Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4486

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-10-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
20-002107-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2009:BK5936
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen invoer van een partij cocaïne van bijna 1700 kg vanuit Costa Rica verstopt in een partij koffie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002107-14

Uitspraak : 29 oktober 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Roermond, van 4 december 2009, parketnummer 10-602068-07 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Verloop van de procedure

De verdachte is bij het hierboven genoemde vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Roermond, van 4 december 2009 ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde – te weten de voortgezette handeling van het medeplegen van drie Opiumwetdelicten, kort gezegd betreffende voorbereidingshandelingen van de invoer van cocaïne, de daadwerkelijke invoer in Nederland van die cocaïne en vervolgens de doorlevering daarvan binnen Nederland – veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 11 maanden. Van de zijde van de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 23 april 2013 onder parketnummer 20-000191-10 heeft het gerechtshof

's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de verdachte vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Tegen dit arrest is door de advocaat-generaal beroep in cassatie ingesteld.

Bij arrest van 17 juni 2014 (nr. S 13/04715) heeft de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is – na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad – gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is primair integrale vrijspraak bepleit en is subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 25 september 2007 te Rotterdam en/of Maastricht en/of Eindhoven en/of Roermond en/of Weert en/of Costa Rica en/of Panama en/of Colombia, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1674,96 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

Subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 25 september 2007 te Rotterdam en/of Maastricht en/of Eindhoven en/of Roermond en/of Weert en/of Costa Rica en/of Panama en/of Colombia, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het

grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht ongeveer 1674,96 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst 1;

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks

de periode van 1 januari 2007 tot en met 25 september 2007 te Rotterdam en/of Maastricht en/of Eindhoven en/of Roermond en/of Weert en/of Costa Rica en/of Panama en/of Colombia, in elk geval in Nederland,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door;

- af te reizen naar Costa Rica en/of

- in Costa Rica de container te laden met de lading met cocaïne en/of

- in een aantal dozen de voormelde hoeveelheid cocaïne te verstoppen en/of doen

verstoppen, en/of

- het vervoer van de verdovende middelen te organiseren, en/of

- een (dek)lading koffie in gestapelde dozen op pallets in een container naar Nederland te doen verschepen, en/of

- in Nederland voormelde container te helpen lossen, en/of

- alle pallets in de loods ( [adres] te Weert) te plaatsen en/of

- in de voormelde loods werkzaamheden te verrichten (onder meer) bestaande uit (een deel van) de lading uitpakken, en/of

- ( meermalen) (een) ontmoeting(en) te hebben met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde

verdovende middelen, en/of

- ( meermalen) (een) betaling(en) en/of overboeking(en) te verrichten en/of doen en/of

ontvangen met betrekking tot de uitvoering van een of meer van dat/die te plegen

misdrijf/misdrijven;


2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 19 september 2007 te Rotterdam en/of Maastricht en/of Eindhoven en/of Roermond en/of Weert en/of Costa Rica en/of Panama en/of Colombia, in elk in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 1674,96 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of een of meer mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en aldaar opzettelijk:

- een loods in Costa Rica gehuurd, en/of

- ( vervolgens) in een aantal dozen de voormelde hoeveelheid cocaïne verstopt en/of doen verstoppen, en/of

- ( vervolgens) het vervoer van de verdovende middelen georganiseerd, en/of

- ( vervolgens) een (dek)lading koffie in gestapelde dozen op pallets in een container naar Nederland doen verschepen, en/of

- ( vervolgens) in Nederland een loods en/of vorkheftruck gehuurd, en/of

- ( vervolgens) opdracht gegeven en/of doen geven de voormelde container naar een loods in Weert te doen vervoeren, en/of

- ( meermalen) (een) ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde verdovende middelen, en/of

- ( meermalen) (een) telefoongesprek(ken) gevoerd met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde verdovende middelen, en/of

- ( meermalen) (een) betaling(en) en/of overboeking(en) verricht en/of gedaan en/of ontvangen met betrekking tot de uitvoering van een of meer van die te plegen misdrijf/misdrijven;

3.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 september 2007 tot en met 19 september 2007 te Rotterdam en/of Maastricht en/of Eindhoven en/of Roermond en/of Weert, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk ongeveer 1 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van het materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd althans voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 12 september 2007 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

2.
hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 19 september 2007 te Rotterdam en Weert, in elk geval in Nederland en Costa Rica, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te bevorderen,

- zich en anderen gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, en

- voorwerpen en vervoermiddelen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij en zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar, toen en aldaar opzettelijk:

- een loods in Costa Rica gehuurd, en

- in een aantal dozen de voormelde hoeveelheid cocaïne verstopt en/of doen verstoppen, en

- het vervoer van de verdovende middelen georganiseerd, en

- een (dek)lading koffie in gestapelde dozen op pallets in een container naar Nederland doen verschepen, en

- in Nederland een loods en vorkheftruck gehuurd, en

- vervolgens opdracht gegeven de voormelde container naar een loods in Weert te doen vervoeren, en

- meermalen telefoongesprekken gevoerd met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en afleveren en vervoeren van voornoemde verdovende middelen, en

- een betaling verricht met betrekking tot de uitvoering van één of meer van die te plegen misdrijven;

3.

hij in de periode van 12 september 2007 tot en met 19 september 2007 te Rotterdam en Weert, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk ongeveer 1 kilogram cocaïne van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I heeft afgeleverd en vervoerd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdediging heeft integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. De verdediging heeft daartoe zowel in hoger beroep als in eerste aanleg – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat

  1. de verdachte weliswaar behulpzaam is geweest bij het uitladen van de container in Weert, maar niet is gebleken dat hij contact heeft gehad met medeverdachten, dan wel dat hij de dozen heeft geopend die op de betreffende pallets stonden;

  2. de verdachte aan geen enkel relevant telefoongesprek heeft deelgenomen en dat zijn naam ook in niet één van de tapgesprekken wordt genoemd;

