Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4387

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
24-10-2018
Zaaknummer
200.212.677_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontruiming perceel wegens gebruik zonder recht of titel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.212.677/01

arrest van 23 oktober 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. H.M.A. van den Boogaard te Uden,

tegen

mr. M.J.W. van Ingen q.q.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de curator,

advocaat: mr. C. Vermeulen te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 februari 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 3 november 2016, door de kantonrechter bij de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en de curator als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4948261 CV EXPL 16-2979)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van [appellant] van 29 augustus 2017;

  • -

    de antwoordakte van de curator van 26 september 2017.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

3.1.2.

[holding] Holding B.V. (verder [holding] Holding) is in 1994 opgericht. Bestuurder en enig aandeelhouder van [holding] Holding is de heer [bestuurder en enig aandeelhouder van de holding] , vader van [appellant] en woonachtig in Frankrijk (verder de vader). [holding] Holding is eigenaar van een perceel met potplantenkwekerij, plaatselijk bekend [perceel] te [vestigingsplaats] , kadastraal aangeduid [kadastrale aanduiding 1] met een oppervlakte van 70 aren en 30 centiaren en [kadastrale aanduiding 2] met een oppervlakte van 2 hectaren, 12 aren en 75 centiaren (verder het perceel).

3.1.3.

[appellant] en zijn broer [de broer] (verder de broer) waren de vennoten van [handelskwekerij] Handelskwekerij vof die in 2006 failleerde. Eind 2006 heeft de vader een doorstart gemaakt van [handelskwekerij] Handelskwekerij met [vaste planten] Vaste Planten B.V., een dochtervennootschap van [holding] Holding. [appellant] was in dienst bij [vaste planten] Vaste Planten B.V. totdat deze vennootschap failleerde op 10 april 2012.

3.1.4.

Kuroplant B.V. huurde het perceel van [holding] Holding voor een huurprijs van € 1.176,- euro per maand.

3.1.5.

[holding] Holding is op 2 september 2014 in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. Van Ingen tot curator (hierna: de curator). Tot de faillissementsboedel van [holding] Holding behoort onder meer het perceel.

3.1.6.

Kuroplant B.V. is op 4 november 2014 in staat van faillissement verklaard. De curator heeft in een brief van 14 november 2014 onder meer het volgende gemeld aan de (waarnemer van de) curator in het faillissement van Kuroplant B.V.:

Naar aanleiding van ons telefonisch contact van de 12de dezer, alsmede uw e-mail van dezelfde datum begrijp ik dat Kuroplant B.V. in staat van faillissement verkeert met benoeming van mr. Poorthuis tot curator, waar u de zaken voor waarneemt.

In mijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [holding] Holding B.V. zeg ik, voor zover er enige huurovereenkomst tussen mijn curanda en uw curanda vigeerde, deze hierbij op met de kortst mogelijk termijn. De boedel is bereid om te spreken over eerdere oplevering met wederzijds goedvinden, maar in ieder geval zal de huurovereenkomst eindigen over 3 maanden na heden ingevolge artikel 39 Fw.

Voorts wijs ik er op dat [holding] Holding B.V. niet bereid is om te spreken over een nieuwe verhuur. Zij wenst tot onbezwaarde uitwinning van haar zaken te komen. (…)

3.1.7.

Op 8 december 2014 is onder de naam Kuroplant Vaste Planten een eenmanszaak van mevrouw [de moeder van appellant] , de moeder van [appellant] , (verder de moeder) in het handelsregister ingeschreven op het adres [perceel] te [vestigingsplaats] . In uittreksels uit het handelsregister van 2 juni 2016 en 2 juni 2017, staat dat de moeder woonachtig is in Frankrijk.

3.1.8.

In het faillissementsverslag van Kuroplant B.V. van 29 september 2015 staat onder meer het volgende:

In eerste instantie zou Kuroplant B.V. huurder zijn van een gedeelte van de kassen aan het adres [perceel] , welke in eigendom zijn van [holding] Holding B.V. Later hebben de bestuurders zich op het standpunt gesteld dat niet Kuroplant B.V., maar zij in privé huurder zouden zijn. In ieder geval is de huurovereenkomst tussen Kuroplant B.V. en [holding] Holding B.V., voor zover die zou hebben bestaan, opgezegd door de curator van [holding] Holding B.V., te weten mr. M. van Ingen. (…)

3.1.9.

