Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4367

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
25-09-2019
Zaaknummer
200.243.561_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:4360
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:3490
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhuurder van sociale woningen vordert ontbinding huurovereenkomst en ontruiming gehuurde na aantreffen hennepkwekerij

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.243.561/01

arrest van 23 oktober 2018

gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van

Bewindvoering Regio [vestigingsnaam] B.V., in hoedanigheid van bewindvoerster over de goederen

van [de rechthebbende] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. S.H.J. van der Linden te Venlo,

tegen

Stichting Woonwenz,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. J.M.H. van den Mosselaar te Best,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 juli 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis

van 9 mei 2018, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond,

gewezen tussen appellante - de bewindvoerster - als gedaagde en geïntimeerde - Woonwenz

- als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6337042\CV EXPL 17-7591)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met grieven tevens eis in incident met producties;

- de antwoordmemorie in het incident van Woonwenz met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

Het hof gaat voor de beoordeling van de incidentele vordering uit van de navolgende

feiten:

3.1.1.

Bij beschikking van 22 mei 2012 is [de rechthebbende] (hierna: [de rechthebbende] ) onder bewind gesteld

met benoeming van Bewindvoering Regio [vestigingsnaam] B.V. tot bewindvoerster.

3.1.2.

[de rechthebbende] huurt vanaf 1 augustus 2013 een woning aan de [adres] te [plaats]

(hierna: de woning) van Woonwenz.

3.1.3.

In eerste aanleg heeft Woonwenz de ontbinding van deze huurovereenkomst

gevorderd alsmede de ontruiming van de woning, nadat in de woning op 28 juli 2016 een in

werking zijnde hennepkwekerij was aangetroffen.

3.2.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 9 mei 2018 de tussen [de rechthebbende] en Woonwenz

bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning ontbonden en de bewindvoerster

veroordeeld om de woning binnen 14 dagen na de betekening van het vonnis te ontruimen en

te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Woonwenz te stellen. Het

vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, nadat de kantonrechter het verweer om daartoe niet over te gaan, gemotiveerd heeft verworpen.

3.3.

De bewindvoerster kan zich niet verenigen met voornoemd vonnis en is hiervan

tijdig in hoger beroep gekomen. In het onderhavige incident vordert zij schorsing van de

tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. Woonwenz heeft deze vordering gemotiveerd

betwist.

3.4.

Bij de beoordeling van deze vordering stelt het hof voorop dat een partij die een

uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis

te executeren, ook indien tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld en bij tenuitvoerlegging

een onomkeerbare situatie dreigt te ontstaan. Voor toewijzing van een incidentele vordering

op grond van artikel 351 Rv is plaats in geval van misbruik van recht, waarvan met name

sprake kan zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust,

dan wel in geval een afweging van de belangen van partijen in het licht van nieuwe - door

incidenteel eiser te stellen - omstandigheden daartoe aanleiding geeft. Als nieuwe

omstandigheden komen alleen in aanmerking omstandigheden die zich hebben voorgedaan

nadat de zaak in eerste aanleg in staat van wijzen is gekomen; hieronder vallen dus niet

omstandigheden die reeds aanwezig waren voor de staat van wijzen, maar die door partijen

in de procedure in eerste aanleg niet zijn aangevoerd. De kans van slagen van het

aangewende rechtsmiddel dient bij de belangenafweging in de regel buiten beschouwing te

blijven.

3.5.

De uitvoerbaarheid bij voorraad heeft in het algemeen tot doel de gerechtigde niet

langer te laten wachten op hetgeen hem - althans voorshands na een volledig en afgesloten

onderzoek in eerste aanleg - toekomt. Reeds hierin ligt het belang van Woonwenz bij de in

eerste aanleg verkregen uitvoerbaarverklaring bij voorraad besloten.

3.6.

Tegenover voornoemd belang van Woonwenz stelt de bewindvoerster dat

tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis voor [de rechthebbende] een noodtoestand tot gevolg zou

hebben, omdat [de rechthebbende] dan geen onderdak meer zou hebben. De bewindvoerster voert in dat

kader - samengevat - aan dat [de rechthebbende] drie inwonende minderjarige kinderen met een

beperking heeft. Door de problematiek van de kinderen kan zij niet zomaar ergens anders

gaan wonen. Ook zal alle hulpverlening stagneren en kunnen de kinderen geen onderwijs

volgen op het moment dat het gezin op straat komt te staan. De stabiliteit, duidelijkheid en

voorspelbaarheid die voor de kinderen van wezenlijk belang zijn komt alsdan direct in het

gedrang waardoor de kinderen ernstig in hun ontwikkeling zullen worden geschaad. Indien

[de rechthebbende] de woning dient te ontruimen, zal ook zijzelf gelet op haar gezondheidstoestand in

een noodtoestand komen te verkeren. [de rechthebbende] heeft ondersteuning en stabiliteit nodig om zich

te kunnen blijven handhaven. Voorts is het ook voor haar kinderen van wezenlijk belang dat

[de rechthebbende] hen kan blijven ondersteunen. Indien het vonnis ten uitvoer wordt gelegd is het voor

[de rechthebbende] tevens onmogelijk om via Woonwenz of een andere woningstichting een huurwoning

te huren. [de rechthebbende] is dan aangewezen op een particuliere huurwoning, maar kan deze gelet op

haar inkomen niet huren, terwijl op het moment dat [de rechthebbende] zou moeten verhuizen naar een

andere gemeente haar bijstandsuitkering, waarvan zij en haar gezin afhankelijk zijn, op de

tocht zal komen te staan, aldus de bewindvoerster.

3.7.