  3. de verdachte geen inzittende is geweest van de taxirit van 19 september 2007, hetgeen blijkt uit de verklaring van de taxichauffeur, de getuige [getuige 1] . [getuige 1] heeft verklaard dat hij de verdachte kent en dat de verdachte niet één van de inzittenden was. De opmerking van de verdachte ten tijde van zijn aanhouding over de [merk auto] [het onopvallende dienstvoertuig dat was ingezet door het observatieteam; hof] kan worden verklaard door de omstandigheid dat de verdachte deze [merk auto] meerdere keren in de omgeving van zijn woning heeft gezien en dat deze [merk auto] op 19 september 2007 is ingezet bij de loods, waar hij kan zijn opgemerkt door de verdachte. Die opmerking duidt er dan ook niet op dat de verdachte wél een van de inzittenden in de taxi is geweest;

  4. niet is gebleken dat de verdachte na de levering van de container in Parijs is geweest;

  5. medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard over een persoon genaamd “ [bijnaam] ”, die door hem wordt omschreven als een persoon met een ongelofelijk dikke buik en een Limburgs accent, die opgenomen is geweest in het ziekenhuis in Costa Rica. De verdachte is niet de persoon die bedoeld wordt met " [bijnaam] ". [medeverdachte 4] kende de verdachte ook niet;

  6. geen van de getuigen of medeverdachten in het onderzoek de verdachte heeft herkend of een belastende verklaring over hem heeft afgelegd, met uitzondering van de getuige [getuige 2] . De herkenning van [getuige 2] kan in de visie van de raadsman echter niet voor het bewijs worden gebruikt, aangezien hij aan de hand van de aan hem getoonde foto’s eerst [naam] heeft aangeduid als de persoon die in de loods is geweest en op een andere foto pas de verdachte heeft herkend. Vervolgens heeft [getuige 2] een signalement gegeven en een anekdote verteld over een ongeluk met een steekkar. Het signalement komt echter niet overeen met de verdachte en hij heeft nimmer een ongeluk gehad met een steekkar;

  7. er geen enkel bewijs is dat de verdachte in de maand augustus 2007 – de maand waarin de betreffende container vanuit Costa Rica naar Nederland is verscheept – in Costa Rica of Panama is geweest. Er kan derhalve geen geloof worden gehecht aan de verklaring van [getuige 2] dat de verdachte in de betreffende periode in Costa Rica is geweest;

  8. de reis die de verdachte naar Costa Rica heeft gemaakt, was een cadeau van [medeverdachte 2] . Zij zouden daar samen de bloemetjes buiten zetten;

  9. verdachte nooit geld heeft verstuurd,dan wel in ontvangst heeft genomen en zelfs indien dat wel zo zou zijn, dan kan daarmee niet worden aangetoond dat hij betrokken is geweest bij de aankoop van een dusdanig grote partij cocaïne zoals hem nu wordt verweten.

Het hof overweegt het volgende.

Op grond van het dossier alsmede het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast.

Op 12 september 2007 is met het schip genaamd [naam] vanuit Costa Rica een container, voorzien van nummer [nummer] (hierna: de container), Nederland binnen gebracht.

(zie rubriek AE1, pg. 10);

Ten aanzien van deze container, die volgens het laadmanifest zou zijn geladen met 360 kartons koffie, is door de afdeling pre arrival van de Douane te Rotterdam middels een zogenoemd fyco-formulier, het verzoek gedaan om de container aan een fysieke controle te onderwerpen. Als reden om de container te controleren vermeldt het fyco-formulier dat de bestuurder van de onderneming die de koffie in Nederland importeert (ene [naam] ) uit ter beschikking staande gegevens naar voren komt als hennepkweker en import van hasjiesj.

(zie rubriek AE1 pg. 2 en pg. 13-15);

De controle heeft op 13 september 2007 plaatsgevonden op het terrein van transportbedrijf [naam] te Rotterdam. Bij dit transportbedrijf is vervolgens het transportdossier in beslag genomen. In dit dossier was onder andere een brief opgenomen van het bedrijf [naam] te Weert, met daarin het verzoek om de container te willen inklaren en door te transporteren naar de [adres] te Weert. Deze brief was getekend door [medeverdachte 1] .

(zie rubriek B1, pg. 3);

De fysieke controle van de container is verricht door speurhondenbegeleiders [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , ambtenaren van de belastingdienst. Douanier [verbalisant 2] heeft zijn narcoticaspeurhond “ [naam] ” nabij en om de container laten zoeken. De hond vertoonde geen reactie. Vervolgens heeft [verbalisant 2] de op de container aanwezige verzegeling verwijderd en de rechterdeur van de container geopend. [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zagen vervolgens dat de lading bestond uit 10 pallets met ieder 36 bruine dozen die gevuld waren met zakjes met het opschrift “cafe arabica a 500 gram uit Costa Rica”. Om de totale lading beter te bekijken zijn [verbalisant 1] en [verbalisant 2] over de dozen naar de achterkant van de container gekropen en zijn zij begonnen om een pallet af te bouwen. Tijdens deze afbouwwerkzaamheden zag [verbalisant 1] dat er in sommige dozen minder zakjes koffie zaten dan in andere dozen. Bij controle van een doos op de op één na onderste laag zag [verbalisant 1] een vreemd pakket onder de koffie liggen. Hierop heeft [verbalisant 1] met zijn zakmes een gaatje geprikt in het pakket en gezien dat er wit poeder aan zijn zakmes bleef kleven. [verbalisant 1] heeft hierop een kleine hoeveelheid van dit poeder getest middels een ‘narcotest disposal testbuisje nummer 13’. Deze test is bestemd om een stof te testen op de aanwezigheid van cocaïne. De test reageerde positief op de aanwezigheid van cocaïne, middels een blauwe verkleuring. Vervolgens hebben [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de narcoticaspeurhonden “ [naam] ” en “ [naam] ” afzonderlijk in en om de container laten zoeken. Speurhond “ [naam] ” gaf een positieve melding aan de achterkant van de container, terwijl “ [naam] ” een positieve melding aan de voorkant gaf. De container is daarna in beslag genomen.

(zie rubriek AE1, pg. 10-11)

Nadat de container in beslag is genomen, is deze overgebracht naar de douane controle loods gelegen op het terrein van de ECT (het hof begrijpt: European Container Terminals) Alexanderterminal te Rotterdam. De container is daar gesloten en verzegeld (met nummer [nummer] ) en vervolgens overgedragen aan het Hit en Run Container team (hierna: het Harc-Team). Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , werkzaam bij het Harc-Team, hebben de container overgenomen en alle daarin aanwezige 360 kartons, handmatig gecontroleerd. In 94 kartons werd een groot vierkant pakket aangetroffen, welk pakket met plastic was omwikkeld. In deze pakketten vond men kleinere pakketten. De inhoud van enkele pakketten is getest door de speurhondengeleiders van de Douane Rotterdam middels de Narco-disposalkit. Die test wees uit dat de inhoud van de pakketten vermoedelijk cocaïne betrof.

