Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4432

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
25-10-2018
Zaaknummer
200.217.998_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:1812
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen leemte in het echtscheidingsconvenant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.217.998/01

arrest van 23 oktober 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. R.H. Ebbeng te Veldhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 juni 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer C/01/305426 / HA ZA 16-180 gewezen vonnis van 15 maart 2017.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 5 juni 2018 waarbij het hof heeft bepaald dat partijen gelegenheid wordt geboden voor pleidooi. Bij dit tussenarrest is voorts een datum voor pleidooi bepaald;

  • -

    het pleidooi, waarbij mr. Ebbeng een pleitnota heeft overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van het volgende.

( i) Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd geweest.

(ii) Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 12 april 2013 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Daarbij is bepaald dat de regeling zoals tussen partijen overeengekomen in het aan de beschikking gehechte echtscheidingsconvenant (hierna ook te noemen: het convenant) d.d. 12 februari 2013 deel uit maakt van gemelde beschikking.

(iii) In het convenant is, voor zover thans van belang, opgenomen:

“(…)

5. Aan de man zal worden toegescheiden de woning aan [perceel] te [plaats] . Het appartement/woning is op 25 september 2012 getaxeerd door de taxateur (...) en deze bepaalde de executiewaarde op 190.000,-- en de marktwaarde op € 225.000,--. Partijen gaan uit van een waarde van € 210.000,--. Op de woning rust een hypotheek van € 200.000,-- (...) genomen door de Direktbank N.V. (...). Voormeld appartement/woning zal aan de man worden toegescheiden onder de voorwaarde en de verplichting voormelde hypothecaire lening als eigen lening te voldoen terwijl de man ook zal trachten om te bewerkstelligen dat Direktbank N.V de vrouw uit de verplichtingen welke uit voormelde hypothecaire lening voortvloeien zal ontslaan. De man verplicht zich jaarlijks voor 1 december schriftelijk de vrouw mededeling te doen met berichtgeving van de Direktbank of het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid (...) wordt verleend. Als het vorenstaande niet lukt dan verbindt de man zich jegens de vrouw om de vrouw te vrijwaren voor de verplichtingen welke voortvloeien uit de onderhavige hypothecaire lening. De lening komt alsdan geheel voor rekening en risico van de man en de man verbindt zich om alle verplichtingen met betrekking tot de lening na te komen. (...)”

(iv) De echtscheidingsbeschikking is op 14 mei 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

6.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [appellante] bij inleidende dagvaarding van 25 februari 2016 [geïntimeerde] in rechte betrokken en in eerste aanleg – samengevat – gevorderd:

primair

i) [geïntimeerde] te veroordelen tot het aanvragen van het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van [appellante] uit de hypothecaire lening bij Direktbank binnen twee weken na het te wijzen vonnis,

ii) [geïntimeerde] te veroordelen medewerking te verlenen aan de notariële akte tot levering van de voormalige echtelijke woning binnen drie weken na het te wijzen vonnis,

iii) te bepalen dat dit vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [geïntimeerde] om tot levering te komen van voormelde woning;

iv) [geïntimeerde] te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat hij weigert om aan het hiervoor

onder i) en ii) gevorderde gevolg te geven en

subsidiair

indien, zo begrijpt de rechtbank en ook het hof, de Direktbank [appellante] na de aanvraag als onder i) gevorderd niet ontslaat uit de hoofdelijke aansprakelijkheid - [geïntimeerde] te veroordelen medewerking te verlenen aan de verkoop van vorenbedoelde woning;

zowel primair als subsidiair met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

6.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellante] ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] zich niet heeft gehouden aan zijn in het convenant opgenomen verplichting [appellante] jaarlijks voor 1 december schriftelijk mededeling te doen met berichtgeving van de Direktbank of het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt verleend. [geïntimeerde] houdt zich niet aan zijn verplichtingen te bewerkstelligen dat [appellante] zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Zij blijft daardoor hoofdelijk aansprakelijk jegens de bank en [geïntimeerde] belet hiermee dat de woning zakenrechtelijk wordt geleverd aan hem. [appellante] wil een lening aangaan om een kleine auto te kunnen kopen maar ze heeft niet de mogelijkheid daartoe omdat ze nog hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire lening bij de Direktbank. Nu partijen niet tot een afwikkeling van de verdeling kunnen komen heeft [appellante] recht en belang bij het vaststellen van de verdeling door verkoop van de woning aan een derde.