Na het faillissement van Kuroplant B.V. is de exploitatie van de potplantenkwekerij op het perceel voortgezet. Geconstateerd is dat [appellant] op het perceel aanwezig was. In een brief van 7 oktober 2015 van de heer [makelaar] , makelaar, aan de curator staat onder meer het volgende:

Op 28 september 2015 hebben wij met u (…) de objecten voornoemd bezocht. Hierbij een verslag (…)

[perceel] te [vestigingsplaats] : kwekerij met kas en achtergelegen land; de kwekerij is in gebruik en aanwezig was de heer [appellant] die aangaf te huren van de heer [bestuurder en enig aandeelhouder van de holding] senior en niet van plan was de kwekerij te verlaten en “vrij” op te leveren. (…)

De procedure bij de kantonrechter

3.2.1.

De curator heeft in eerste aanleg onder meer - samengevat - gevorderd:

In het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening:

I. ontruiming door [appellant] ;

In de hoofdzaak:

II. betaling van een bedrag van € 18.816,00 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en betaling van een bedrag van € 1.176,00 per maand vanaf 1 maart 2016 tot het tijdstip van ontruiming;

III. voorwaardelijke ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot het perceel, indien daarvan sprake is, en ontruiming van de potplantenkwekerij;

IV. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten;

V. veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.2.2.

De curator heeft aan zijn vorderingen tot ontruiming en tot betaling van schadevergoeding ten grondslag gelegd dat [appellant] het perceel zonder recht of titel (heeft) gebruikt. Aan de voorwaardelijke vordering tot ontbinding, voor het geval sprake zou zijn van een huurovereenkomst, heeft de curator ten grondslag gelegd dat geen huur is betaald. [appellant] heeft verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, hierna aan de orde komen.

3.2.3.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering in het incident afgewezen en [appellant] in de hoofdzaak veroordeeld om het perceel aan de [perceel] te [vestigingsplaats] binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen met alle daarop aanwezige personen en goederen voor zover deze niet het eigendom van (de boedel van) [holding] Holding zijn, en dit perceel ontruimd te houden, en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking te stellen aan de curator. Verder heeft de kantonrechter de proceskosten in het incident en in de hoofdzaak gecompenseerd en het in de hoofdzaak anders of meer gevorderde afgewezen.

De kantonrechter oordeelde daartoe, kort samengevat, als volgt. Van een huurovereenkomst met [appellant] met betrekking tot het perceel is niet gebleken. De voorwaardelijke ontbinding van een huurovereenkomst wordt daarom afgewezen (3.3).

Vaststaat dat [appellant] op het perceel werkzaamheden verricht. Het verweer dat hij niet als gebruiker kan worden aangemerkt is niet onderbouwd. (3.4).

Volgens de curator heeft hij geen toestemming verleend aan een doorstart op het perceel. [appellant] maakt zonder recht of titel gebruik van het perceel (3.5).

Hoger beroep

3.3.1.

In hoger beroep heeft [appellant] gevorderd het vonnis van de kantonrechter te vernietigen voor zover de vordering tot ontruiming is toegewezen, de vorderingen van de curator alsnog integraal af te wijzen en de curator te veroordelen in de kosten van beide instanties. [appellant] heeft daartoe twee grieven aangevoerd.

3.3.2.

Met deze grieven komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] zijn ter comparitie op 19 oktober 2016 voor het eerst gevoerde verweer - dat hij in dienst is van de moeder en daarom niet als gebruiker van het perceel kan worden aangemerkt - niet heeft onderbouwd en voorts tegen de veroordeling tot ontruiming. [appellant] stelt dat de moeder na het faillissement van Kuroplant B.V. op 7 december 2014 een doorstart heeft gemaakt als de eenmanszaak Kuro Vaste Planten en het perceel exploiteert. [appellant] stelt sinds 1 juli 2016 in dienst te zijn bij de moeder en uitsluitend op het perceel aanwezig te zijn ter uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst. [appellant] stelt dat hij zou worden ontslagen indien hij het perceel ontruimd zou moeten houden omdat hij dan zijn werkzaamheden niet langer kan uitvoeren. Verder stelt hij als werknemer niet bij machte te zijn het perceel waar zijn werkgever is gevestigd te ontruimen.

Ter onderbouwing van de stelling dat de moeder een onderneming drijft op het perceel verwijst [appellant] naar de inschrijving van de eenmanszaak van de moeder in het handelsregister (rov. 3.1.7.), naar briefpapier, naar loonstrookjes en naar een op 1 juli 2016 ondertekende arbeidsovereenkomst (prod. 2, 3, 4 en 5 mvg).

3.4.