In totaal werden 1504 van dergelijke kleine pakketten aangetroffen, welke in beslag zijn genomen. Alle pakketten zijn opengesneden ter vaststelling van de inhoud, dit betrof allemaal een witte substantie. Het bruto gewicht van de in beslag genomen 1504 kleine pakketten werd bij weging bepaald op 1674,96 kilogram. Ter vaststelling van het netto gewicht werden vijf kleine pakketten apart gehouden en per groot pakket werd uit een willekeurig klein pakket een monster genomen, in totaal 94 monsters. Elk afzonderlijk pakket werd verdeeld in een A en een B monster. Deze monsters zijn vervolgens verpakt in gripzakjes, en gemerkt met het door de betreffende verbalisanten daaraan gegeven nummer 1.1A tot en met 8.10A, en 1.1B tot en met 8.10B. In totaal gaat het om 188 gripzakjes.

(zie rubriek AE1 pg. 18-19 en 21-23)

Eén van de vijf apart gehouden kleine pakketten, inhoudende ongeveer 1 kilogram wit poeder is in opdracht van de officier van justitie terug geplaatst in de container. Deze zou gecontroleerd worden afgeleverd. De doos waarin de cocaïne is achtergebleven, is door de verbalisant gemarkeerd met een blauwe balpen.

(zie rubriek F1 pg. 26)

De overige kartons in de container waaruit de pakketten met wit poeder waren gehaald, zijn ten behoeve van de gecontroleerde levering gevuld met hout en stenen.

(zie rubriek B1 pg. 4)

Op 19 september 2007 is de container gelost bij de loods gelegen in Weert aan de [adres] . Diezelfde dag wordt de loods omstreeks 21.55 uur doorzocht. Daarbij is de achtergebleven kilo wit poeder aangetroffen in de door de politie gemerkte doos en in beslag genomen.

(zie rubriek B1 pg. 17 en rubriek E1 pg. 46)

Uit een proces-verbaal van verbalisant KL008261 van 24 september 2007 blijkt dat hij op 18 september 2007 van het Harc-Team genoemde 4 pakketten en 188 gripzakjes (genummerd 1.1A tot en met 8.10A en 1.1B tot en met 8.10B) met wit poeder heeft ontvangen en het vijfde pakket na doorzoeking van de loods te Weert (op 19 september 2007) door hem in beslag is genomen. De 188 gripzakjes en de 5 pakketten zijn op 21 september 2007 door deze verbalisant aangeboden aan E. Colmsee , een medewerker van het laboratorium van apotheker/laborant R. Jellema , werkzaam bij de Forensische Opsporing van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, ter vaststelling van de identiteit van de in de container aangetroffen stof.

(zie rubriek F1, pg. 32)

De Nationale Recherche heeft de kilo cocaïne samen met de vier pakketten en 188 gripzakjes op 21 september 2007 overgebracht en aangeboden aan een medewerker van laborant drs. R. Jellema , werkzaam bij de Forensische Opsporing van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, om de identiteit van de betreffende stof vast te stellen.

(zie rubriek F1, pg. 32)

Drs. R. Jellema heeft op 25 september 2007 een onderzoek verricht naar de vijf pakketten (code 3178410A) met een gewicht van 5,03 kilogram en naar zestien monsters van de 188 gripzakjes (code 3178410B). Uit het verrichte onderzoek bleek dat alle 21 monsters cocaïne bevatten.

(zie rubriek G2, pg. 1)

Op 30 januari 2008 zijn de vijf kleine pakketten en de 188 gripzakjes in opdracht van de officier van justitie vernietigd. Daardoor was het feitelijk onmogelijk om de door de verdediging verzochte contra-expertise te verrichten. In plaats daarvan heeft de rechter-commissaris besloten om de (wijze van) bemonstering en analyse van drs. Jellema voor te leggen aan dr. J.D.J. van den Berg, als deskundige verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, zodat hij een oordeel kon geven over de betrouwbaarheid van de gebruikte methode, de werkwijze van het laboratorium, de monsterneming en de conclusie van drs. Jellema.

In een rapport d.d. 2 februari 2009 heeft dr. Van den Berg de nadere vragen beantwoord. De deskundige heeft gerapporteerd dat de door drs. Jellema gehanteerde methode een gebruikelijke werkwijze is voor het onderzoek naar mogelijk verdovende middelen, dat de werkwijze vergelijkbaar is met die van het NFI en in overeenstemming is met internationale aanbevelingen. Dr. Van den Berg heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de conclusies in het rapport van drs. Jellema hoogstwaarschijnlijk juist zijn. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat dr. Van den Berg de testresultaten van drs. Jellema heeft onderschreven.

De verdediging heeft in hoger beroep ook niet meer betwist dat de aangetroffen stof in de pakketten in de dozen met koffie cocaïne was.

D.

Met de rechtbank overweegt het hof verder het volgende.

D1.1

Op 14 september 2007 is een opsporingsonderzoek gestart onder de onderzoeksnaam Fuhler.

(zie rubriek B1, pg. 3)

Tussen 14 september 2007 en 25 september 2007, de datum waarop een aantal verdachten is aangehouden, heeft de Nationale Recherche diverse telefoongesprekken afgeluisterd.

(zie rubriek J1, pg. 1) Het onderzoek richtte zich in eerste instantie op de medeverdachte [medeverdachte 1] , als feitelijk leidinggevende van [naam] . (zie rubriek J1, pg. 3 e.v.)

In de periode vanaf 14 september 2007 heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] meerdere malen telefonisch contact gehad met een aantal personen, onder wie de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en (vermoedelijk) [medeverdachte 3] . Vervolgens is ook de telecommunicatie van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] opgenomen.

