Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4507

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
31-10-2018
Zaaknummer
200.234.099_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:11273
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:6088
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.234.099/01

arrest van 30 oktober 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. W.H.A. Bos te Roermond,

tegen

Stichting Wonen Zuid,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Wonen Zuid,

advocaat: mr. P.J.W.M. Theunissen te Roermond,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 december 2017 en herstelexploot van 29 januari 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 20 november 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en Wonen Zuid als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6313368 \ CV EXPL 17-7344)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis in kort geding.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep en het herstelexploot;

  • -

    de memorie van grieven van [appellant] met 2 producties;

  • -

    de memorie van antwoord van Wonen Zuid met 16 producties;

  • -

    de akte van [appellant] ;

  • -

    de antwoordakte van Wonen Zuid.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

De voorzieningenrechter heeft in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7 van het bestreden vonnis enkele feiten vastgesteld. [appellant] heeft tegen die overwegingen geen grieven gericht zodat in dit hoger beroep dezelfde feiten tot uitgangspunt kunnen worden genomen. Mede om die reden kan in dit hoger beroep worden uitgegaan van de volgende feiten.

  • -

    [appellant] huurt sinds 15 mei 1991 van Wonen Zuid de woning gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] (hierna onder meer aan te duiden als ‘de woning van [appellant] ’ of kortheidshalve als ‘de woning’). De woning maakt deel uit van een groep van 30 woningen, alle gebouwd in 1975.

  • -

    Omdat de woningen te kampen hadden met ernstige vochtproblemen en de staat van het leidingwerk slecht was, terwijl tevens groot onderhoud uitgevoerd diende te worden, heeft Wonen Zuid in 2014 het plan opgevat de dertig woningen te renoveren en heeft Wonen Zuid daartoe een projectplan opgesteld.

  • -

    In een brief gedateerd 20 oktober 2016, gericht aan [appellant] (via mr Bos), is medegedeeld dat 70% van de bewoners van de in het renovatieplan betrokken woningen akkoord is gegaan met het renovatievoorstel.

  • -

    Op 14 november 2016 heeft notaris mr. [notaris] in een proces-verbaal vastgelegd dat hij met betrekking tot 23 (van de 30) woningen een door de huurders ondertekende individuele overeenkomst inhoudende instemming met de renovatie, heeft ontvangen. Hij constateert dat hiermee is voldaan aan het vereiste van ten minste 70% van de huurders.

  • -

    Op 2 december 2016 heeft er een gesprek bij [appellant] thuis plaatsgevonden waarbij aanwezig waren [appellant] en zijn raadsman mr H.M.J. van de Vijver (Achmea Rechtsbijstand) en [projectleider bij Wonen Zuid] (projectleider bij Wonen Zuid) en [wijkcoördinator Wonen Zuid] (wijkcoördinator Wonen Zuid). Daarbij is zijdens Wonen Zuid toegezegd dat de woning van [appellant] als laatste zal worden gerenoveerd, naar verwachting in juni 2017.

  • -

    Op 2 december 2016 is [appellant] een informatiepakket overhandigd bestaande uit: sociaal plan, “individuele overeenkomst renovatie 30 woningen [straat] [woonplaats] ”, woningopnameformulier/keuzemogelijkheden/plattegrond, overlastvergoeding, brochure “uw woning wordt gesloopt of ingrijpend opgeknapt”, brochure “zelf uw woning aanpassen?” en een schadeformulier.

  • -

    [appellant] heeft Wonen Zuid vervolgens in een bodemprocedure gedagvaard voor de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond. In die procedure heeft [appellant] primair gevorderd dat de kantonrechter op de voet van artikel 7:220 lid 3 BW het voorstel van Wonen Zuid tot het uitvoeren van de renovatie onredelijk zal verklaren en Wonen Zuid zal verbieden om aan de door [appellant] gehuurde woning renovatiewerkzaamheden uit te voeren. [appellant] heeft in de procedure subsidiair, voor het geval het voorstel tot de renovatie geheel of ten dele redelijk wordt bevonden, veroordeling van Wonen Zuid gevorderd tot betaling van € 5.892,-- aan verhuis- en inrichtingskosten en € 6.500,-- ter zake de kosten van door [appellant] aan de woning zelf aangebrachte voorzieningen. Bij vonnis van 28 juni 2017 (zaaknummer 5602572 \ CV EXP 16-12240, ECLI:NL:RBLIM:2017:6088) heeft de kantonrechter deze vorderingen van [appellant] afgewezen.