De vraag die thans dient te worden beantwoord, is of de bewindvoerster nieuwe

omstandigheden aanvoert die na afweging van de belangen kunnen meebrengen dat het

belang van [de rechthebbende] bij behoud van de bestaande toestand totdat in hoger beroep is beslist,

alsnog dient te prevaleren boven het belang van Woonwenz om niet langer te wachten op

hetgeen haar, althans voorshands na een volledig en afgesloten onderzoek in eerste aanleg,

toekomt. Deze vraag dient naar het oordeel van het hof ontkennend te worden beantwoord.

Hetgeen de bewindvoerster aanvoert met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van

[de rechthebbende] is, zo leidt het hof af uit de processtukken en het vonnis in eerste aanleg, ook al

aangevoerd in eerste aanleg. Deze omstandigheden zijn, anders dan de bewindvoerster

meent, ook door de kantonrechter meegenomen bij de door hem gemaakte belangenafweging

(vgl. r.o. 4.3 van het bestreden vonnis). Uit r.o. 4.2, laatste volzin van het bestreden vonnis

blijkt dat de kantonrechter tevens rekening heeft gehouden met het tijdsverloop tussen de

ontdekking van de hennepkwekerij en het starten van de ontbindingsprocedure door

Woonwenz.

Voor zover de bewindvoerster stelt dat bij tenuitvoerlegging een noodtoestand ontstaat,

omdat [de rechthebbende] dan haar huisvesting verliest, overweegt het hof dat dit een aan ontruiming

inherente omstandigheid is die ook al bij de belangenafweging door de kantonrechter is

betrokken en die dus evenmin kan worden aangemerkt als een omstandigheid die zich heeft

voorgedaan nadat de zaak in staat van wijzen is gekomen. In zoverre is in het kader van dit incident voor een nieuwe belangenafweging geen plaats. Daar komt bij dat [de rechthebbende] , die er in ieder geval reeds sinds de dagvaarding in eerste aanleg d.d. 18 september 2017, waarbij Woonwenz ontruiming van de woning heeft gevorderd, terdege rekening mee moest houden dat zij elders woonruimte diende te zoeken, niets heeft aangevoerd over inspanningen die zij sedertdien heeft verricht om in aanmerking te komen voor andere woonruimte en ook onvoldoende is gesteld of gebleken dat op geen enkele wijze vervangende woonruimte voor [de rechthebbende] beschikbaar is, terwijl [de rechthebbende] ook haar stelling dat zij na ontruiming van de woning op straat komt te staan op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

Het enkele feit dat er naar mening van [de rechthebbende] nieuw bewijs voorhanden is in de vorm van de

door mevrouw [getuige] op 9 juli 2018 bij de rechter-commissaris in strafzaken

afgelegde getuigenverklaring, is evenmin een relevante nieuwe omstandigheid die tot een

nieuwe afweging van belangen dient te leiden nu de getuige verklaart over het onder bedreiging dwingen van [de rechthebbende] tot het dulden van de hennepkwekerij en deze omstandigheid reeds in eerste aanleg naar voren is gebracht.

Overigens sluit het hof zich bij de overwegingen van de kantonrechter aan in het kader van

de belangenafweging in dit incident.

3.8.

Ten aanzien van de door [de rechthebbende] aangevoerde grond “juridische of feitelijke misslag”

is het hof van oordeel dat [de rechthebbende] aan haar vordering onvoldoende feiten en omstandigheden

ten grondslag heeft gelegd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het vonnis

berust op een juridische of feitelijke misslag. [de rechthebbende] stelt slechts dat de kantonrechter ten

onrechte heeft nagelaten om een door [de rechthebbende] voorgedragen getuige te horen. Van een

(kennelijke) juridische of feitelijke misslag als hiervoor omschreven is pas sprake wanneer

het evident is dat het bestreden vonnis op een vergissing berust. Daarvan is nog geen sprake

wanneer ook een andere beslissing - het horen van de door [de rechthebbende] voorgedragen getuige -

mogelijk was geweest. De stelling van [de rechthebbende] dat de kantonrechter zou hebben miskend dat

[de rechthebbende] en haar gezin nergens terecht kunnen indien [de rechthebbende] de woning dient te ontruimen,

kan evenmin tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis leiden. Dat

[de rechthebbende] het niet eens is met het desbetreffende oordeel van de kantonrechter is daartoe

onvoldoende. De bezwaren van [de rechthebbende] tegen het desbetreffende oordeel van de

kantonrechter zullen aan de orde kunnen komen in de hoofdzaak. Het hof kan in het incident

niet vooruitlopen op de beslissing in de hoofdzaak. Bovendien dient de kans van slagen van

het door [de rechthebbende] ingestelde hoger beroep in dit stadium buiten beschouwing te blijven.

Het vonnis van de kantonrechter berust dan ook niet op een (kennelijke) misslag die de

schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis rechtvaardigt.

3.9.

Voor het overige heeft de bewindvoerster geen omstandigheden als bedoeld in

rechtsoverweging 3.4 aangevoerd die een schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis

waarvan beroep rechtvaardigen.

3.10.

Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vordering van de bewindvoerster zal

worden afgewezen. De bewindvoerster zal als de in het ongelijk gestelde partij worden

veroordeeld in de proceskosten.

In de hoofdzaak

3.11.

Uit de roladministratie blijkt dat Woonwenz op de rol van 16 oktober 2018 haar memorie van antwoord heeft genomen. Het hof zal de zaak thans verwijzen naar de rol van 6 november 2018 voor beraad partijen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering af;

veroordeelt de bewindvoerster in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde

van Woonwenz tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 1.074,- aan salaris

advocaat;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 6 november 2018 voor beraad partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en J.M.H.

Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 oktober 2018.

griffier rolraadsheer