Op 17 september 2007 is ook een bevel tot stelselmatige observatie van de medeverdachte [medeverdachte 1] afgegeven. (zie rubriek I1, pg. 4-5)

D1.2

Op 19 september 2007 heeft een team van de Nationale Recherche de loods aan de [adres] te Weert, waar het bedrijf van de medeverdachte [medeverdachte 1] is gevestigd, stelselmatig geobserveerd. Het onderzoeksteam heeft waargenomen dat omstreeks 07.51 uur in de loods een man aanwezig is, die later wordt geïdentificeerd als de medeverdachte [medeverdachte 5] . Omstreeks 08.29 uur komt er een witte [merk auto] bus, voorzien van het kenteken [kenteken] , aan rijden. De bus wordt loods [nummer] in gereden. (zie rubriek I1, pg. 7) De bus wordt bestuurd door een man, aangeduid als NN-1, die later is geïdentificeerd als de medeverdachte [medeverdachte 6] . (zie rubriek B1, pg. 12) Omstreeks 09.32 uur komt een donkerblauwe [merk auto] , voorzien van kenteken [kenteken] , aan rijden. De auto stopt voor loods [nummer] en er stappen drie mannen uit, onder wie een man die later is geïdentificeerd als de medeverdachte [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] gaat samen met de twee mannen loods binnen. (zie rubriek I1, pg. 6-7) De tweede man (NN-2) is later geïdentificeerd als de verdachte. (zie rubriek B1, pg. 12)

Op 19 september 2007 omstreeks 10.05 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] . Tijdens dat gesprek bespreken zij – zakelijk weergegeven – dat het nog niet daar is. (zie rubriek J3, pg. 138) Omstreeks 10.14 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 4] . [medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 4] of het kan dat hij er nog niet is. (zie rubriek J3, pg. 138)

Het observatieteam neemt omstreeks 10.16 uur waar dat [medeverdachte 2] staat te praten met [medeverdachte 5] en vervolgens terugloopt naar loods [nummer] . (zie rubriek I1, pg. 7) Omstreeks 10.20 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [medeverdachte 1] . (zie rubriek J3, pg. 139) Het onderzoeksteam ziet dat [medeverdachte 2] omstreeks 10.54 uur uit loods [nummer] loopt en in de donkerblauwe [merk auto] stapt. Nadat hij nog even met [medeverdachte 5] heeft gepraat, verlaat hij het terrein. (zie rubriek I1, pg. 8)

Omstreeks 11.11 uur rijdt een vrachtwagen met een oranje zeecontainer het terrein op en stopt ter hoogte van loods nummer [nummer] . [medeverdachte 5] staat voor de loods en [medeverdachte 6] loopt de loods in. Omstreeks 11.15 uur knipt [medeverdachte 5] met een grote tang de verzegeling van de zeecontainer open, waarna hij om 11.17 uur de vrachtpapieren ondertekent. Omstreeks 11.19 uur wordt de container door [medeverdachte 5] en de verdachte geopend. Zij maken de lading los, waarop medeverdachte [medeverdachte 6] met een vorkheftruck de lading uit de container haalt en in loods [nummer] plaatst. Tussen 11.19 en 11.30 uur wordt de container door [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en de verdachte leeggemaakt. De verdachte helpt [medeverdachte 5] met het verplaatsen van de pallets die in de container staan. Alle pallets uit de container worden in loods [nummer] geplaatst. Omstreeks 11.31 uur wordt de zeecontainer afgesloten en bedankt [medeverdachte 5] de twee mannen. De vrachtwagen verlaat vervolgens het terrein. De verdachte gaat om 11.33 uur via de zijdeur loods [nummer] binnen. Omstreeks 11.38 uur lopen [medeverdachte 6] en de verdachte loods [nummer] uit. [medeverdachte 6] gaat loods [nummer] binnen en de verdachte verdwijnt uit het zicht. Ook [medeverdachte 5] verlaat de loods en rijdt met een auto het terrein af. Omstreeks 12.01 uur stopt de [merk auto] met kenteken [kenteken] voor loods [nummer] . [medeverdachte 2] stapt uit en voelt zowel aan de zijdeur van loods [nummer] als loods [nummer] . Deze blijken gesloten te zijn, waarop [medeverdachte 2] weer in zijn auto stapt en wegrijdt. (zie rubriek I1, pg. 8)

D1.3

De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft met betrekking tot het lossen van deze container het volgende verklaard. Hij is feitelijk leidinggevende van [naam] , gevestigd te Weert. Hij wilde met deze vennootschap koffie vanuit Costa Rica naar Nederland verschepen. Via een persoon die hij 'de Nederlander' noemt, is hij in contact gekomen met een Costa Ricaanse koffieboer, genaamd [getuige 3] . 'De Nederlander' heeft hem geholpen met zijn contacten in Costa Rica en advies gegeven over opslag- en transportkosten van koffie. Tevens is hij in contact gebracht met een Costa Ricaan genaamd [getuige 2] . [getuige 2] heeft een loods geregeld in Costa Rica en verpakte de koffie voor [medeverdachte 1] . De containers met koffie werden vervolgens vanuit de loods in Costa Rica naar de haven getransporteerd en verscheept naar Rotterdam. De firma [naam] zorgde ervoor dat de containers werden ingeklaard en getransporteerd naar de loods in Weert. Het lossen van de vracht is gedaan door een persoon die [medeverdachte 1] in zijn verklaring 'de losser' noemt. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat er in totaal drie zendingen zijn geweest.

Met betrekking tot de derde zending, te weten de zending die op 19 september 2007 is geleverd op het adres [adres] te Weert, heeft [medeverdachte 1] verklaard dat deze op dezelfde wijze is getransporteerd als de eerdere twee zendingen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij 'de Nederlander' en 'de losser' van het tijdstip waarop de container zou arriveren op de hoogte heeft gesteld. Daarnaast is er nog contact geweest met een contact van 'de Nederlander', door hem aangeduid als 'de derde persoon'. Deze 'derde person' heeft hem er van op de hoogte gesteld dat er bij de volgende container 'best iets anders tussen zou kunnen zitten dan alleen koffie'. [medeverdachte 1] mocht van 'de derde persoon' daarover met niemand spreken. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij er niet lang over hoefde na te denken om te bedenken wat er vanuit Costa Rica naast koffie zou worden ingevoerd. Hij dacht dat er met de lading koffie, cocaïne zou worden meegestuurd. 'De derde persoon' heeft [medeverdachte 1] op het hart gedrukt dat de zaken met betrekking tot de koffie goed geregeld dienden te worden. (zie rubriek C1, pg. 10-13)

D1.4

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij de persoon is geweest die de import van koffie vanuit Costa Rica heeft overgedragen aan [medeverdachte 1] . Daarnaast heeft [medeverdachte 4] [medeverdachte 1] in contact gebracht met [getuige 3] en [getuige 2] . (zie rubriek C3, pg. 12-14) Het hof is gelet op deze verklaring van oordeel dat daar waar [medeverdachte 1] in zijn verklaring verklaart over ‘de Nederlander’ medeverdachte [medeverdachte 4] wordt bedoeld.