6.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.2.4.

In het tussenvonnis van 18 mei 2016 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is gehouden op 26 augustus 2016 en van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor drie maanden aangehouden teneinde [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen om alsnog middels een tussenpersoon alles in het werk te stellen om [appellante] uit de hoofdelijkheid te doen ontslaan, onder meer door, indien dat noodzakelijk mocht blijken, zijn auto te verkopen en een verzoek in te dienen tot nihilstelling van de verhaalsbijstand.

6.2.5.

[geïntimeerde] heeft op 7 december 2016 een akte genomen, met de producties 1 t/m 3.

Bij akte uitlating van eveneens 7 december 2016 heeft [appellante] gesteld dat “uit de door [geïntimeerde] aan [appellante] gezonden bescheiden blijkt dat een ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van [appellante] niet mogelijk is”. [appellante] heeft de rechtbank verzocht om vonnis te wijzen.

6.2.6.

In het bestreden eindvonnis van 15 maart 2017 heeft de rechtbank de primaire vorderingen van [appellante] afgewezen, omdat – kort gezegd – [geïntimeerde] aan zijn verplichting te trachten [appellante] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan, heeft voldaan (rov. 4.3 en 4.4.).

Ook de subsidiaire vordering (vordering tot verkoop aan een derde) heeft de rechtbank (in rov. 4.5) afgewezen. De rechtbank heeft daartoe in rov. 4.6. als volgt overwogen en beslist:

“ (…) Partijen zijn bij convenant overeengekomen dat [geïntimeerde] zat trachten het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van [appellante] te bewerkstelligen. Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] aan deze verplichting heeft voldaan, maar dat het niet mogelijk is gebleken het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te bewerkstelligen.

Voor het geval ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet mogelijk is, zijn partijen bij convenant overeengekomen dat [geïntimeerde] zich jegens [appellante] verbindt om haar te vrijwaren voor de verplichtingen die voortvloeien uit de hypothecaire geldlening, waarbij de lening alsdan geheel voor zijn rekening en risico komt en hij zich verbindt om alle verplichtingen met betrekking tot de lening na te komen.

Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] niet aan deze verplichting voldoet. [appellante] heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld die het onaanvaardbaar maken dat zij nog langer aan de met [geïntimeerde] gemaakte afspraken kan worden gehouden.“

De rechtbank heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.3.

[appellante] heeft, onder overlegging van één productie, na wijziging van eis, in hoger beroep twee grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het toewijzen van haar vordering, zoals geformuleerd in de appeldagvaarding. Zij vordert veroordeling van [geïntimeerde] :

  1. om de woning aan de [perceel] te [plaats] te koop aan te bieden door tussenkomst van [makelaars] makelaars, kantoorhoudende aan de [kantooradres] , [postcode] , [kantoorplaats] , dan wel een andere door het hof te benoemen NVM geregistreerde makelaar, tegen een marktconforme door die makelaar te stellen prijs;

  2. om binnen twee weken na het in deze te wijzen arrest een verkoopopdracht te verlenen aan [makelaars] makelaars of de door het hof benoemde makelaar, op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag dat de man daarmee in gebreke blijft;

  3. om de makelaar, al dan niet met koopgegadigden, op eerste verzoek toe te laten tot de woning, op straffe van een dwangsom van € 750,-- per dag of deel van de dag, althans een door het hof te bepalen bedrag, dat [geïntimeerde] hieraan niet voldoet;

  4. om binnen zeven dagen na de totstandkoming van een overeenkomst ter zake verkoop van woning deze te ondertekenen, op straffe van een dwangsom van € 750,-- per keer dat [geïntimeerde] dit nalaat te doen, althans een door het hof te bepalen bedrag;

