof in het duister over de grondslag van het door de man gepretendeerde vergoedingsrecht.

De slotsom is dat de door de man ingestelde “verrekenvorderingen” reeds gelet op het bovenstaande zullen worden afgewezen. Aan bewijs wordt niet toegekomen, zodat het betoog van de man over omkering van de bewijslast en vrijstelling van bewijs geen verdere bespreking behoeft. De grieven van de man falen.

Polis kapitaalverzekering Zwitserleven

3.9.1.

De man is ter kennis gekomen dat er een vermogensbestanddeel door partijen is vergeten en niet mee is genomen bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Het betreft een kapitaalverzekering gekoppeld aan een oude opgeheven hypothecaire geldlening. Het gaat om een verzekering afgesloten bij Zwitserleven met kenmerk [rekeningnummer] . De verzekering loopt sinds 1 oktober 1978 en keert uit op 1 oktober 2018. De man verzoekt het hof deze kapitaalverzekering te betrekken in de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

3.9.2.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man met de vermelding van deze polis heeft willen ontkomen aan de consequentie die de wet in art. 3:194 lid 2 BW aan dit verzwijgen toekent, namelijk dat de man zijn aandeel in de waarde van deze polis verbeurt aan de vrouw. De vrouw meent dat het daarvoor nu ruimschoots te laat is voor de man en zij maakt derhalve met een beroep op genoemd artikel aanspraak op de gehele poliswaarde.

3.9.3.

De man betwist uitdrukkelijk dat hij de polis opzettelijk heeft verzwegen. De polis bij Zwitserleven is vergeten: ook bij de vorige echtscheiding van de man is de polis vergeten. De polis moet dan ook nog tussen drie partijen worden verdeeld.

3.9.4.

Het hof overweegt als volgt.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de polis kapitaalverzekering deel uitgemaakt heeft van de huwelijksgemeenschap van de man en zijn eerdere echtgenote. Het hof zal, alvorens verder te beslissen, de man in de gelegenheid stellen zich hierover verder uit te laten en nadere gegevens te verstrekken aangaande de polis en relevante data met betrekking tot het eerdere huwelijk. De man dient ook in te gaan op de vraag of, en zo ja op welke wijze, de polis kapitaalverzekering destijds betrokken is geweest in de verdeling van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap tussen de man en zijn eerdere echtgenote. Ook dient de man zich uit te laten over de wijze waarop zijns inziens de polis thans in de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen de man en de vrouw dient te worden betrokken.

De vrouw wordt in de gelegenheid gesteld op de akte van de man te reageren.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

in de zaak met zaaknummer 200.212.418/01 (partneralimentatie)

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 23 december 2016, voor zover daarbij met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers tot 1 september 2017 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud is bepaald op € 575,-- per maand en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 september 2017 op nihil is vastgesteld,

en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man met ingang van 3 juni 2016 (de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand) tot 1 november 2016 aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van € 575,-- per maan

bepaalt dat de man met ingang van 1 november 2016 tot 1 september 2017 aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van € 1.291,-- per maand;

bepaalt dat de man met ingang van 1 september 2017 tot [geboortedatum van de man] 2018 aan vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van € 1.140,-- per maand;

stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van [geboortedatum van de man] 2018 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

in de zaak met zaaknummer 200.217.865/01 (verdeling)

stelt de man in de gelegenheid om binnen vier weken na de datum van deze beschikking, derhalve uiterlijk op 29 november 2018, zich uit te laten over de polis kapitaalverzekering Zwitserleven zoals in rov. 3.9.4 van deze beschikking nader omschreven, waarna de vrouw, eveneens binnen vier weken daarna, schriftelijk zal mogen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, G.J. Vossestein en J.W.P.N. Hermans, bijgestaan door mr. A.C. Kaemingk als griffier, en is op 1 november 2018 uitgesproken in het openbaar.