D1.5

[medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij regelmatig voor [medeverdachte 1] heeft gewerkt. [medeverdachte 1] heeft hem de sleutel van de loods in Weert gegeven en de afspraak gemaakt dat [medeverdachte 1] hem zou bellen indien er spullen bij de loods zouden worden afgeleverd, teneinde de vracht dan te lossen. Op 19 september 2007 is de laatste keer geweest dat hij een container voor [medeverdachte 1] heeft gelost. Hij moest een heftruck huren en de lading lossen. Rond 11.00 uur kwam de lading, die heeft hij samen met anderen gelost. (zie rubriek C2, pg. 12) Het hof is gelet op deze verklaring van [medeverdachte 5] van oordeel dat daar waar [medeverdachte 1] verklaart over ‘de losser’, medeverdachte [medeverdachte 5] wordt bedoeld.

D1.6

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat er voorafgaand aan de levering van de container tevens contact is geweest met ‘een derde persoon’. Deze ‘derde persoon’ was een contact van [medeverdachte 4] . Uit tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 2] nauw contact heeft onderhouden met [medeverdachte 1] met betrekking tot de levering van de litigieuze container. Daarnaast heeft [medeverdachte 2] eveneens telefonisch contact onderhouden met [medeverdachte 4] met betrekking tot de levering van de container.

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] een kennis van hem is, die hij al langere tijd kent. Toen [medeverdachte 4] te kennen heeft gegeven aan [medeverdachte 2] dat hij wilde stoppen met de import van koffie vanuit Costa Rica, heeft [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] naar voren heeft geschoven als mogelijke opvolger van [medeverdachte 4] . Voorts heeft [medeverdachte 4] verklaard dat [medeverdachte 2] zowel in Costa Rica als in Nederland actief betrokken is geweest bij de import van koffie vanuit Costa Rica. Tevens heeft [medeverdachte 4] op 19 september 2007 in de ochtend telefonisch contact met [medeverdachte 2] gehad over de ontstane problemen met de container. (zie rubriek C3, pg. 15-18)

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat daar waar [medeverdachte 1] verklaart over ‘de derde persoon’, medeverdachte [medeverdachte 2] wordt bedoeld.

D1.7

Op 25 september 2007 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de woning aan de [adres] te Weert, de toenmalige feitelijke woon- of verblijfsplaats van de medeverdachte [medeverdachte 2] . Tijdens deze doorzoeking zijn beelden van een beveiligingscamera in beslag genomen. Op deze beelden zijn onder meer de voordeur en de oprit van de woning te zien. (zie rubriek F1, pg. 225) Op de beelden die zijn opgenomen op 19 september 2007, tussen 07:00:24 uur en 07:00:43 uur, is te zien dat de medeverdachte [medeverdachte 2] en de verdachte in een witte bestelbus van het merk [merk auto] met het kenteken [kenteken] aankomen bij de woning aan de [adres] . (zie rubriek B1, pg. 11) Deze bus staat op naam van [medeverdachte 2] . (zie rubriek F1, pg. 240) [medeverdachte 2] gaat vervolgens naar binnen in zijn woning, de verdachte stapt dan in zijn witte bestelbus en rijdt weg. (zie rubriek B1, pg. 11)

D1.8

Aan de hand van de gegevens van de in beslag genomen opdrachtformulieren van de firma [naam] is onderzoek gedaan naar de door het bedrijf [naam] afgeleverde en verstuurde zendingen. Uit de administratie van [naam] blijkt dat er, naast de container die op 12 september 2007 is geïmporteerd, twee eerdere zendingen van [naam] vanuit Costa Rica naar Nederland zijn verscheept. Deze zendingen zijn op 27 juni 2007 en 9 augustus 2007 geïmporteerd. (zie rubriek B1, pg. 38)

Uit nader onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 1] en diverse medeverdachten in de periode rond de verzendingen van de containers in Costa Rica zijn geweest.

Uit de vluchtgegevens kan, voor zover van belang, worden afgeleid dat:

In de maand april 2007:

[medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op 1 april 2007 Costa Rica zijn ingereisd. [medeverdachte 2] op 23 april 2007, vanuit Panama, Costa Rica is ingereisd. (zie aanvullend dossier t.b.v. de zitting van 19 februari 2009, pg. 131-134)

In de maand mei 2007:

Op 11 mei 2007 is [medeverdachte 4] , vanuit Panama, Costa Rica ingereisd. [medeverdachte 2] is op 18 mei 2007 met vlucht [nummer] , vanuit Panama, Costa Rica ingereisd. [medeverdachte 1] is de daarop volgende dag Costa Rica ingereisd. (zie rubriek F1, pg. 270) Ook de verdachte is op 18 mei 2007 met vlucht [nummer] van Amsterdam naar Costa Rica gereisd. Uit de vluchtgegevens blijkt dat [medeverdachte 2] en de verdachte naast elkaar hebben gezeten (zie proces-verbaal 1e aanvulling, rubriek F1, pg. 367-368)

In de maand juni 2007:

Op 19 juni 2007 is [medeverdachte 4] , vanuit Panama, Costa Rica ingereisd. Op 23 juni 2007 is [medeverdachte 3] , vanuit Panama, Costa Rica ingereisd. [medeverdachte 2] is op 28 juni 2007 vanuit Costa Rica vertrokken.

In de maand juli 2007:

Op 1 juli 2007 zijn [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en verdachte Costa Rica ingereisd. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en verdachte reizen vervolgens op 6 juli 2007 door naar Panama.

In de maand augustus 2007:

Op 17 augustus 2007 is [medeverdachte 3] Costa Rica ingereisd. [medeverdachte 2] is op 19 augustus 2007 Costa Rica ingereisd. Daarnaast zijn [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] op 23 augustus 2007 Costa Rica ingereisd. [medeverdachte 3] is vervolgens evenals [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] op 25 augustus 2007 doorgereisd naar Panama.