  5. op een nader te bepalen tijdschip te verschijnen op plaats en uur als door een door [appellante] te benoemen notaris of diens plaatsvervanger zal worden vastgesteld en zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van de akte van levering aan de koper en de overschrijving daarvan op diens naam in de openbare registers met betrekking tot de woning, op straffe van een dwangsom van € 750,-- per keer dat de man dit nalaat te doen, althans een door het hof te bepalen bedrag;

  6. indien [geïntimeerde] in gebreke mocht blijven aan het onder a) t/m e) van dit petitum bepaalde te voldoen het onderhavige arrest in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring van de man tot het in de verkoop geven bij en verkopen van de woning door [makelaars] makelaars of de door het hof benoemde makelaar;

  7. indien [geïntimeerde] in gebreke mocht blijven aan het onder e) van dit petitum bepaalde te voldoen het onderhavige arrest in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de woning noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [geïntimeerde] ;

  8. met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

6.4.

[geïntimeerde] heeft de grieven weersproken en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

6.5.

Het hof constateert allereerst dat [geïntimeerde] in de memorie van grieven geen grief heeft gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van haar primaire vorderingen zoals hiervoor weergegeven in rov. 6.2.1..

In het petitum van de memorie van grieven wordt de primaire vordering in eerste aanleg niet herhaald. Evenmin heeft [appellante] gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.3. van het bestreden vonnis dat de rechtbank uit de verklaringen van [geïntimeerde] ter zitting en de door hem overgelegde stukken geen andere conclusie kan trekken dat [geïntimeerde] daadwerkelijk heeft getracht het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van [appellante] te bewerkstelligen en dat [geïntimeerde] daarmee aan zijn verplichtingen heeft voldaan.

Pas bij gelegenheid van het pleidooi heeft [appellante] alsnog het standpunt ingenomen dat [geïntimeerde] niet heeft getracht te bewerkstellingen dat [appellante] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan.

Daarmee heeft [appellante] ter gelegenheid van het pleidooi een nieuwe grief aangevoerd tegen het bestreden vonnis. De in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel brengt echter mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in geval van incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd. Van omstandigheden die een uitzondering op deze in beginsel strakke regel rechtvaardigen is niet gebleken. Zo heeft de wederpartij ter gelegenheid van het pleidooi niet ondubbelzinnig ingestemd met de nieuwe grief, doch integendeel terecht geconstateerd dat het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] aan zijn inspanningsverplichtingen heeft voldaan niet in het appel is betrokken. Ook andere omstandigheden die een uitzondering op de “twee-conclusie-regel” zijn niet gebleken. Het hof zal deze nieuwe grief dan ook niet in de beoordeling betrekken.

6.6.

Met grief 1 keert [appellante] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de subsidiaire vordering van [appellante] moet worden afgewezen. [appellante] stelt dat partijen op 12 februari 2013 een overeenkomst tot verdeling met elkaar hebben gesloten. De daarin overeengekomen goederenrechtelijke verdeling is niet tot stand gekomen en zal ook niet tot stand komen nu de bank niet bereid is [appellante] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan. In het convenant hebben partijen geen regeling opgenomen die ertoe leidt dat partijen alsnog tot een goederenrechtelijke verdeling komen als duidelijk is dat het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet kan worden verleend. Er is daarom sprake van een leemte in het convenant die op grond van artikel 6:248 lid 1 BW moet worden aangevuld met inachtneming van de eisen van redelijkheid en billijkheid. [appellante] heeft er belang bij dat na vier jaar de financiële en eigendomsbanden tussen partijen worden verbroken.

Gelet op de aard van het convenant en de aard van de rechtsverhouding tussen de ex-echtgenoten, brengt de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid mee dat de woning wordt verkocht en de hypotheekschuld wordt afgelost. Dat de leemte in het convenant moet worden aangevuld met verkoop van de woning aan een derde om tot een verdeling te komen, sluit ook aan bij de bedoeling van partijen. Partijen hebben de bedoeling gehad dat de woning verkocht zou worden als duidelijk was dat [geïntimeerde] de hypotheek niet kon overnemen, wat ook blijkt uit WhatsApp-berichten tussen [geïntimeerde] en [appellante] uit 2015.