  • -

    [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 28 juni 2017. Dat hoger beroep is bij dit hof ingeschreven onder zaaknummer 200.236.895/01. Dat geding verkeert nu (ten tijde van de definitieve vaststelling van de tekst van dit arrest) nog niet in staat van wijzen.

3.2.1.

In de onderhavige kortgedingprocedure vorderde Wonen Zuid bij inleidende dagvaarding van 25 september 2017 in conventie, als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, [appellant] te bevelen om zijn medewerking te verlenen aan (middels het gedogen van) de in de inleidende dagvaarding omschreven renovatiewerkzaamheden in en aan de woning aan [adres 1] te [woonplaats] , op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft Wonen Zuid, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

In februari 2017 is gestart met de renovatiewerkzaamheden. Inmiddels zijn 28 woningen gerenoveerd. Slechts de woning van [appellant] en een woning waarin een bijna 100 jaar oude huurster woont moeten nog gerenoveerd worden. Met de bijna 100 jaar oude huurster is gelet op haar broze lichamelijke en psychische gesteldheid afgesproken dat haar woning wordt gerenoveerd zodra een einde komt aan de huurovereenkomst. Ter voorkoming van extra kosten ter zake van opslag bouwmateriaal, overlast voor andere bewoners, kosten van de aannemer, wil Wonen Zuid zo snel als mogelijk de woning van [appellant] renoveren. Daarbij komt dat Wonen Zuid de woning die als inloopwoning ter beschikking werd gesteld, weer wil gaan verhuren. Door dat deze niet verhuurd kan worden derft Wonen Zuid maandelijks ruim € 500,-- aan huurpenningen. [appellant] kan desgewenst in de inloopwoning verblijven tijdens de renovatie van zijn woning die een á twee weken zal duren. Aan [appellant] zal een overlastvergoeding betaald worden.

3.2.3.

[appellant] heeft in conventie verweer gevoerd. Voortbouwend op dat verweer vorderde [appellant] in het geding in eerste aanleg in voorwaardelijke reconventie, voor het geval de vordering in conventie zou worden toegewezen, als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, samengevat:

  • -

    1. Wonen Zuid te veroordelen tot betaling van een verhuiskostenvergoeding c.q. overlastvergoeding van € 5.910,--;

  • -

    2. Wonen Zuid te veroordelen [appellant] kosteloos passende, vervangende woonruimte aan te bieden, volledig aangepast aan zijn lichamelijke omstandigheden, gedurende de gehele duur van de renovatiewerkzaamheden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  • -

    3. Wonen Zuid te veroordelen passende, schadebeperkende maatregelen te treffen om schade aan de Koikarpers in de vijvers te voorkomen alsmede de aangebouwde rolluiken te verwijderen en terug te monteren;

  • -

    4. te bepalen dat Wonen Zuid de aangekondigde renovatiewerkzaamheden pas in mei 2018 kan aanvangen.

3.2.4.

In het betreden vonnis in kort geding van 20 november 2017 heeft de kantonrechter, samengevat, het volgende overwogen:

  • -

    Wonen Zuid heeft een spoedeisend belang bij haar vordering in conventie (rov. 4.2).

  • -

    De rechter die in kort geding moet beslissen nadat de bodemrechter een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, moet zijn vonnis in beginsel afstemmen op het oordeel van de bodemrechter (rov. 4.3).

  • -

    In het bodemvonnis van 28 juni 2017 is beslist dat het renovatievoorstel van Wonen Zuid redelijk is. Er zijn geen redenen om in dit kort geding niet van de redelijkheid van het renovatievoorstel uit te gaan (rov. 4.4).

  • -

    Aan het feit dat Wonen Zuid de woning van de bijna 100-jarige huurster pas zal renoveren nadat de huurovereenkomst met haar geëindigd is, kan [appellant] geen rechten ontlenen (rov. 4.5).

  • -

    Uit de door [appellant] overgelegde stukken blijkt niet dat [appellant] gelet op zijn lichamelijke beperkingen en psychische toestand de renovatie niet aankan. Het verweer van [appellant] dat de renovatie van zijn woning vanwege zijn lichamelijke en psychische gesteldheid moet worden uitgesteld, treft dus geen doel (rov. 4.6).