Door de verdediging is naar voren gebracht dat de gegevens hierover niet juist of volledig zouden zijn. Echter hetgeen daarover naar voren is gebracht toont niet aan of sluit niet uit dat de verdachte toen aldaar bij het voorbereiden van het transport aanwezig is geweest.

D1.9

Op 27 juni 2007 heeft [naam] , de partner van de medeverdachte [medeverdachte 2] , twee keer een bedrag van € 5.130,- overgemaakt naar Costa Rica. Eén van deze bedragen was geadresseerd aan de verdachte, het andere bedrag was geadresseerd aan [medeverdachte 2] .

In het proces-verbaal van Western Union wordt gerelateerd dat [medeverdachte 3] en een vrouw genaamd [naam] op 25 juni 2007 elk een bedrag van 3.761.950,00 colonnes (€5.754,74) hebben ontvangen van [medeverdachte 2] en [verdachte] . Op 27 juni 2007 zijn [medeverdachte 3] , [naam] , [medeverdachte 2] en de verdachte verschenen bij Western Union in Costa Rica om twee uit Nederland, van de partner van [medeverdachte 2] afkomstige overboekingen van elk van 2.584.250,00 colonnes (totaal bedrag € 7.920,08) in ontvangst te nemen. De uitbetaling van deze bedragen is geweigerd, omdat het geldbedrag gesplitst was wellicht om bepaalde procedures te omzeilen. (zie aanvullend dossier ten behoeve van de zitting van 19 februari 2009, pg. 177-179)

D1.10

In Costa Rica heeft getuige [getuige 2] drie verklaringen afgelegd. Eén verklaring heeft hij afgelegd nadat hij zich vrijwillig had gemeld bij de Costa Ricaanse politie op 3 oktober 2007. [getuige 2] had via een krantenbericht in Costa Rica vernomen dat er in Nederland tussen een lading koffie uit Costa Rica, cocaïne was aangetroffen. [getuige 2] vermoedde dat dit mogelijk de lading was die hij in Costa Rica heeft ingeladen. De tweede verklaring heeft [getuige 2] afgelegd bij de Costa Ricaanse politie d.d. 20 november 2008. Op diezelfde dag heeft hij tevens in Costa Rica in tegenwoordigheid van de rogatoire commissie zijn derde verklaring afgelegd.

[getuige 2] heeft verklaard dat hij ongeveer vier jaar geleden voor het eerst contact heeft gehad met [medeverdachte 4] . Hij heeft [medeverdachte 4] leren kennen toen hij als ober werkte in hotel [naam] te Heredia. [medeverdachte 4] heeft vanaf die tijd regelmatig in dit hotel verbleven. Medio februari 2007 heeft [getuige 2] aan [medeverdachte 4] gevraagd of hij werk had voor zijn zoon. De zoon van [getuige 2] heeft gedurende een maand dozen koffie voor [medeverdachte 4] verpakt. (zie Vertaalde getuigenverklaring van [getuige 2] d.d. 3 oktober 2007 van Parket Anti-narcotica, openbaar ministerie Costa Rica)

Na deze maand heeft [medeverdachte 4] aan [getuige 2] te kennen gegeven dat hij voornemens was om te stoppen met de export van koffie vanuit Costa Rica. [medeverdachte 4] zou [getuige 2] in contact brengen met een persoon die de export van koffie naar Nederland wilde overnemen. In mei of juni 2007 werd [getuige 2] voorgesteld aan [medeverdachte 1] .

[medeverdachte 4] heeft tegen [getuige 2] gezegd dat [medeverdachte 1] naast koffie, ook andere Costa Ricaanse producten als sierplanten en dergelijke, wilde exporteren. Hiervoor was een grote loods nodig. [medeverdachte 4] heeft [getuige 2] vervolgens de opdracht gegeven om een geschikte loods te zoeken. De twee loodsen die [getuige 2] had gevonden, waren volgens [medeverdachte 4] niet veilig genoeg. Daarna is het contact met betrekking tot de loods verlopen via [medeverdachte 2] [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2] ]. [getuige 2] heeft verklaard dat deze [medeverdachte 2] een contact was van [medeverdachte 4] , die werd vergezeld door [medeverdachte 3] . Dit was zijn Colombiaanse vrouw of vriendin. [getuige 2] had een derde loods gevonden, maar deze vond [medeverdachte 2] niet veilig genoeg. Vervolgens heeft [medeverdachte 2] zelf een loods in Heredia geregeld. Het huurcontract werd op naam van [getuige 2] gesteld. Naast [getuige 2] beschikte alleen [medeverdachte 2] over een sleutel van de loods. In deze loods is één lading met koffie aangekomen, dat was medio juni of juli 2007. (zie aanvullend dossier ten behoeve van de zitting van 19 februari 2009, pg. 88-89)

[getuige 2] heeft verklaard dat hij is aangenomen om koffie, die in zakken van één kilo zouden worden aangeleverd, in dozen te doen en vervolgens te verzegelen. Toen de lading koffie in juli 2007 binnenkwam, was deze echter al verpakt in dozen en verzegeld met een doorzichtige strook plakband. [medeverdachte 2] was boos op [getuige 3] , omdat de koffie in reeds verzegelde dozen binnen was gekomen. [getuige 2] mocht de dozen van [medeverdachte 2] nog niet op de pallets stapelen, maar moest wachten op nadere instructies van [medeverdachte 1] . Toen [medeverdachte 1] anderhalve week later aankwam, heeft hij de opdracht gegeven aan [getuige 2] om de dozen op de pallets te stapelen en om vervolgens om de stapels folie te wikkelen. (zie aanvullend dossier ten behoeve van de zitting van 19 februari 2009, pg. 90-93)