6.7.

[geïntimeerde] heeft de grief weersproken. Verkoop aan een derde is niet aan de orde omdat partijen zijn overeengekomen dat de woning aan [geïntimeerde] zou worden toegedeeld onder de in het convenant aangegeven condities. [geïntimeerde] voldoet aan die voorwaarden, zoals de rechtbank ook terecht heeft overwogen. Er is geen sprake van een leemte in de overeenkomst: partijen hebben afspraken gemaakt en tot die afspraken behoort niet verkoop aan een derde. Ook de redelijkheid en billijkheid brengen niet mee dat de woning thans aan een derde moet worden verkocht. [geïntimeerde] komt al zijn verplichtingen na en de redelijkheid en billijkheid brengen juist mee dat [geïntimeerde] de woning zal kunnen behouden. Levering van de woning aan de man dient dan ook plaats te vinden.

6.8.1.

Het hof overweegt als volgt.

De vraag hoe het echtscheidingsconvenant moet worden uitgelegd en of dit convenant (in het bijzonder artikel 5) een leemte laat die moet worden aangevuld, dient te worden beantwoord aan de hand van de Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, LJN AG4158, NJ 1981/625, Haviltex). Bij deze uitleg komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van die overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij, mede gelet op de maatschappelijke kring waartoe zij behoren en de rechtskennis die van hen kan worden gevergd, te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Van een leemte in de overeenkomst is sprake als toepassing van de Haviltex-maatstaf tot de conclusie leidt dat tussen partijen geen wilsovereenstemming bestaat ten aanzien van een onderdeel van de overeenkomst (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013: BZ3749).

6.8.2.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] , in het licht van de tekst en context van artikel 5 van het echtscheidingsconvenant – bij de totstandkoming waarvan zowel de advocaat van [appellante] als de advocaat van [geïntimeerde] was betrokken – geen of onvoldoende omstandigheden gesteld waaruit kan worden vastgesteld dat partijen redelijkerwijze aan artikel 5 van het convenant de betekenis moesten toekennen dat sprake is van een leemte in het convenant, in die zin dat tussen hen geen wilsovereenstemming bestond voor het geval het ( [geïntimeerde] ) niet zou lukken [appellante] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. In het convenant is immers uitdrukkelijk in de situatie voorzien dat het [geïntimeerde] niet zou lukken [appellante] te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Voor dat geval verplicht [geïntimeerde] zich namelijk jegens [appellante] om haar te vrijwaren voor de verplichtingen welke voortvloeien uit de hypothecaire geldlening bij de Direktbank. Een andersluidende keuze, namelijk verkoop aan een derde, is daarbij niet gemaakt. Uit het feit dat nog geen levering van de woning aan [geïntimeerde] heeft plaatsgevonden kan, anders dan [appellante] stelt, evenmin worden afgeleid dat sprake is van een leemte in het convenant. Partijen zijn immers in het convenant toedeling aan [geïntimeerde] overeen gekomen: dat levering nog niet heeft plaatsgevonden doet daaraan niet af. Ook het door [appellante] overgelegde transcript van een tussen haar en [geïntimeerde] gevoerd WhatsApp-gesprek in februari 2015, kan, in het licht van artikel 5 van het convenant, niet bijdragen aan het oordeel dat partijen in 2013 redelijkerwijs de bedoeling hebben gehad dat de woning zou worden verkocht als het niet zou lukken [appellante] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld te doen ontslaan. [geïntimeerde] reageert in dit WhatsApp gesprek slechts in algemene zin op de door [appellante] dringend geuite wens tot verkoop en refereert geenszins aan een bestaande partijbedoeling.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat partijen aan artikel 5 van het echtscheidingsconvenant redelijkerwijs de betekenis moesten toekennen dat de woning wordt toebedeeld aan [geïntimeerde] waarbij [geïntimeerde] de schuld aan de Direktbank als eigen schuld zal voldoen en waarbij op [geïntimeerde] de inspanningsverplichting rust om [appellante] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. Indien dat laatste niet lukt, dient [geïntimeerde] [appellante] te vrijwaren in haar verhouding tot de Direktbank.