  • -

    Wonen Zuid hoeft de renovatie dus niet op te schorten, zodat haar vordering in conventie kan worden toegewezen (rov. 4.7).

  • -

    Er zijn geen redenen om aan [appellant] een verhuiskostenvergoeding toe te kennen (rov. 4.8).

  • -

    Er is niet gesteld of gebleken op welke wijze de veiligheid of gezondheid van de Koikarpers door de renovatiewerkzaamheden gevaar zou kunnen lopen. Als [appellant] voorziet dat zijn Koikarpers gevaar lopen moet hij daartegen zelf maatregelen treffen (rov. 4.9).

  • -

    Omdat Wonen Zuid heeft toegezegd de rolluiken te demonteren en na de vervanging van de kozijnen weer terug te hangen, heeft [appellant] geen belang bij zijn vordering ter zake de rolluiken (rov. 4.10).

Op grond van deze overwegingen heeft de kantonrechter in het dictum van het vonnis:

- [appellant] in conventie bevolen om de eerstvolgende werkdag na betekening van het vonnis vanaf 12.00 uur medewerking te verlenen aan (middels het gedogen van) de renovatiewerkzaamheden in en aan zijn woning gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] , bestaande uit:,

1. vervangen leidingen in kruipruimte;

2. vernieuwen dak inclusief isolatie;

3. gevels reinigen en herstellen;

4. kozijnvervanging;

5. voor- en achterdeur (inbraak werend);

6. aanbrengen HR++ beglazing;

7. aanpak vochtprobleem (gevel/kruipruimte);

8. aanbrengen mechanische ventilatie in badkamer, keuken en toilet;

9. vloerisolatie;

10. verwijderen schoorsteen;

11. hemelwaterafvoeren vernieuwen;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag, of gedeelte daarvan, dat [appellant] hiermee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft, met bepaling dat boven een bedrag van € 10.000,-- geen dwangsom meer wordt verbeurd;

  • -

    de vorderingen van [appellant] in reconventie afgewezen;

  • -

    [appellant] in de proceskosten van de gedingen in conventie en in reconventie veroordeeld;

  • -

    het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Ontwikkelingen na het bestreden vonnis en gewijzigde vorderingen in hoger beroep

3.3.1.

Ten aanzien van hetgeen zich heeft voorgedaan nadat het bestreden vonnis in kort geding van 20 november 2017 was gewezen, overweegt het hof het volgende.

  • -

    Wonen Zuid heeft als productie 1 bij de memorie van antwoord een brief van 9 januari 2018 overgelegd. In die brief heeft Wonen Zuid aan [appellant] onder meer meegedeeld dat de renovatiewerkzaamheden aan de woning op (maandag) 22 januari 2018 zullen starten.

  • -

    Wonen Zuid heeft als productie 2 bij de memorie van antwoord een betekeningsexploot van vrijdag [geboortedatum] 2018 overgelegd. Bij dat exploot is het bestreden vonnis aan [appellant] betekend en is hem bevolen zijn medewerking te verlenen aan (middels het gedogen van) de renovatiewerkzaamheden aan de woning.

  • -

    De renovatiewerkzaamheden aan de woning zijn op maandag 22 januari 2018 aangevangen. [appellant] heeft tijdens de renovatiewerkzaamheden verbleven in een door Wonen Zuid aangeboden wisselwoning in dezelfde straat ( [adres 2] ).

  • -

    Wonen Zuid heeft in de memorie van antwoord gesteld dat [appellant] op vrijdag 2 februari 2018 (tien werkdagen na de start van de renovatiewerkzaamheden) is teruggekeerd in de door hem gehuurde woning.

  • -

    Tussen partijen staat vast dat [appellant] , omdat hij binnen de in het bestreden vonnis gestelde termijn aan het vonnis heeft voldaan, geen dwangsommen heeft verbeurd.

3.3.2.