[getuige 2] heeft verklaard dat hij de lading op een zondag klaar moest hebben om te exporteren. [medeverdachte 1] heeft aan hem gevraagd om op de zaterdag voordat de lading klaar moest zijn mee te gaan op toeristisch uitstapje, omdat [medeverdachte 1] Costa Rica wilde leren kennen. Naast [medeverdachte 1] zouden [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en nog twee Nederlanders meegaan. Toen hij om half zes ’s ochtends in Hotel [naam] in San José aankwam, hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich afgemeld, omdat ze verkouden waren. De andere Nederlanders zeiden eveneens dat zij niet mee wilden gaan. Alleen [medeverdachte 1] en [getuige 2] zijn vervolgens met een minibusje met chauffeur op pad gegaan. Onderweg naar de vulkaan Poàs werd [medeverdachte 1] tegen een uur of negen gebeld door [medeverdachte 2] . [getuige 2] heeft toen aan [medeverdachte 1] gevraagd, waarom [medeverdachte 2] heeft gebeld. [medeverdachte 1] heeft toen te kennen gegeven dat [medeverdachte 2] in de loods was. [medeverdachte 1] en [getuige 2] hebben vervolgens nog tot tien uur ’s avonds rondgereden en gegeten. (zie aanvullend dossier ten behoeve van de zitting van 19 februari 2009, pg. 90-93)

De dag daarna is [getuige 2] naar de loods gegaan om de container te laden. Toen hij bij de loods aankwam, werd hij opgewacht door de twee Nederlanders. Bij het openen van de loods bleek dat de dozen niet meer op de plaats stonden waar [getuige 2] de dozen had achtergelaten. Er was meer plasticfolie gewikkeld om de dozen die op de pallets stonden. Eén van de Nederlanders heeft tegen [getuige 2] gezegd dat [medeverdachte 2] dat gedaan heeft, zodat de dozen niet van de pallet zouden vallen. Vervolgens heeft [getuige 2] samen met de twee Nederlanders en de bewaker van de loods, de pallets in de container geladen. (zie aanvullend dossier ten behoeve van de zitting van 19 februari 2009, pg. 94)

Tijdens de verklaring die [getuige 2] heeft afgelegd tijdens de rogatoire commissie naar Costa Rica d.d. 20 november 2008 is hij geconfronteerd met de foto’s van – onder meer – de verdachten in het onderzoek Fuhler. Als aan hem een foto wordt getoond waarop [medeverdachte 1] staat afgebeeld, verklaart [getuige 2] dat dit [medeverdachte 1] is, zijn opdrachtgever. Als aan hem foto’s worden getoond waarop [medeverdachte 3] staat afgebeeld, verklaart [getuige 2] dat dit de vrouw is die hij in zijn verklaring [medeverdachte 3] noemt, zijnde de vrouw die [medeverdachte 2] vergezelde. Als hem de foto’s waarop [medeverdachte 2] staat afgebeeld worden getoond, verklaart [getuige 2] dat dit de persoon is die hij in zijn verklaringen [medeverdachte 2] noemt. Als aan hem een foto van [medeverdachte 4] wordt getoond, verklaart [getuige 2] dat dit de persoon is die hij in zijn verklaring [medeverdachte 4] noemt.

Daarnaast heeft [getuige 2] verklaard over één van de Nederlanders die in de loods is geweest. Deze Nederlander was een grote sterke man, met een hele grote buik. Deze persoon kwam met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] mee. In eerste instantie heeft [getuige 2] deze persoon herkend als hem een foto wordt getoond van getuige [naam] , zijnde een handelaar in plank B.V.’s en uit dien hoofde oud eigenaar van [naam] [getuige 2] heeft verklaard dat de persoon die in de loods in Costa Rica is geweest, in tegenstelling tot de persoon op de foto (fotomap 1, foto 6 ), geen bril droeg en geen pak aan had. Als hem vervolgens een foto wordt getoond waarop de verdachte staat afgebeeld (fotomap 1, foto 9 ), verklaart [getuige 2] dat dit de persoon is waarover hij heeft verklaard toen hem foto 6 werd getoond, hij ziet hem op deze foto beter en de man ziet eruit zoals hij hem heeft leren kennen. Als hem vervolgens een foto wordt getoond van de verdachte, gekleed in een wit T-shirt, (fotomap 2, foto 1) verklaart [getuige 2] dat hij deze persoon lijkt op de persoon waarover hij heeft verklaard, maar dat hij een foto van zijn gezicht zou moeten zien. Als hem vervolgens nog een foto wordt getoond van de verdachte (fotomap 3, foto 4) , verklaart [getuige 2] dat dit de persoon is waarover hij heeft verklaard die in Costa Rica is geweest. Deze persoon heeft hem geholpen met het laden van de container.

[getuige 2] heeft verklaard dat deze man, verdachte, hem stond op te wachten toen hij op zondag bij de loods kwam om de container te laden. Deze man heeft ook de bewaker van de loods 50 US dollar gegeven. (zie aanvullend dossier ten behoeve van de zitting van 19 februari 2009, pg. 93)

Verder heeft [getuige 2] verklaard dat deze bewaker hem heeft verteld dat zijn “bazen” buiten zijn aanwezigheid bij de loods zijn geweest. De bewaker had [getuige 2] gezegd dat zij geruime tijd in de loods zijn geweest. De bewaker vertelde dat het om [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en een derde persoon ging. [getuige 2] deelde verder mee dat hij steeds samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de loods had bezocht, met uitzondering van de avond dat hij samen met zijn vrouw in een restaurant op hun wachtte omdat zij gezamenlijk zouden gaan eten en [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en een derde persoon de loods hadden bezocht volgens de mededelingen van de bewaker. [medeverdachte 3] had, aldus [getuige 2] nog naar hem gebeld om te zeggen dat zij later kwamen. De betreffende avond laat arriveerden in het restaurant volgens [getuige 2] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en de man die hij heeft herkend als verdachte. ( aanvullend dossier ten behoeve van de zitting van 19 februari 2009, pg. 91)

Het hof acht op grond van de verklaring van [getuige 2] wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de Nederlander is geweest die samen met [getuige 2] de dozen in de container heeft geladen. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat deze herkenning niet voor het bewijs kan worden gebruikt, aangezien [getuige 2] eerst een andere persoon heeft aangeduid als de Nederlander die in loods was, overweegt het hof dat hij weliswaar in eerste instantie getuige [naam] aanduidt als de persoon die in de loods is geweest, maar hierbij verklaart dat deze persoon er naar zijn idee anders uit zag, waarna hij bij het zien van de foto van verdachte meteen zei dat dít de man was die hij bedoelde.