De curator betwist dat de moeder gerechtigd is het perceel te gebruiken, een doorstart heeft gemaakt en een onderneming exploiteert op het perceel. Volgens de curator heeft [appellant] een (papieren) constructie bedacht om de ontruiming te kunnen vertragen of omzeilen. De curator betwist dat [appellant] werknemer is van de moeder en stelt dat dit overigens niet uitsluit dat [appellant] (ook) gebruiker is van het perceel.

3.5.1.

Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat [holding] Holding eigenaar is van het perceel, dat sinds het faillissement van deze vennootschap alleen de curator bevoegd is het perceel in gebruik te geven of te verhuren (rov. 3.1.2. en 3.1.5.) en dat [appellant] of een ander het perceel niet heeft gehuurd of in gebruik heeft gekregen van de curator. De curator heeft op 14 november 2014 de huurovereenkomst met Kuroplant B.V. met betrekking tot het perceel opgezegd en daarbij gemeld geen nieuwe huurovereenkomst met betrekking tot dit perceel te willen sluiten (rov. 3.1.6). Daarmee is de huurovereenkomst en het recht van Kuroplant B.V. om het perceel te gebruiken in elk geval geëindigd per 14 februari 2015. Het faillissementsverslag van Kuroplant B.V. van 29 september 2015 bevestigt de opzegging door de curator (3.1.8.). Indien de moeder al een doorstart zou hebben gemaakt na het faillissement van Kuroplant B.V. en goederen zou hebben overgenomen uit de boedel van Kuroplant B.V., dan kan dit dus geen betrekking hebben op het perceel. Dat de moeder uit andere hoofde een gebruiksrecht heeft op het perceel heeft [appellant] niet of onvoldoende gesteld, laat staan onderbouwd. Daarmee staat voldoende vast dat noch [appellant] , noch de moeder het recht hebben om van het perceel gebruik te maken. Of [appellant] het perceel al dan niet betreedt als werknemer van de moeder is voor toewijzen van de vordering tot ontruiming van [appellant] daarom irrelevant. [appellant] betreedt het perceel zonder recht of titel en de curator is gerechtigd om aan dit gebruik een eind te maken.

3.5.2.

[appellant] heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat hij feitelijk niet bij machte is het perceel te ontruimen met alle daarop aanwezige personen en goederen voor zover deze niet het eigendom zijn van (de boedel van) [holding] Holding. Daartoe acht het hof allereerst van belang dat de potplantenkwekerij op het perceel eigendom is van (de boedel van) [holding] Holding (rov. 3.1.2) en dat [appellant] niet heeft gesteld welke andere zaken of personen (anders dan [appellant] zelf) van/namens een ander dan [holding] Holding zich op het perceel zouden bevinden. Verder heeft [appellant] onvoldoende betwist dat de inschrijving van de eenmanszaak van de moeder in het handelsregister en de arbeidsovereenkomst niet meer zijn dan een (papieren) constructie zoals de curator heeft gesteld. [appellant] heeft daartoe wel de gelegenheid gehad nu hij na de memorie van antwoord nog een akte heeft genomen. Uit het dossier blijkt dat [appellant] het perceel van 2012 tot 2014 zelf exploiteerde, zich in 2015 op het perceel bevond en aan de makelaar van de curator heeft gemeld dat hij het perceel zelf huurde en niet wilde ontruimen (rov. 3.1.4. en 3.1.9.). Verder blijkt uit het dossier geen werkelijke betrokkenheid van de moeder bij de exploitatie en staat als onbetwist vast dat de moeder in elk geval sinds 2 juni 2016 (rov. 3.1.7.) in Frankrijk woont. Daarmee is onvoldoende onderbouwd dat de inschrijving van de eenmanszaak van de moeder op het perceel en de arbeidsovereenkomst tussen de moeder en [appellant] in de weg staan aan de ontruiming van het perceel door [appellant] zoals toegewezen in het bestreden vonnis. Aan bewijslevering komt het hof niet toe.

3.6.

Dit betekent dat de twee grieven falen en het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen.

3.7.

Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof ziet geen reden om [appellant] in de kosten van de eerste aanleg te veroordelen, zoals door de curator is gevorderd, omdat de kantonrechter kennelijk en terecht de kosten van de eerste aanleg heeft gecompenseerd omdat partijen in eerste aanleg over en weer in het ongelijk zijn gesteld. Daarin komt in hoger beroep geen wijziging.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van de curator worden begroot op € 313,- aan griffierecht en € 1.611,- aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M.A. Wabeke en A.L. Bervoets en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 oktober 2018.

griffier rolraadsheer