[appellant] heeft in hoger beroep zijn eis in reconventie gewijzigd omdat de renovatie aan de woning inmiddels is uitgevoerd. Hij vordert nu in onvoorwaardelijke reconventie:

  • -

    1. veroordeling van Wonen Zuid om aan [appellant] de materiële schade te vergoeden die hij heeft geleden door en tijdens de uitvoering van de renovatiewerkzaamheden, op te maken bij staat;

  • -

    2. veroordeling van Wonen Zuid tot betaling van de wettelijke verhuiskostenvergoeding van € 5.910,--;

met veroordeling van Wonen Zuid in de proceskosten van beide instanties.

3.3.3.

[appellant] heeft 9 grieven aangevoerd tegen het vonnis. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot, kort gezegd:

  • -

    het alsnog afwijzen van de eis in conventie van Wonen Zuid;

  • -

    het toewijzen van de gewijzigde eis in reconventie van [appellant] .

3.3.4.

Wonen Zuid heeft de grieven van [appellant] bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de gewijzigde eis in reconventie.

Belang van [appellant] bij dit hoger beroep

3.4.1.

De omstandigheid dat [appellant] heeft voldaan aan de in conventie tegen hem uitgesproken veroordeling en de omstandigheid dat de renovatie aan de woning inmiddels is uitgevoerd waardoor Wonen Zuid nu geen belang meer heeft bij haar vordering in conventie, ontneemt aan [appellant] niet zijn belang bij behandeling van dit hoger beroep voor zover gericht tegen de beslissingen in conventie. Naar vaste rechtspraak levert voor een partij die in eerste aanleg in de proceskosten is veroordeeld, deze veroordeling een voldoende belang op bij het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak. Dat geldt tevens indien de appelrechter in kort geding oordeelt dat spoedeisend belang ontbreekt bij de in hoger beroep te beoordelen vordering of dat een ordemaatregel anderszins niet meer aan de orde is. De appelrechter dient ook in een dergelijk geval te beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daartoe moet hij onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag, terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep (vgl. HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1782 en de in dat arrest genoemde rechtspraak).

3.4.2.

Ook ten aanzien van het geding in reconventie heeft [appellant] het voor ontvankelijkheid van zijn hoger beroep vereiste belang, nu het door hem gestelde belang bij zijn gewijzigde vorderingen in reconventie niet is weggevallen door het feit dat de woning inmiddels is gerenoveerd.

3.4.3.

Het hof zal daarom overgaan tot een behandeling van de grieven die [appellant] tegen het bestreden vonnis in kort geding van 20 november 2017 heeft aangevoerd en tot een beoordeling van de gewijzigde eis in reconventie.

Grief 1: Had Wonen Zuid een spoedeisend belang bij haar vordering in conventie?

3.5.1.

Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat Wonen Zuid ten tijde van het wijzen van het bestreden vonnis een spoedeisend belang had bij haar vorderingen in conventie.

3.5.2.

Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief voorop dat de kantonrechter in het vonnis van 28 juni 2017 in de bodemprocedure heeft geoordeeld:

  • -

    dat het renovatievoorstel van Wonen Zuid jegens [appellant] als redelijk is te beschouwen;

  • -

    dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het renoveren van zijn woning onredelijk is jegens hem.

Op grond van deze overwegingen heeft de kantonrechter in de bodemprocedure de vordering van [appellant] om de uitvoering van de renovatiewerkzaamheden aan zijn woning te verbieden, afgewezen. Op grond van dat vonnis strekt in dit kort geding tot uitgangspunt dat Wonen Zuid gerechtigd was om de door haar voorgenomen renovatiewerkzaamheden aan de woning van [appellant] uit te voeren. De rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, dient zijn vonnis immers in beginsel af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit beginsel, hetgeen het geval zal kunnen zijn indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht, alsook indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Naar het oordeel van het hof is in dit geval niet aannemelijk geworden dat het vonnis in de bodemprocedure op een kennelijke misslag berust en is ook niet gebleken van zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter, ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Het hof verwijst daartoe kortheidshalve naar hetgeen hierna ten aanzien van de andere grieven wordt overwogen.

3.5.3.

Tegen de achtergrond van het voorgaande heeft Wonen Zuid voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang had bij haar vorderingen. Het betrof immers een renovatie van meerdere woningen uit hetzelfde complex. Het spreekt daarbij vanzelf dat het vanuit een oogpunt van efficiency en kostenbesparing wenselijk is om de werkzaamheden zoveel mogelijk in een aaneengesloten traject te laten uitvoeren. [appellant] heeft dat onvoldoende betwist.