De conclusie is dat grief I faalt.

6.9.1.

Met grief 2 keert [appellante] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellante] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die het onaanvaardbaar maken dat zij nog langer aan de met [geïntimeerde] gemaakte afspraken kan worden gehouden. [appellante] wenst niet langer in de onverdeeldheid te blijven. Indien [geïntimeerde] iets overkomt, zal [appellante] door de bank worden aangesproken. Ook heeft [geïntimeerde] zelf aangegeven dat het, na zijn pensionering, moeilijk zal worden om aan de verplichtingen jegens de bank te voldoen. [appellante] heeft een WWB-uitkering en kan zich geen aanvullende lasten, voortvloeiend uit de hoofdelijke aansprakelijkheid veroorloven. [appellante] wenst bovendien een lening aan te gaan om een kleine auto te kunnen kopen, maar die mogelijkheid heeft zij, als gevolg van de hoofdelijke aansprakelijkheid, nu niet.

6.9.2.

[geïntimeerde] voert aan dat [appellante] geen concrete omstandigheden heeft gesteld die het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken dat [appellante] aan het echtscheidingsconvenant wordt gehouden. [appellante] ondervindt geen last of hinder van de hoofdelijke aansprakelijkheid. [geïntimeerde] voldoet stipt aan zijn verplichtingen jegens de bank en er is geen sprake van een executierisico. De woningmarkt is voorts sedert 2013 verbeterd waardoor de waarde van de woning is toegenomen. Uit niets blijkt dat [appellante] geen financiering voor een auto kan krijgen vanwege de hoofdelijke verbondenheid voor de schuld aan de Direktbank.

6.9.3.

Het hof overweegt als volgt.

[appellante] baseert zich kennelijk op art. 6:248 lid 2 BW. Deze bepaling, die ook van toepassing is op overeenkomsten tussen (ex-)echtgenoten, bepaalt dat een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Artikel 6:248 lid 2 stelt buiten twijfel dat redelijkheid en billijkheid ook inbreuk kunnen maken op hetgeen uit de andere in art. 6:248 lid 1 genoemde bronnen voortvloeit. De formulering ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ brengt tot uitdrukking dat de rechter bij de toepassing van het tweede lid de nodige terughoudendheid zal moeten betrachten. Bedoelde formulering mag dan ook niet worden verkort tot ‘strijd met redelijkheid en billijkheid’ (zie hiervoor HR 9 januari 1998, NJ 1998, 363) of ‘niet redelijk’ (zie hiervoor HR 25 februari 2000, NJ 2000, 471).

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] ook in hoger beroep geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [appellante] aan de in artikel 5 van het convenant neergelegde afspraken te houden. De enkele (niet nader onderbouwde) stelling dat [appellante] geen lening kan aanvragen voor een auto vanwege de hoofdelijke verbondenheid is daartoe onvoldoende, evenals een verwijzing naar het overlijdensrisico van [geïntimeerde] . Voor zover [appellante] met een beroep op art. 3:178 BW stelt dat zij niet langer in de onverdeeldheid van woning wenst te blijven, ziet [appellante] eraan voorbij dat partijen in het convenant reeds toedeling van de woning aan [geïntimeerde] zijn overeengekomen.

Ook grief 2 faalt mitsdien.

6.10.

Het hof gaat aan het algemene bewijsaanbod van [appellante] voorbij nu [appellante] geen feiten en omstandigheden te bewijzen heeft aangeboden die, indien bewezen, tot toewijzing van haar vorderingen kunnen leiden.

6.11.

Gelet op al het voorgaande dient het vonnis van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te worden bekrachtigd. De in hoger beroep gewijzigde vorderingen (strekkende tot verkoop van de woning aan een derde), dienen te worden afgewezen.

6.12.

Het hof zal, met toepassing van art. 237 Rv juncto art. 353 Rv, de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven van 15 maart 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Laarhoven, P.P.M. van Reijsen en A.J.F. Manders en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 oktober 2018.

griffier rolraad