Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4458

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
200.230.068_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:6069
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.230.068/01

zaaknummer rechtbank : C/02/323084 FA RK 16-6535

beschikking van de meervoudige kamer van 25 oktober 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.M. Diesfeldt te Alkmaar,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.E. Voorvaart-Kuik te Breda.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 26 september 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 21 december 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 26 september 2017.

2.2.

De vrouw heeft op 29 maart 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof is voorts van de zijde van de vrouw op 27 juni 2018 ingekomen een verslag van een gesprek van Q-support d.d. 13 maart 2018.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 30 augustus 2018 plaatsgevonden.

Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn op 27 mei 2004 te Drimmelen met elkaar gehuwd.

3.3.

Bij de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 23 december 2013 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 24 juni 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij deze beschikking is voorts, voor zover thans van belang, de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bepaald op € 3.350,- per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

In eerste aanleg heeft de man verzocht de partneralimentatie op nihil te stellen, primair met ingang van 23 december 2013, subsidiair met ingang van 1 april 2016.

Ter zitting in eerste aanleg heeft de man zijn primaire verzoek ingetrokken en hebben partijen ter zitting in onderling overeenstemming bereikt, voor zover thans van belang aldus, dat de partneralimentatie wegens gebrek aan draagkracht aan de zijde van de man, met ingang van 1 april 2016 op nihil wordt gesteld. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, conform de overeenstemming tussen partijen, de partneralimentatie met ingang van 1 april 2016 nader bepaald op nihil.

4.2.

De man heeft in hoger beroep verzocht de aan de vrouw te betalen bijdrage vanaf

1 januari 2015 op nihil te stellen of een zodanige datum en bijdrage als het hof redelijk acht en voorts de door de man eventueel nog aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage per

1 mei 2018 te beëindigen.
De grieven van de man zien op de behoefte van de vrouw, op de draagkracht van de man en op de limitering van de partneralimentatie.

4.3.

De vrouw heeft verzocht de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze verzoeken af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Het hof stelt vast dat de man weliswaar stelt op te komen tegen de bestreden beschikking, doch de man heeft geen vernietiging van de bestreden beschikking verzocht.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de advocaat van de man desgevraagd verklaard dat de man geen grief heeft gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de man zijn primaire verzoek in eerste aanleg (nihilstelling met ingang van

31 december 2013) heeft ingetrokken. Evenmin is een grief gericht tegen de overweging van de rechtbank dat partijen ter zitting alsnog overeenstemming hebben bereikt, aldus dat de partneralimentatie met ingang van 1 april 2016 op nihil is gesteld. De advocaat van de man heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep uitdrukkelijk verklaard dat de man geen vernietiging van de bestreden beschikking beoogt.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank op de juiste gronden heeft beslist zoals in het dictum van de bestreden beschikking is weergegeven.

Dat leidt ertoe dat de man in zijn verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

5.2.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is verder gebleken dat de man wijziging wenst van de door hem te betalen partneralimentatie over de periode van 1 januari 2015 tot

1 april 2016, althans dat hij een wijziging wenst van de bij de echtscheidingsbeschikking van 23 december 2013 ter zake vastgestelde partneralimentatie over de periode van 1 januari 2015 tot 1 april 2016, zoals de advocaat van de man ter zitting heeft verklaard. Het hof overweegt dat dit een verzoek betreft in de zin van artikel 1:401 Burgerlijk Wetboek (BW), welk verzoek moet worden ingediend bij de bevoegde rechtbank in eerste aanleg en niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan.

Het hof is van oordeel dat de man in dit beoogde wijzigingsverzoek eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

5.3.

Tenslotte stelt het hof vast dat de man het verzoek tot limitering van de partneralimentatie ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft ingetrokken. Het hof leidt daaruit af dat de betreffende grief van de man niet wordt gehandhaafd, zodat de man ook in dat verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

5.4.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoeken.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.N.M. Antens en

E.H. Schijven-Bours en is op 25 oktober 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.