3.5.4.

Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ten aanzien van de door een andere bewoonster gehuurde woning ten aanzien waarvan Wonen Zuid de renovatie heeft opgeschort, voert niet tot een ander oordeel. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen hierna naar aanleiding van grief 2 wordt overwogen.

3.5.5.

Om bovenstaande redenen verwerpt het hof grief 1.

Grief 2: Ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen?

3.6.1.

Door middel van grief 2 doet [appellant] een beroep op de omstandigheid dat Wonen Zuid ten aanzien van één van de woningen van het complex, te weten de woning die verhuurd is aan een bijna 100-jarige huurster, een uitzondering heeft gemaakt door de renovatie van deze woning uit te stellen tot het in de toekomst gelegen moment dat de betreffende huurovereenkomst geëindigd is. Volgens [appellant] had voor hem eenzelfde uitzondering moeten worden gemaakt en doet de omstandigheid dat Wonen Zuid ten aanzien van de genoemde huurster de uitzondering heeft gemaakt bovendien afbreuk aan het door Wonen Zuid gestelde spoedeisend belang bij renovatie van de door [appellant] gehuurde woning.

3.6.2.

Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief voorop dat [appellant] volgens de door hem overgelegde producties is geboren op [geboortedatum] 1947. [appellant] is momenteel dus 71 jaar oud. In zoverre is de situatie van [appellant] in het geheel niet te vergelijken met de situatie van de genoemde bijna 100-jarige huurster, zeker gezien haar in het geding in eerste aanleg genoemde medische situatie. Het stond Wonen Zuid vrij om voor de genoemde huurster een uitzondering te maken. [appellant] kan daar naar het voorlopig oordeel van het hof geen rechten aan ontlenen. Het hof verwijst in dit kader ook naar hetgeen hierna bij de behandeling van grief 3 wordt overwogen. Grief 2 wordt om deze reden verworpen.

Grief 3: Noopte de lichamelijke en psychische gesteldheid van [appellant] tot uitstel?

3.7.1.

Door middel van grief 3 betoogt [appellant] dat de uitvoering van de renovatiewerkzaamheden aan de woning had moeten worden uitgesteld vanwege zijn lichamelijke en psychische gesteldheid.

3.7.2.

Het hof stelt naar aanleiding van deze grief voorop dat de kantonrechter in rov. 4.6 van het in de bodemprocedure gewezen vonnis van 28 juni 2017 onder meer het volgende heeft overwogen:

‘ [appellant] heeft niet aangetoond dat het voor hem vanwege zijn lichamelijke en psychische toestand niet mogelijk is om zich gedurende de werkzaamheden niet een dagdeel dan wel enkele uren in een andere ruimte van zijn eigen woning te verblijven. Het feit dat hij in verband met zijn klachten graag de beschikking heeft over een bed, is een naar het oordeel van de kantonrechter op te lossen, aan de renovatie ondergeschikt probleem. Wonen Zuid heeft bij dupliek aangegeven dat zij bereid is, indien [appellant] dat wenst, hem het exclusieve gebruik te geven van een van de twee leegstaande woningen die gebruikt worden als dagverblijf voor de huurders van de woningen waarin gerenoveerd wordt.’

Ook deze oordelen van de bodemrechter strekken in dit kort geding tot uitgangspunt. [appellant] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze oordelen op een kennelijke misslag berusten. [appellant] heeft weliswaar verwezen naar enkele producties, maar uit die producties kan het hof niet afleiden dat het oordeel van de bodemrechter op een misslag berust. Het enkele feit dat [appellant] bepaalde medische beperkingen heeft, brengt niet mee dat hij de renovatie niet goed zou kunnen doorstaan, ook al heeft [appellant] zelf dit op voorhand klaarblijkelijk anders ingeschat.

3.7.3.