D1.11

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen leidt het hof af dat een groep personen waaronder de verdachte betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne vanuit Costa Rica naar Nederland. De betrokkenheid van de verdachte blijkt met name uit het feit dat de verdachte met medeverdachten in Costa Rica is geweest, waarbij hij allereerst wordt gesignaleerd met medeverdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] om een redelijk bedrag aan geld op te halen bij een bank (27 juni 2007), welk geldbedrag uit Nederland afkomstig was. Daarnaast hebben de verdachte en [medeverdachte 2] op hun beurt ook gelden vanuit Nederland overgemaakt naar [medeverdachte 3] (25 juni 2007). Verder is de verdachte herkend door [getuige 2] als de persoon die in de maand augustus mee heeft geholpen met het laden van de betreffende container met cocaïne in Costa Rica. Hij was hier wederom samen met medeverdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Voorts is de verdachte gezien op de ochtend van de aankomst van de container in Weert bij [medeverdachte 2] thuis. Hij is naar de loods gereden waar uiteindelijk de container wordt afgeleverd. Verder is hij behulpzaam geweest bij het lossen van de betreffende container in Weert.

Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Het hof is van oordeel dat ook kan worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op het hem ten laste gelegde. Deze activiteiten rondom de betreffende container zijn naar het oordeel van het hof niet te herleiden tot de import van een legale lading koffie. Immers, niet valt in te zien waarom de verdachte samen met anderen voor een container koffie, waarmee hij, noch medeverdachte [medeverdachte 2] , noch [medeverdachte 3] iets van doen hadden (de container koffie is immers ingevoerd door en ten behoeve van het bedrijf van medeverdachte [medeverdachte 1] ) naar Costa Rica moesten afreizen om deze verzendklaar te maken, terwijl deze evengoed rechtstreeks door de koffieboer naar Nederland verzonden had kunnen worden.

Op grond van bovengeschetste verregaande betrokkenheid van de verdachte bij de gang van zaken rondom de betreffende container met cocaïne stelt het hof vast dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wetenschap had en derhalve betrokken is geweest bij de handel in verdovende middelen. Bij dit oordeel heeft het hof met name ook van belang geacht dat verdachte in dit kader voortdurend opereert samen met medeverdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Op basis van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen, waaronder de hiervoor aangehaalde verklaringen van [medeverdachte 1] en [getuige 2] , worden zij door het hof aangemerkt als de sleutelfiguren van het onderhavige cocaïne transport.

Uit het dossier komt verder naar voren dat de verdachte werkloos was en een bijstandsuitkering genoot. Daarnaast blijkt dat zijn inkomenspositie toentertijd ook niet zodanig was dat hij zich dure reizen naar Costa Rica kon veroorloven. De verdachte moet dan ook een aanzienlijk belang hebben gehad bij de invoer van de container (koffie) om dergelijke reizen te ondernemen.

Het hof merkt op dat verdachte voor de hierboven weergegeven omstandigheden, die redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van de hem ten laste gelegde feiten, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.

De verdediging heeft nog een aantal mogelijke (alternatieve) scenario's genoemd over wie de cocaïne in het koffie transport heeft gestopt. Er zijn echter geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die deze mogelijkheden ondersteunen, noch vinden deze steun in het dossier.

D1.12

Gelet op het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de invoer van cocaïne naar Nederland en de voorbereidingshandelingen hiertoe, zoals onder 1, 2 en 3 bewezen is verklaard.

Het hof verwerpt het verweer in alle onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde levert op:

de voortgezette handeling van

(2.)

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen,

door gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en

voorwerpen, vervoermiddelen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

en

(1.)

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

en

(3.)

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden.

De verdachte heeft samen met anderen per zeeschip een container met een deklading koffie en een zeer grote hoeveelheid cocaïne, met een geschatte straatwaarde van ongeveer

€ 67.000.000,-, uit Costa Rica in Nederland gebracht. Hard drugs als cocaïne leveren, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers, terwijl zij hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Ook gaat invoer van hoeveelheden cocaïne als in deze zaak vaak gepaard met zware, nietsontziende en de maatschappij ontwrichtende criminaliteit.

Anderzijds houdt het hof rekening met het volgende. Uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. Daarnaast stelt het hof vast dat na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels geruime tijd is verstreken, terwijl van nieuwe strafbare feiten niet is gebleken. Het hof overweegt voorts dat de rol van de verdachte, hoewel deze wel kan worden aangemerkt als medepleger, kleiner is geweest dan die van de sleutelfiguren bij het transport. Daarnaast weegt het hof mee dat op het optreden van de autoriteiten op- en aanmerkingen kunnen worden gemaakt, onder meer waar het gaat om het vernietigen van de in beslag genomen monsters, waardoor er geen tegenonderzoek meer mogelijk was. Het hof heeft verder rekening gehouden met de ingrijpende persoonlijke omstandigheden van de verdachte die zich na de veroordeling in eerste instantie hebben voorgedaan.

Het hof neemt daarnaast in aanmerking dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden in de eerste hoger beroepsfase bij het gerechtshof

's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, alsmede in de hoger beroepsfase na de verwijzing van de zaak door de Hoge Raad. In de periode van hoger beroep voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad is de redelijke termijn met ruim 1 jaar en 4 maanden overschreden (de akte van hoger beroep dateert van 4 december 2009 en het arrest van het hof dateert van 23 april 2013). Van deze overschrijding is in elk geval een deel niet te wijten aan de verdediging.

In de periode van hoger beroep na het arrest van de Hoge Raad is de redelijke termijn overschreden met ruim 2 jaar en 4 maanden (arrest Hoge Raad 17 juni 2014 en arrest hof 29 oktober 2018). Het hof heeft eerst op 9 september 2016, derhalve ruim twee jaar na het arrest van de Hoge Raad, een regiezitting gehouden. De verdediging heeft geen onderzoekswensen ingediend. Het hof heeft ambtshalve beslist dat de in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 4] verzochte en toegewezen getuigen ook in de onderhavige zaak dienden te worden gehoord. Het tijdsverloop is dan ook niet aan de verdediging te wijten.

In verband met het voorgaande acht het hof het niet opportuun om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die ertoe leidt dat de verdachte opnieuw zal worden vastgezet. Alles overziende zal het hof volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 47, 56 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. N. van der Laan, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.J.F. Heirman, griffier,

en op 29 oktober 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. N. van der Laan is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.