Daar komt bij dat de renovatiewerkzaamheden aan de woning inmiddels begin 2018 zijn uitgevoerd. [appellant] heeft niet gesteld dat de werkzaamheden aan zijn woning in relevante mate langer hebben geduurd dan de voorziene periode van omstreeks 10 werkdagen. Ook heeft [appellant] niet gesteld dat hij in de periode van uitvoering van de werkzaamheden daardoor daadwerkelijk relevante psychische of lichamelijke problemen heeft ondervonden. De omstandigheid dat van dergelijke problemen kennelijk geen sprake is geweest, wijst op de juistheid van het oordeel in het bestreden vonnis dat de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van [appellant] ten tijde van het wijzen van dat vonnis niet noopte tot uitstel van de renovatiewerkzaamheden.

3.7.4.

Om deze redenen verwerpt het hof grief 3.

Grief 4: Is de vordering in conventie ten onrechte toegewezen?

3.8.

Grief 4 is gericht tegen de toewijzing van de vordering van Wonen Zuid in conventie. In de toelichting op de grief heeft [appellant] verwezen naar hetgeen hij in de grieven 1 tot en met 3 heeft aangevoerd. Het hof heeft de grieven 1 tot en met 3 in het voorgaande verworpen. Daarom verwerpt het hof ook grief 4. [appellant] heeft in de toelichting op grief 4 geen argumenten aangevoerd dit tot een ander oordeel over de vordering van Wonen Zuid in conventie leiden.

Grief 5: Heeft [appellant] aanspraak op een verhuiskostenvergoeding?

3.9.1.

Grief 5 is gericht tegen de afwijzing van de door [appellant] in reconventie gevorderde verhuiskostenvergoeding van € 5.910,--.

3.9.2.

De door [appellant] op dit punt gevraagde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. In kort geding is een dergelijke vordering slechts toewijsbaar als het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.

3.9.3.

Dat in dit geval het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd. Geconstateerd moet immers worden dat de kantonrechter in het in de bodemprocedure gewezen vonnis van 28 juni 2017 heeft geoordeeld dat van een door de renovatie veroorzaakte noodzaak tot verhuizing in de zin van artikel 7:220 lid 5 BW geen sprake is. Op grond van dat oordeel heeft de kantonrechter in het bodemvonnis de vordering van [appellant] tot toekenning van een verhuiskostenvergoeding afgewezen. Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat dit oordeel en deze beslissing op een kennelijke misslag berusten. Ook in dit kort geding strekt dus voorshands tot uitgangspunt dat de gevorderde verhuiskostenvergoeding niet toewijsbaar is. Grief 5 moet daarom worden verworpen.

Grief 6: Bevat het vonnis van 28 juni 2017 in de bodemprocedure kennelijke missslagen?

3.10.1.

Door middel van grief 6 betoogt [appellant] dat het vonnis van 28 juni 2017 op een kennelijke misslag berust die eruit bestaat dat de kantonrechter bij het wijzen van dat vonnis onvoldoende rekening heeft gehouden met de medische situatie van [appellant] .

3.10.2.

Het hof verwerpt deze grief. Uit de stukken waarnaar [appellant] in de toelichting op de grief heeft verwezen, is voorshands niet af te leiden dat de medische situatie van [appellant] in 2017 noopte tot uitstel van de renovatiewerkzaamheden aan de woning. Uit die stukken is evenmin af te leiden dat de renovatiewerkzaamheden, die van beperkte duur waren en tijdens de uitvoering waarvan [appellant] desgewenst van voorzieningen in een wisselwoning gebruik mocht maken, in het geval van [appellant] noopten tot een verhuizing. De enkele omstandigheid dat [appellant] bepaalde medische beperkingen heeft, is daartoe onvoldoende. [appellant] heeft daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het vonnis van 28 juni 2017 op een of meer kennelijke misslagen berust. Dit brengt mee dat onvoldoende is gebleken van omstandigheden die ertoe nopen om in de onderhavige kortgedingprocedure af te wijken van de oordelen die in het vonnis in de bodemprocedure zijn gegeven.

Grief 8: De termijn die [appellant] in het vonnis is gegund om aan de veroordeling te voldoen

3.11.1.

Grief 8 is gericht tegen de beperkte duur van de termijn die in het bestreden vonnis aan [appellant] is gegeven om aan de veroordeling te voldoen, zijnde “de eerstvolgende werkdag na betekening van het vonnis vanaf 12.00 uur”.

3.11.2.

Bij deze grief heeft [appellant] geen belang aangezien het vonnis inmiddels is uitgevoerd, niet gebleken is dat de beperkte duur van de termijn voor [appellant] daarbij problemen heeft opgeleverd en vast staat dat [appellant] geen dwangsommen heeft verbeurd. Indien al geoordeeld zou worden dat een langere termijn passend was geweest, zou dat onverlet laten dat [appellant] terecht als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het geding in eerste aanleg is veroordeeld. Grief 8 kan dus geen doel treffen.

3.11.3.

De vergelijking die [appellant] in de toelichting op de grief heeft getrokken met ontruimingszaken waarin over het algemeen een termijn van minimaal 1 of 2 weken wordt gehanteerd, gaat bovendien niet op. De veroordeling strekte in dit geval immers niet tot ontruiming maar slechts tot het dulden van de uitvoering van de werkzaamheden. Ook om deze reden kan grief 8 geen doel treffen.

Grief 7: De veroordeling van [appellant] in de proceskosten

3.12.1.

Grief 7 is gericht tegen de veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het kort geding in eerste aanleg. In de toelichting op de grief betoogt [appellant] onder verwijzing naar de grieven 1 tot en met 6 dat hij ten onrechte in het ongelijk is gesteld en dus ook ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld.

3.12.2.

Het hof heeft in het voorgaande de grieven 1 tot en met 6 verworpen. Dat brengt mee dat ook grief 7 geen doel kan treffen. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis in kort geding van 20 november 2017 [appellant] terecht als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie en in reconventie veroordeeld.

Grief 9: Geen zelfstandige betekenis

3.13.

Grief 9 heeft mede gelet op de daarbij gegeven toelichting geen zelfstandige betekenis en moet dus eveneens worden verworpen.

Met betrekking tot de in hoger beroep gewijzigde eis in reconventie

3.14.1.

[appellant] heeft in hoger beroep zijn eis in reconventie gewijzigd. Hij vordert nu in onvoorwaardelijke reconventie:

  • -

    1. veroordeling van Wonen Zuid om aan [appellant] de materiële schade te vergoeden die hij heeft geleden door en tijdens de uitvoering van de renovatiewerkzaamheden, op te maken bij staat;

  • -

    2. veroordeling van Wonen Zuid tot betaling van de wettelijke verhuiskostenvergoeding van € 5.910,--.

3.14.2.

Vordering 2 is niet toewijsbaar. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor naar aanleiding van grief 5 is overwogen.

3.14.3.

Voor vordering 1 geldt dat deze vordering zich moeilijk laat verenigen met de aard van de onderhavige kortgedingprocedure. Indien [appellant] bij deze vordering een spoedeisend belang zou hebben gehad, had van hem mogen worden verwacht dat hij een concreet bedrag aan schadevergoeding had gevorderd en niet had volstaan met een vordering tot betaling van nader bij staat op te maken schadevergoeding.

3.14.4.

Bovendien strekt de vordering tot betaling van een (nog nader te bepalen) geldsom. In kort geding is een dergelijke vordering slechts toewijsbaar als het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.

3.14.5.

Dat in dit geval het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd. Wonen Zuid heeft immers uitdrukkelijk betwist dat door en tijdens de uitvoering van de renovatiewerkzaamheden schade is veroorzaakt aan eigendommen van [appellant] dan wel eigendommen van [appellant] zijn verdwenen. De bewijslast rust op dit punt op [appellant] . [appellant] heeft zijn stellingen niet bewezen en dit kort geding leent zich naar zijn aard niet voor nadere bewijsverrichtingen. Ook dat voert tot de conclusie dat vordering 1 niet toewijsbaar is.

3.14.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de in hoger beroep gewijzigde eis in reconventie in dit kort geding moet worden afgewezen.

Conclusie en afwikkeling

3.15.1.

Omdat de grieven geen doel hebben getroffen zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen. Het hof zal voorts de in hoger beroep gewijzigde eis in reconventie van [appellant] afwijzen.

3.15.2.

Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep en die proceskostenveroordeling, zoals door Wonen Zuid gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaak-/rolnummer 6313368 \ CV EXPL 17-7344 tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 20 november 2017;

wijst de in hoger beroep gewijzigde eis in reconventie van [appellant] af;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van Wonen Zuid tot op heden op € 726,-- aan griffierecht en op € 1.611,-- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en R.R.M. de Moor en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 oktober 2018.

griffier rolraadsheer